<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2020:1502</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T17:26:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-02-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">RK 19/5728 + 19/5729</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>O&amp;A 2020/40</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:1502">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:1502</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-11T15:36:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2020:1502 Rechtbank Amsterdam , 12-02-2020 / RK 19/5728 + 19/5729</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2020:1502:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>verzoeken ex artikel 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering, ondergane verzekering en inkomstenderving</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2020:1502:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="c4a9116e-c543-45b8-be4d-fbef6c05d9a8" depth="16" width="551" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beschikking</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Publiekrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Teams Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/075444-19</para>
      <para>RK: 19/5728 en 19/5729</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beschikking op de verzoeken ex artikel 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[verzoeker] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),</para>
      <para>	wonende op het adres [adres 1] , </para>
      <para>	woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, </para>
      <para>	mr. G. 	Palanciyan, </para>
      <para>	[adres 2] , </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>De procesgang</title>
    <para>Het verzoekschrift is op 18 oktober 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 30 januari 2020 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 12 februari 2020 verzoeker, zijn raadsman en de officier van justitie, mr. P. van Laere, in openbare raadkamer gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De inhoud van het verzoekschrift</title>
    <para>Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>€ 105,- voor de schade die verzoeker ten gevolge van ondergane verzekering stelt te hebben geleden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>€ 550,- aan omzetverlies vanwege twee gemiste diensten als Über chauffeur. Verzoeker heeft op 30 maart 2019 een bedrag van € 250,- aan gederfde omzet geleden en op 31 maart 2019 een bedrag van € 300,- aan omzetverlies; dit zijn schattingen. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een vergoeding van € 550,- voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>Verzoeker heeft uitdraaien bijgevoegd die zijn werkzaamheden onderbouwen bij Uber en zijn wekelijkse omzet. Ook heeft verzoeker in openbare raadkamer middels zijn mobiele telefoon aangetoond hoe veel ritten hij gemiddeld op de zaterdag en zondag maakt en wat zijn omzet op die dagen is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In raadkamer heeft de raadsman ter aanvulling op het verzoekschrift en naar aanleiding van het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Verzoeker werkt meestal op de zaterdag en zondag en heeft op 30 en 31 maart 2019 niet kunnen werken, omdat hij in verzekering was gesteld. Daardoor heeft verzoeker ongeveer € 550,- aan omzetverlies geleden. Omzetverlies is echter niet hetzelfde als gederfd inkomen. De raadsman heeft verzocht om € 275,- voor gederfde inkomsten toe te kennen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het standpunt van het Openbaar Ministerie</title>
    <para>De officier van justitie heeft – met verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich niet te verzetten tegen het toekennen van de standaardschadevergoeding voor 2 dagen inverzekeringstelling en de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie verzet zich wel tegen toekenning van de verzochte inkomstenderving. Misgelopen omzet is geen gederfde winst. Klager heeft deels bewijs aangeleverd. Op basis daarvan kan uitgegaan worden van een gemiddelde omzet van € 250,- per dag, waarvan € 125,- ongeveer aan inkomsten overblijft. Naast het forfaitaire bedrag, is er daarnaast ruimte voor € 50,- aan kosten per dag voor de gederfde inkomsten die toegekend kunnen worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para>Verzoeker is op 30 maart 2019 aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van mishandeling. Op 31 maart 2019 is verzoeker heengezonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker is op 17 juli 2019 door de politierechter van deze rechtbank vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien de zaak tegen een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of als wel een straf en/of maatregel is opgelegd, maar op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, kan de rechtbank op grond van artikel 533 Sv op verzoek van de gewezen verdachte, hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden en op grond van artikel 530 lid 2 Sv, aan hem, uit ’s Rijks kas een vergoeding toekennen voor de schade, die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 534 lid 1 Sv heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. De strafzaak tegen verzoeker is op 17 juli 2019 onherroepelijk geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Het verzoek is tijdig ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van het verzoek ex artikel 533 Sv </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ondergane verzekering</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen en rekening houdend met de levensomstandigheden van verzoeker, gronden van billijkheid aanwezig een schadevergoeding toe te kennen tot een bedrag van na te noemen hoogte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bepalen van het aantal dagen dat verzoeker gedurende zijn voorarrest in een politiecel en/of huis van bewaring heeft doorgebracht, wordt zowel de dag waarop de inverzekeringstelling is aangevangen als de dag van de invrijheidstelling naar de maatstaf van een volledige dag vergoed. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft in totaal twee dagen op een politiebureau doorgebracht. De rechtbank kent een standaardvergoeding toe van € 105,- per dag die op het politiebureau is doorgebracht en zal verzoeker een bedrag van € 210,- toekennen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inkomstenderving</emphasis>
      </para>
      <para>Ten aanzien van deze overige schade overweegt de rechtbank dat deze voldoende is onderbouwd. De rechtbank stelt dat de standaardvergoeding van € 105,- de materiele schade en immateriële schade dekken. Verzoeker heeft echter meer schade geleden. De rechtbank gaat uit van een gemiste omzet van € 250,- op 30 maart 2019 en op 31 maart 2019 van een gemiste omzet van € 300,-. Van de omzet per dag blijft ongeveer de helft over aan inkomsten voor verzoeker. De rechtbank gaat daarbij uit van € 125,- die verzoeker is misgelopen op 30 maart 2019 en € 150,- op 31 maart 2019. Van dit bedrag wordt schattenderwijs € 50,- al gedekt door de standaardvergoeding van € 105,- per dag. De rechtbank overweegt daarom dat verzoeker nog € 75,- voor 30 maart 2019 en € 100,- voor 31 maart 2019 krijgt om zijn verlies in netto inkomsten te dekken. In totaal komt dit neer op een bedrag van € 175,- voor de gederfde inkomsten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van het verzoek ex artikel 530 Sv</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank zal voor het opmaken, indienen en behandelen van het verzoekschrift de standaardvergoeding toekennen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van het verzoek ex artikel 533 Sv:</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 210,- (tweehonderdtien euro) voor de schade die verzoeker ten gevolge van ondergane verzekering heeft geleden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van </para>
      <para>€ 175 (honderdvijfenzeventig euro) voor gederfde inkomsten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van het verzoek ex artikel 530 Sv:</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 550,- (vijfhonderdvijftig euro) voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst het meer of anders verzochte af. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door</para>
      <para>mr. M.E. Leijten,	rechter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose,	griffier</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen deze beslissing staat voor verzoeker en de officier van justitie hoger beroep open,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">in te stellen ter griffie van deze rechtbank,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">binnen een maand na betekening van deze beschikking.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank Amsterdam, enkelvoudige kamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 935 (negenhonderdvijfendertig euro) op IBAN-nummer [IBAN-nummer] ten name van Stichting Derdengelden </para>
      <para>G. Palanciyan/Kupelian Advocaten onder vermelding van vergoeding 533 en 530 Sv- procedure inzake [verzoeker] parketnr. 13.075444-19.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan op 12 februari 2020</para>
      <para>door mr. M.E. Leijten rechter.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>