<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2020:3409</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-16T11:35:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-07-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751200-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:3409">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:3409</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-16T11:34:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2020:3409 Rechtbank Amsterdam , 07-07-2020 / 13/751200-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2020:3409:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB Polen. Verweer artikel 12 OLW verworpen. Poolse rechtsstaat. Overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2020:3409:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751200-20</para>
      <para>RK nummer: 20/2397</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 7 juli 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 mei 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 10 februari 2020 door de <emphasis role="italic">Sąd Okręgowy w Szczecinie (Regional Court in Szczecin )</emphasis>, Polen, en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats detentie] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 juni 2020. Het verhoor heeft, via telehoren, plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door mr. J.J. Veldheer, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon 		</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">final and binding decision of the District Court Szczecin – Centre in Szczecin (Sądu Rejonowego Szczecin – Centrum w Szczecinie )</emphasis> van 16 maart 2018 (referentienummer: IV K 1348/17 ), onherroepelijk op 4 oktober 2018 .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en één maand. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zeven maanden en 21 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat de overlevering van de opgeëiste persoon dient te worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Uit het EAB blijkt dat er een procedure in hoger beroep heeft plaatsgevonden die de onherroepelijkheid van het vonnis met zich heeft meegebracht, waarmee definitief uitspraak is gedaan over de mate van schuld en de hoogte van de straf van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de behandeling in hoger beroep. De aanwezigheid van uitzonderingsgronden die voortvloeien uit artikel 12 OLW is niet aannemelijk geworden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de zaak dient te worden aangehouden om nadere informatie op te vragen bij de Poolse autoriteiten omtrent de procedure in hoger beroep. Niet alleen is dit relevant in het licht van artikel 12 OLW, maar ook in verband met de Poolse rechtsstaat en het grondrecht op een eerlijk proces. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft ter onderbouwing van zowel zijn primaire als zijn subsidiaire standpunt onder meer verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 27 mei 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:3014).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat. Nu in het EAB is beschreven dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard zonder dat het hof kennis heeft genomen van de inhoud van het dossier in de strafzaak, heeft er geen behandeling plaatsgevonden waarbij de vraag omtrent de mate van schuld of de hoogte van de straf van de opgeëiste persoon aan de orde is gekomen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat wanneer een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, de laatste van die beslissingen relevant is voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, lid 1, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem of haar een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017, C‑270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (<emphasis role="italic">Tupikas</emphasis>)).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op pagina 3 tot en met 4 van het EAB staat met betrekking tot het hoger beroep tegen het vonnis van de opgeëiste persoon met referentienummer IV K 1348/17 het volgende beschreven:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">By virtue of the decision of the 4th October 2018 the Regional Court in Szczecin (…) left the admitted appeal of the public prosecutor against the judgement of the District Court Szczecin (…) without cognizance, in consideration of the inadmissibility of the appeal by virtue of the law.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat <emphasis role="italic">the Regional Court in Szczecin</emphasis> op 4 oktober 2018 het hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, zonder van dit hoger beroep kennis te nemen (<emphasis role="italic">‘without cognizance’</emphasis>). Dit betekent dat uitsluitend de rechter in eerste aanleg heeft geoordeeld over de mate van schuld en de hoogte van de straf van de opgeëiste persoon in het vonnis met referentienummer IV K 1348/17 . De omstandigheid dat het EAB is uitgevaardigd door het <emphasis role="italic">Regional Court</emphasis> maakt dit niet anders. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dan ook, anders dan in de uitspraak waar de raadsman naar verwijst, niet van toepassing.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nu de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12 OLW, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende autoriteit. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank verwerpt het verweer.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien wordt voldaan aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">medeplegen van mishandeling.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest)</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar de uitspraak van 12 juni 2020<footnote-ref linkend="_b391b9cc-4f3c-469a-8ce0-ed95abfbe88b" /> is de rechtbank van oordeel dat het fundamentele recht op een eerlijk proces van de opgeëiste persoon dat voortvloeit uit artikel 47 van het Handvest ten tijde van zijn veroordeling op 16 maart 2018 niet in het gedrang is geweest. In voornoemde uitspraak van 12 juni 2020 is geoordeeld dat de recente ontwikkelingen in Polen niet maken dat niet langer van het beoordelingskader of de eerder getrokken conclusies uit de uitspraken van 16 januari 2020<footnote-ref linkend="_47682a13-5713-481b-9da6-cfd57e5cd8ce" /> kan worden uitgegaan. Het is daarom aan de opgeëiste persoon om aan te tonen dat er concrete aanwijzingen zijn dat zijn recht op een eerlijk proces in Polen is geschonden. Er zijn door of namens de opgeëiste persoon geen omstandigheden omtrent zijn persoonlijke situatie naar voren gebracht waaruit zou blijken dat zijn recht op een eerlijk proces destijds in het geding is geweest. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet hierop kan de rechtbank niet vaststellen dat er sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht is geschonden en dat als gevolg daarvan zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern is aangetast, nu noch zijn persoonlijke situatie, noch de aard van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld, noch de feitelijke context die aan het EAB ten grondslag ligt tot een dergelijke conclusie aanleiding geeft.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 47 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de <emphasis role="italic">Sąd Okręgowy w Szczecinie (Regional Court in Szczecin )</emphasis>, Polen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,					                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.A.A.G. de Vries en M.E.M. James-Pater,              		  		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack,		                             		    griffier,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_b391b9cc-4f3c-469a-8ce0-ed95abfbe88b" label="1">
    <para> Rechtbank Amsterdam 12 juni 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2936.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_47682a13-5713-481b-9da6-cfd57e5cd8ce" label="2">
    <para> Zie o.a. Rechtbank Amsterdam 16 januari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:184.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>