<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2020:1257</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-25T09:43:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-02-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS - 19 _ 5019</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:1257">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:1257</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-25T09:40:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2020:1257 Rechtbank Amsterdam , 28-02-2020 / AMS - 19 _ 5019</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2020:1257:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing urgentie, geen urgent huisvestingsprobleem ten tijde van bob. Situatie in crisisopvang kan worden beoordeeld in een nieuwe aanvraag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2020:1257:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 19/5019 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2020 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te Amsterdam, eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Karami), </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J. van den Boorn).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 17 mei 2019 heeft het college de aanvraag van [eiser] om een urgentieverklaring afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 22 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 12 februari 2020. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook waren [eiser] [de persoon 1] en hun twee kinderen aanwezig. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>
          [eiser] woonde tot 30 september 2019 met zijn vrouw en kinderen van vijf en drie jaar oud in bij zijn familielid [de persoon 2] . Op 6 februari 2019 heeft [eiser] een urgentieverklaring aangevraagd, omdat het inwonen van [eiser] gezin te druk is voor [de persoon 2] . </para>
        <para>
          <?linebreak?>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het college heeft op 10 mei 2019 een onaangekondigd huisbezoek aan de woning gebracht. Bij het huisbezoek zijn geen aanwijzingen gevonden dat [de persoon 2] hoofdverblijf in de woning had. Er zijn behalve één overhemd geen persoonlijke bezittingen van hem aangetroffen. </para>
        <para>
          <?linebreak?>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het college heeft de aanvraag afgewezen en de afwijzing, met verbetering van de motivering, in bezwaar gehandhaafd. Volgens het college staat niet vast dat [eiser] de woning op korte termijn moet verlaten. Er is dus geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem.<footnote-ref linkend="_2a5c2bbf-b3a1-4999-9487-063391d45993" /> Er is volgens het college sprake van onderhuur.<footnote-ref linkend="_3c020666-7688-46f4-824e-ccf1f12dfeb9" /> Verder heeft [eiser] zijn gezin gesticht terwijl hij geen woning had die daarvoor geschikt is. [eiser] had het huisvestingsprobleem volgens het college dus kunnen voorkomen.<footnote-ref linkend="_7325b4a3-a478-4d1c-b618-a6ffc93c51b5" /></para>
        <para>
          <?linebreak?>
        </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para>4. [eiser] voert in beroep aan dat hij dakloos is. Hij heeft meermalen bij het college aangegeven dat [de persoon 2] hem en zijn kinderen op straat zou zetten. Nu heeft deze hem en zijn gezin op 30 september 2019 uit de woning gezet. [de persoon 2] heeft hoofdverblijf in de woning. [eiser] heeft vijf dagen in een hotel verbleven en verblijft nu met zijn gezin in de crisisopvang. Daar kan hij drie maanden blijven met een verlenging van maximaal drie maanden. Een en ander is onderbouwd door een verklaring van [de persoon 3] 27 september 2019, een boekingsbewijs van het hotel en stukken van de gemeente over de crisisopvang. Daarnaast betwist [eiser] dat hij een gezin heeft gesticht terwijl hij geen woning had die daarvoor geschikt is. Hij kon immers bij [de persoon 2] verblijven. </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Beoordeling door de rechtbank </emphasis>
    </para>
    <para>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para>6. De woonsituatie van [eiser] en zijn gezin is nu anders dan op het moment waarop het college het bestreden besluit nam. De rechtbank kan dit echter niet meenemen in de beoordeling. De rechtbank moet [eiser] woonsituatie beoordelen op het moment van het bestreden besluit. De vraag is of op dat moment duidelijk was dat [eiser] met zijn gezin dakloos was of op korte termijn dakloos zou worden. </para>
    <para>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para>7. Uit het dossier blijkt niet dat dit zo was. In het dossier zit een telefoonnotitie uit 2016, waarin staat dat [eiser] over een urgentie heeft gebeld omdat hij met zijn gezin inwonend is in een tweekamerwoning. Bij de screening voor de aanvraag heeft [eiser] verteld hoe de woonsituatie is. [eiser] heeft gezegd dat [de persoon 2] graag zou zien dat het gezin een eigen woning vindt. In bezwaar heeft [eiser] aangegeven dat het gezien de gezondheidssituatie van [de persoon 2] niet meer mogelijk is dat hij met zijn gezin bij hem blijft wonen en dat zij uit de woning moeten vertrekken. Uit het dossier wordt de rechtbank duidelijk dat de situatie slecht is, maar niet dat [eiser] met zijn gezin daadwerkelijk zeer binnenkort dakloos zou worden. Dit is pas na het instellen van beroep gebeurd. Het college kon hier dus in het bestreden besluit geen rekening mee houden. </para>
    <para />
    <para>8. De gemachtigde van het college heeft op de zitting toegezegd dat als [eiser] een nieuwe aanvraag doet, deze snel zal worden behandeld. [eiser] maakt op dit moment een betere kans dan op het moment van de eerdere aanvraag. Daarover gaat dit beroep bij de rechtbank echter niet.</para>
    <para>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para>9. Het college heeft in het bestreden besluit mogen vaststellen dat er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem en de aanvraag op die grond af kunnen wijzen. </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Conclusie </emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para>10. Het beroep is ongegrond. Voor vergoeding van het griffierecht of veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding. </para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Beslissing</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. F.L. Bolkestein, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier </para>
      <para>rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
      <para>Als uw zaak spoedeisend is, kunt u de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter vragen om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_2a5c2bbf-b3a1-4999-9487-063391d45993" label="1">
    <para> Algemene weigeringsgrond in artikel 2.6.5, lid 1, onder b, van de Huisvestingsverordening 2016. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3c020666-7688-46f4-824e-ccf1f12dfeb9" label="2">
    <para> Paragraaf 3, onder b, punt 10, van Beleidsregel 5. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7325b4a3-a478-4d1c-b618-a6ffc93c51b5" label="3">
    <para> Algemene weigeringsgrond in artikel 2.6.5, lid 1, onder c, van de Huisvestingsverordening 2016 en paragraaf 3, onder c, punt 2, van Beleidsregel 5.  </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>