<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2020:1210</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-02T13:03:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-02-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751817-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:1210">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:1210</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-02T13:03:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2020:1210 Rechtbank Amsterdam , 25-02-2020 / 13/751817-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2020:1210:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB uit Polen. Tussenuitspraak om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen te reageren op het vertaalde stuk dat na de sluiting van het onderzoek is ingebracht en hierover navraag te doen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2020:1210:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751817-19</para>
      <para>RK nummer: 19/5331</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 25 februari 2020 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 september 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 24 november 2014 door <emphasis role="italic">the Regional Court of Law (Sąd Okręgowy) in Częstochowa </emphasis>(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>
        [adres] , [plaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 februari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
      <para>
        <?linebreak?>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">enforceable judgement of the District Court of Law (Sąd Rejonowy) in Częstochowa</emphasis> van 25 april 2007 (III K 482/05).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman betoogt dat de straf voorwaardelijk is opgelegd en dat deze straf nog niet is omgezet. Dit blijkt uit de niet-vertaalde Poolse stukken en de verklaring van de opgeëiste persoon zoals hij die daags (in de namiddag) voor de zitting nog heeft overgelegd. Het is volgens de raadsman onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie de stukken niet heeft willen vertalen noch vragen hierover heeft willen stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om hierover duidelijkheid te verkrijgen. De raadsman wijst hiertoe naar de uitspraak van 26 maart 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:3161) en verzoekt de rechtbank de hierin genoemde vragen ook in deze zaak te stellen. Een voorwaardelijke straf kan namelijk niet leiden tot overlevering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet van belang is of er eerst een voorwaardelijke straf is opgelegd en dat dit niet in het EAB is opgenomen en wijst hiertoe naar de uitspraak van 2 april 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:2416). Daarbij merkt de officier van justitie op dat de door de raadsman aangehaalde zaak een andere casus betreft, de vragen met een ander doel zijn gesteld en niet allemaal van toepassing zijn op deze zaak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van 2 april 2019 en ziet derhalve geen aanleiding om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Medeplegen van mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Heropening van het onderzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft in de namiddag voor de zitting de rechtbank en officier van justitie foto’s van een zestal, niet-vertaalde Poolse stukken doen toekomen. Ter zitting heeft de raadsman betoogd dat uit deze niet-vertaalde stukken zou blijken dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van één jaar is opgeschort. Op 17 februari 2020 heeft de raadsman via e-mail de rechtbank en de officier van justitie een Nederlandse vertaling van één van de stukken doen toekomen. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van deze vertaling is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. Het stuk betreft blijkens de vertaling een beslissing van 28 oktober 2019 inhoudende dat de tenuitvoerlegging van de in het EAB genoemde gevangenisstraf van één jaar is opgeschort. </para>
      <para>Gelet op de inhoud van het vertaalde stuk heropent  de rechtbank het onderzoek om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen op de inhoud van het stuk te reageren en navraag te doen bij de Poolse uitvaardigende autoriteit over de betekenis van de overgelegde stukken, namelijk over de daaruit op te maken opschorting van de tenuitvoerlegging van de in het EAB genoemde gevangenisstraf van één jaar. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank merkt op dat zij het betreurt dat de raadsman en de opgeëiste persoon de foto’s van de stukken van oktober 2019 eerst pas de namiddag voor de zitting aan de rechtbank hebben doen toekomen en dat deze toen niet vertaald waren naar een in de overleveringsprocedure geldende procestaal, alsmede dat een vertaling van één van de stukken pas ruim na sluiting van het onderzoek aan de rechtbank is verzonden. Daarbij merkt de rechtbank op dat het aan de verdediging is om er voor zorg te dragen dat de stukken die zij wil inbrengen in de geldende procestaal zijn vertaald. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens valt het de rechtbank op dat de beslissing inzake de opschorting, die van 28 oktober 2019 dateert, ruim drie maanden later pas is ingebracht, te meer nu de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon al sinds 11 september 2019 is geschorst. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>en<emphasis role="bold"> SCHORST </emphasis>het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen te reageren op het vertaalde stuk en navraag te doen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit over de gestelde opschorting van de tenuitvoerlegging van de in het EAB genoemde gevangenisstraf van één jaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.G. Vegter en J.H. Beestman,          				   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek,		                        		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 25 februari 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>