<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2020:4115</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-25T09:09:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-08-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-08-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751965-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:4115">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:4115</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-24T11:54:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-08-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2020:4115 Rechtbank Amsterdam , 20-08-2020 / 13/751965-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2020:4115:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hongaars executie EAB. Toestaan overlevering. Detentieomstandigheden Hongarije vormen geen beletsel voor overlevering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2020:4115:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751965-19</para>
      <para>RK nummer: 20/2890</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 20 augustus 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <?linebreak?>
    </para>
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 juni 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 11 juni 2020 door <emphasis role="italic">Budapest-Capital Regional Court, </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Law-Enforcement Division </emphasis>(Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1970, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 augustus 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. <?linebreak?>De opgeëiste persoon, aanwezig via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsvrouw,<?linebreak?>mr. A.J. van der Velden, advocaat te Almere, en door een tolk in de Hongaarse taal.</para>
      <para>
        <?linebreak?>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">enforceable judgement, sentence, No. 26.B.1541/2012/36 </emphasis>van 24 juni 2013 van <emphasis role="italic">the Budapest Regional Court, </emphasis>dat onherroepelijk is geworden op 6 november 2014 door<emphasis role="italic"> decision No. 3.Bf.355/2013/14 </emphasis>van<emphasis role="italic"> the Budapest Regional Court of Appeal </emphasis>(Hongarije). </para>
      <para>In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid. De rechtbank begrijpt dat dit (alleen) betrekking heeft op het vonnis in eerste aanleg. De Hongaarse autoriteiten hebben bij brief van <?linebreak?>28 juli 2020 toegelicht dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de behandeling op de  terechtzitting van het hoger beroep en een door hem gekozen advocaat heeft gemachtigd, die op die zitting zijn verdediging heeft gevoerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 8 jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde <emphasis role="italic">decision</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze <emphasis role="italic">decision </emphasis>betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.<?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="bold">5.   Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft betoogd dat in Hongarije sprake is van structurele en fundamentele gebreken die een nadelig effect hebben op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, waardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast. Zij heeft onder meer aangevoerd dat de opgeëiste persoon een deel van het dossier in zijn strafzaak niet heeft kunnen inzien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van fundamentele en structurele gebreken zoals door de raadsvrouw bedoeld. De rechtbank verwijst naar overweging 6.3 in haar uitspraak van 17 oktober 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:7758), welke overweging hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Detentieomstandigheden </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat sprake is van een op feiten en omstandigheden gebaseerd gegrond vermoeden dat overlevering zal leiden tot een flagrante schending van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon. De conclusie van de rechtbank van 27 augustus 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:6354) dat geen sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in Hongaarse detentie-instellingen is niet van toepassing op de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon behoort tot de Joodse gemeenschap. Uit het rapport van het Europees Parlement van 4 juli 2018 van J. Sargentini volgt dat in Hongarije de rechten van personen die tot de Joodse gemeenschap behoren niet (kunnen) worden gewaarborgd. <?linebreak?>Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen om nadere informatie aan de Hongaarse autoriteiten op te vragen over de detentieomstandigheden in Hongarije.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden in Hongarije geen beletsel vormen voor overlevering. Ze heeft daarbij verwezen naar recente uitspraken van deze rechtbank. Het rapport van het Europees Parlement is van 2018, het vonnis en arrest dateren van 2013 respectievelijk 2014. <?linebreak?><emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat zij in haar uitspraak van 27 augustus 2019 heeft geoordeeld dat niet langer sprake is van een reëel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling in Hongaarse detentie-instellingen vanwege de algemene detentieomstandigheden. Het rapport van het Europees Parlement van 2018 kan niet worden aangemerkt als een actueel, objectief en naar bijbehoren bijgewerkt gegeven dat er een algemeen reëel gevaar bestaat voor een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die tot de Joodse gemeenschap behoren. <?linebreak?></para>
      <para>De rechtbank is daarom van oordeel dat de detentieomstandigheden geen beletsel vormen voor overlevering. <?linebreak?></para>
      <para>De rechtbank ziet geen reden om, zoals door de raadsvrouw verzocht, de behandeling van het verzoek aan te houden om meer informatie van Hongarije te krijgen over de te verwachten detentieomstandigheden na overlevering. </para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>
      <?linebreak?>7.   Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] </emphasis>aan de <emphasis role="italic">Budapest-Capital Regional Court, Law-Enforcement Division </emphasis>(Hongarije).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. Ch.A van Dijk,  				                         			voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.E.M. James-Pater en M. Snijders Blok-Nijensteen,   		   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. S.P.F. Sneeboer,		                        		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 20 augustus 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>