<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2020:3599</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-04T11:35:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-05-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/7254</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:3599">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:3599</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-04T08:27:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-08-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2020:3599 Rechtbank Amsterdam , 25-05-2020 / 19/7254</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2020:3599:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uurtarief van € 300 niet onredelijk. Buitenlandse cliënt rechtvaardigt een langere voorbereiding. Aantal uren bovenmatig hoog, gelet op verdenking en dossier. Vanwege ervaring en specialisatie mag efficiëntie van de raadsman verwacht worden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2020:3599:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="456f6ba6-d1b9-4fd1-8164-f33e8dffbfa4" depth="16" width="551" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beschikking</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Publiekrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Teams Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/100815-19</para>
      <para>RK: 19/7254</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beschikking op het verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] ,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),</para>
      <para>wonende aan de [adres] ,</para>
      <para>woonplaats kiezend op het adres van zijn raadsman, mr. R.I. Takens, </para>
      <para>
        [adres raadsman] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoekschrift is op 27 december 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 11 februari 2020 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In verband met de coronamaatregelen is de rekestenzitting op 19 mei 2020 niet doorgegaan. Verzoeker heeft afstand gedaan van het recht op (aanwezigheid bij) een mondelinge behandeling van zijn verzoekschrift in raadkamer. De rechtbank heeft met instemming van de raadsman en het Openbaar Ministerie, na schriftelijke rondes, op 25 mei 2020 buiten raadkamer om op het verzoekschrift besloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft per e-mail van 8 april 2020 zijn schriftelijke standpunt kenbaar gemaakt. De officier van justitie heeft per e-mail van 12 mei 2020 laten weten te persisteren bij het eerder ingenomen standpunt. De raadsman heeft hier per e-mail van 19 mei 2020 op gereageerd. De officier van justitie heeft per e-mail van 19 mei 2020 laten weten geen behoefte te hebben aan een tweede termijn.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inhoud van het verzoekschrift</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van € 9.569,04 voor de kosten van de raadsman en € 550,00 voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift ter terechtzitting. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn schriftelijke reactie van 8 april 2020 heeft de raadsman ter aanvulling op het verzoekschrift en naar aanleiding van het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie – kort samengevat – het volgende aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met verzoeker is afgesproken hem rechtsbijstand te verlenen op betalende basis. Buitenlandse cliënten ervaren problemen met het verkrijgen van een toevoeging, omdat gegevens uit het buitenland verzameld moeten worden en er veel kosten en tijd mee gemoeid zijn, voordat de toevoeging is verstrekt. Verzoeker heeft een vrije advocaatkeuze. Het achteraf alsnog geheel voor rekening van klager laten van deze kosten kan strijd opleveren met de eisen van een eerlijk proces.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het uurtarief van € 300,00 hangt samen met de kennis en ervaring van de raadsman. De raadsman is strafrechtspecialist en lid van NVSA en VCAS. Daarnaast is hij gespecialiseerd in het jeugdstrafrecht. Dit brengt extra inspanningsverplichtingen en extra kosten met zich mee. Deze kennis en ervaring maakt wel dat op het gebied van studie van wet- en regelgeving, doctrine en jurisprudentie doorgaans minder in rekening wordt gebracht bij de cliënt, en een zekere mate van efficiëntie verwacht mag worden, waardoor minder tijd voor dossierstudie nodig is. </para>
      <para>Het uurtarief van € 300,00 is meermalen toegewezen in de door het kantoor van de raadsman behandelde zaken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen sprake van een bovenmatigheid (in de declaratie) die in meer of mindere mate in het oog springt. In de zaak van verzoeker is veel werk verricht, wat onder meer komt doordat aangever niet bij de rechter-commissaris verscheen en pas ter zitting werd gehoord. Op de eerste zitting stelde aangever een voegingsformulier te hebben ingediend, zodat dit tot een aanhouding van de zitting heeft geleid en een tweede zitting moest worden ingepland. <?linebreak?>Alle verrichte werkzaamheden zijn in de urenspecificatie uiteengezet en de werkzaamheden waren nodig in het kader van de rechtsbijstand aan deze, in het buitenland woonachtige cliënt. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Standpunt van het Openbaar Ministerie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie verzet zich tegen de toekenning van het uurtarief van € 300,00 van de raadsman en verzoekt de vergoeding te matigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het betreft een eenvoudige mishandeling. Een specialistisch uurtarief van € 300,00 is in zo’n geval te veel. Het Openbaar Ministerie is akkoord met de toewijzing van 24,5 uur tegen een lager uurtarief, € 225, en de reiskosten van € 377,09 = € 5.889,59. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker is bij mondeling vonnis van 12 december 2019 door de politierechter van deze rechtbank vrijgesproken van de hem ten laste gelegde (eenvoudige) mishandeling</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien de zaak tegen een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan op verzoek van de gewezen verdachte op grond van artikel 530 lid 2 Sv, aan hem, uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade, die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 534 lid 1 Sv heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek is tijdig ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Reiskosten verzoeker</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig een vergoeding toe te kennen voor de reiskosten van verzoeker. De opgegeven reiskosten worden onderbouwd door overlegde stukken. De gevraagde vergoeding zal dan ook worden toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Kosten raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat de declaratie van een raadsman een uitgangspunt is, dat door de rechtbank wordt betrokken in haar oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen gronden van billijkheid zijn om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman en, zo ja, tot welk bedrag. De rechtbank slaat daarbij onder meer acht op de omvang en de complexiteit van de onderliggende strafzaak. In het geval de rechtbank de gevraagde vergoeding gelet op alle omstandigheden bovenmatig acht, kan dat een grond zijn om de gevraagde vergoeding te matigen, dan wel af te wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman. De opgegeven kosten worden gestaafd door de overgelegde urenspecificaties en declaraties. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uurtarief</emphasis>
      </para>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is het gehanteerde uurtarief van € 300,00 niet onredelijk hoog. Anders dan door het Openbaar Ministerie is betoogd, kan een uurtarief van € 225,- in het algemeen niet als uitgangspunt worden genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In rekening gebrachte uren</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank gaat er van uit dat de raadsman zijn cliënt niet meer uren in rekening heeft gebracht dan hij daadwerkelijk aan de zaak heeft besteed. De vraag die de rechtbank echter moet beantwoorden is in welke mate het billijk is die uren voor rekening van de Staat te laten komen. In dat kader acht de rechtbank 24,85 uur voor een relatief eenvoudige zaak en een dossier van geringe omvang (22 pagina’s) bovenmatig. Zoals de raadsman zelf aangeeft kan, gelet op zijn ervaring en specialisatie, een zekere mate van efficiëntie van de raadsman verwacht worden. Nu het gaat om een buitenlandse cliënt, is het wel voorstelbaar dat meer tijd gemoeid is met de voorbereiding van de zaak dan gemiddeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht het billijk om 16 uur voor vergoeding in aanmerking te laten komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal voor het opmaken, indienen en behandelen van het verzoekschrift de standaardvergoeding toekennen en daarbij, gelet op de uitgebreide schriftelijke uitwisseling van standpunten nu wegens de uitbraak van het coronavirus is afgezien van een mondelinge behandeling, uitgaan van het bedrag van € 550,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank kent aan verzoekster uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van <emphasis role="bold">€ 6.540,83</emphasis> (zesduizend vijfhonderdenveertig euro en drieëntachtig eurocent) voor de kosten van de raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank kent aan verzoekster uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van <emphasis role="bold">€ 550,00</emphasis> (vijfhonderdvijftig euro) voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift. </para>
      <para>Deze beslissing is gegeven door</para>
      <para>mr. M.A.E. Somsen, 	rechter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. G. Onnink,	griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen deze beslissing staat voor verzoekster en de officier van justitie hoger beroep open, </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">in te stellen ter griffie van deze rechtbank, </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">binnen een maand na betekening van deze beschikking.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank Amsterdam, enkelvoudige kamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van <emphasis role="bold">€ 7.090,83</emphasis> (zevenduizend negentig euro en drieëntachtig eurocent) op IBAN-nummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden Takens Admiraal Advocaten, onder vermelding van “ [dossiernummer] ”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan op 25 mei 2020</para>
      <para>door mr. M.A.E. Somsen, rechter.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>