<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2020:3503</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-27T14:56:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-06-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/752100-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:3503">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:3503</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-27T11:12:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2020:3503 Rechtbank Amsterdam , 30-06-2020 / 13/752100-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2020:3503:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vragen stellen over oplichtingshandelingen i.v.m. dubbele strafbaarheid. Detentieomstandigheden vormen geen beletsel voor overlevering. Geen algemeen risico voor geen eerlijk proces in Hongarije. Onvoldoende onderbouwt waarom persoonlijke omstandigheden zouden leiden tot geen eerlijk proces in Hongarije.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2020:3503:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/752100-19 (EAB I) </para>
      <para>RK nummer: 20/1750</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 30 juni 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 maart 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 22 mei 2019 door de<emphasis role="italic"> District Court of Sopron</emphasis> (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1973, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para> 	gedetineerd in het Justitieel Complex [locatie],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 juni 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.W. Verberkmoes, advocaat te Rotterdam, en door een tolk in de Hongaarse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vanwege de maatregelen die door de rechtbank zijn genomen in verband met de uitbraak van</para>
      <para>het coronavirus is de opgeëiste persoon via telehoren gehoord vanuit de Penitentiaire</para>
      <para>Inrichting.</para>
      <para>
        <?linebreak?>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de overleveringsdetentie niet geschorst. Zij verwijst daartoe naar de beslissing van het Gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:729) waarin is geoordeeld dat het mogelijk is om iemand langer dan de 90 dagentermijn gedetineerd te houden in geval van zeer groot vluchtgevaar dat niet tot adequate proporties kan worden teruggebracht door het stellen van schorsingsvoorwaarden. </para>
      <para>2. <emphasis role="bold">Identiteit van de opgeëiste persoon	</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">domestic arrest warrant </emphasis>uitgevaardigd door de <emphasis role="italic">Police Station </emphasis>van Sopron op 6 juni 2018 (referentienummer 08050/1596/2017) en op 14 mei 2019 goedgekeurd door de <emphasis role="italic">District Attorney's Office </emphasis>van Sopron (referentienummer B.1764/2017). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Hongaars recht strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van de overlevering voor de in het EAB genoemde feiten is van belang of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank moet daarom nagaan of de in het EAB genoemde feiten en omstandigheden, indien zij zouden hebben plaatsgevonden op het grondgebied van Nederland, strafrechtelijk zouden kunnen worden bestraft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB betreft zes feiten die naar Hongaars recht zijn aan te merken als een vorm van <emphasis role="italic">embezzlement</emphasis> (verduistering). De beschuldiging luidt telkens dat de opgeëiste persoon diensten en/of goederen heeft aangeboden, welke door de afnemers daarvan zijn aanbetaald, terwijl deze diensten of goederen nimmer zijn verricht of geleverd en de afnemers ook hun aanbetaling niet hebben teruggekregen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde omstandigheden niet zonder meer volgt dat deze feiten, indien zij zouden hebben plaatsgevonden in Nederland, strafrechtelijk zouden kunnen worden bestraft. Naar Nederlands recht is de enkele omstandigheid dat iemand zich voordoet als een bonafide partij bij een overeenkomst, die hij vervolgens niet (geheel) nakomt, onvoldoende om te spreken van oplichting of een ander strafbaar feit, zoals de in onderdeel e) van het EAB genoemde verduistering. Dit kan anders zijn in geval van specifieke gedragingen die erop zijn gericht bij de wederpartij een onjuiste voorstelling van zaken te laten ontstaan om daar misbruik van te maken. Ook andere bijkomende omstandigheden, zoals het aannemen van een valse naam of valse hoedanigheid, het gebruiken van listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels om een ander tot de afgifte van een goed te bewegen kunnen ertoe leiden dat sprake is van oplichting. Uit de feitsomschrijvingen in het EAB blijkt niet van dergelijke omstandigheden. Wellicht zijn die omstandigheden er wel. De rechtbank wenst graag te vernemen of de feitsomschrijving in het EAB op dit punt aanvulling behoeft. De rechtbank ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en aan de officier van justitie te verzoeken om deze vraag voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Detentieomstandigheden </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunten ter zitting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering van de opgeëiste persoon dient te worden geweigerd, omdat er sprake is van een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in Hongaarse detentie-instellingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden in Hongarije geen beletsel vormen voor overlevering. Ze heeft daarbij verwezen naar recente jurisprudentie van deze rechtbank. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat zij in haar uitspraak van 27 augustus 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:6354) heeft geoordeeld dat niet langer sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in Hongaarse detentie-instellingen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het <emphasis role="italic">European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment</emphasis> (CPT) heeft in het <emphasis role="italic">Report to the Hungarian Government on the visit to Hungary carried out by the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) from 20 to 29 November 2018 </emphasis>van 17 maart 2020 verslag gedaan van een onderzoek naar de detentieomstandigheden in Hongarije. In dat rapport is vastgesteld dat zich geen schendingen hebben voorgedaan van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Gelet op dit rapport, maar ook op de reactie daarop van de Hongaarse regering waarin wordt ingegaan op alle door de CPT geuite zorgen en aanbevelingen, kan niet de conclusie worden getrokken dat aan Hongarije overgeleverde personen in het algemeen een reëel gevaar van een onmenselijke of een vernederende behandeling lopen. Zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 20 mei 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:2673). Omstandigheden waarmee in het rapport geen rekening is gehouden zijn door de verdediging niet naar voren gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is dan ook van oordeel dat de detentieomstandigheden geen beletsel vormen voor overlevering. </para>
      <para>6. <emphasis role="bold">Artikel 47 Handvest </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunten ter zitting </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon na overlevering mogelijk geen eerlijk proces zal krijgen in Hongarije. De opgeëiste persoon is politiek activist. Hij is lid van oppositie partij [naam] en was in 2011 betrokken bij een twee weken durend conflict in het plaatsje Gyöngyöspata. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen algemeen gevaar is dat in Hongarije het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast. De opgeëiste persoon heeft onvoldoende onderbouwd dat hij politiek activist is en dat hij daarom een reëel gevaar loopt om geen eerlijk proces te krijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 17 oktober 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:7758), waarin zij heeft geoordeeld dat er sprake is van structurele en fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van Hongarije betreft, maar dat deze gebreken de rechterlijk instanties in Hongarije niet dusdanig in gevaar brengen, dat hierdoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nog daargelaten dat ten aanzien van Hongarije geen algemeen gevaar in de hiervoor bedoelde zin is vastgesteld, overweegt de rechtbank over de aangevoerde persoonlijke risicofactoren ten overvloede als volgt. De verdediging heeft ter onderbouwing van haar verweer onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om aan te kunnen nemen dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om te oordelen dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast. Ook de aard van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het EAB ten grondslag ligt, rechtvaardigen die conclusie niet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT en SCHORST </emphasis>het onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Is ten aanzien van de feiten waarop het EAB berust sprake van:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>specifieke gedragingen die erop zijn gericht bij de wederpartij een onjuiste voorstelling van zaken te laten ontstaan om daar misbruik van te maken, en/of</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>andere bijkomende omstandigheden, zoals het aannemen van een valse naam of valse hoedanigheid, het gebruiken van listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels die erop zijn gericht om een ander tot de afgifte van een goed te bewegen? </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van een tolk in de Hongaarse taal tegen voornoemd nader te bepalen datum en tijdstip. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. H.J. Fehmers,  				                         				voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.A.A.G. de Vries en E.G.M.M. van Gessel,                         			   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. S. Drent,		                         		   		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 30 juni 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>