<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2020:1144</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-28T11:41:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-02-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 18 _ 6831</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:1144">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:1144</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-22T12:01:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2020:1144 Rechtbank Amsterdam , 24-02-2020 / AWB - 18 _ 6831</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2020:1144:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij de gemeente Amsterdam heeft in 2015 een algehele reorganisatie plaatsgevonden. Als onderdeel van deze reorganisatie is in 2015 de [afdeling] opgericht. In 2017 heeft het college besloten [afdeling] te reorganiseren. Eiser is daardoor met ingang van 1 mei 2018 in de [functie 1] geplaatst. In geschil is of het college eiser terecht in de [functie 1] heeft geplaatst. Specifiek is hierbij de vraag of eiser niet in de [functie 2] had moeten worden geplaatst.</para>
      <para />
      <para>De rechtbank is allereerst van oordeel dat het college uit mocht gaan van de peildatum 1 januari 2017, hetgeen tot gevolg heeft dat de werkzaamheden die eiser ná 1 januari 2017 heeft verricht niet door het college kunnen worden betrokken bij het vaststellen van het Functie Informatie Formulier (hierna: FIF). Verder is de rechtbank van oordeel dat de door eiser verrichtte werkzaamheden in de gedetacheerde periode 1 juni 2016 tot 1 mei 2018 niet door het college hoefden te worden betrokken bij het vaststellen van het FIF. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser op basis van het FIF door het college in de [functie 1] mocht worden geplaatst.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2020:1144:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 18/6831 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de meervoudige kamer van 24 februari 2020 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te Amsterdam, eiser (hierna: [eiser] )</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Degelink),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam, Directie Juridische Zaken, </emphasis>verweerder (hierna: het college)</para>
      <para>(gemachtigde: mr. T. Jaspers).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 23 april 2018 (het primaire besluit 1) heeft het college het verzoek om [eiser] over te nemen als [functie 2] afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 24 april 2018 (het primaire besluit 2) heeft het college aan de functie van [eiser] de status van functiecategorie 1 toegekend en is [eiser] met ingang van 1 mei 2018 geplaatst als [functie 1] , met werktitel [functie 3] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 april 2018 (het primaire besluit 3) heeft het college de interne tewerkstelling/detachering bij het team [afdeling 1] met ingang van </para>
      <para>1 mei 2018 beëindigd en de waarnemingstoelage van [eiser] met ingang van die datum stopgezet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 10 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van [eiser] tegen de primaire besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2019. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [de persoon 1] , [functie 4] , en [de persoon 2] , [functie 5] . </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat aan deze procedure voorafging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij de gemeente Amsterdam heeft in 2015 een algehele reorganisatie plaatsgevonden. Als onderdeel van deze reorganisatie is in 2015 de [afdeling 2] opgericht. Alle medewerkers met [werkzaamheden] uit diverse gemeentelijke organisatieonderdelen zijn destijds bij elkaar geplaatst binnen de [afdeling 2] . Hierbij heeft geen harmonisatie van functies plaatsgevonden, waardoor er een veelheid aan verschillende functies, met verschillende schaalniveaus, bij elkaar zijn gebracht in één rve. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In de periode 1 juni 2016 tot 1 mei 2018 is [eiser] gedetacheerd geweest bij de afdeling [afdeling 1] als [functie 2] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 11 april 2017 heeft het college een voorgenomen besluit genomen inzake de reorganisatie van de [afdeling 2] . Na raadpleging van de Ondernemingsraad (OR) voor advies, is uiteindelijk op 10 oktober 2017 het definitieve besluit inzake de reorganisatie genomen en het plaatsingsproces gestart. Om een goede functievergelijking te kunnen maken is begin 2017 door het management een Functie Informatie Formulier (hierna: FIF) voor alle medewerkers opgesteld. Daarin is vermeld welk takenpakket de medewerker op of rond </para>
        <para>1 januari 2017 daadwerkelijk vervulde. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Een categoriseringscommissie heeft vervolgens de huidige functies/takenpakketten van de medewerkers, zoals deze zijn vastgelegd in de FIF’s, vergeleken met en getoetst aan de nieuwe functies van de [afdeling 2] en vastgelegd in het nieuwe functieboek dat op 2 maart 2017 is vastgesteld. Op basis hiervan zijn aan alle functies categorieën toegewezen conform de artikelen uit de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (hierna: NRGA). Het resultaat van deze vergelijking is door het college vastgelegd in de was/wordt‑lijst.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Op 1 juli 2017 is de detacheringsovereenkomst van [eiser] bij het team [afdeling 1] met terugwerkende kracht verlengd tot en met 1 juli 2018. Daarnaast volgt uit de detacheringsovereenkomst dat [eiser] de waarnemingstoelage in de periode van 1 januari 2017 tot 1 juli 2018 behoudt. Bij brief van 1 augustus 2017 is aan [eiser] kenbaar gemaakt dat hij in de periode van 1 juli 2017 tot 1 juli 2018 een waarnemingstoelage ter hoogte van € 354,- bruto ontvangt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Het college heeft vervolgens op 10 oktober 2017 een definitief besluit genomen tot reorganisatie van [afdeling 2] met ingang van 1 mei 2018. Op dat moment was [eiser] werkzaam in de functie van [functie 1] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>Aan [eiser] is op 30 oktober 2017 het voornemen geuit aan zijn functie functiecategorie 1 toe te kennen en hem per 1 mei 2018 vooralsnog niet te plaatsen op een functie binnen [afdeling 2] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft op 12 november 2017 zijn zienswijze ingediend tegen het voorgenomen besluit van 30 oktober 2017. Dit is voorgelegd aan de zienswijzecommissie, die het college geadviseerd heeft om nader onderzoek te doen naar de feitelijke werkzaamheden van [eiser] en het voorgenomen besluit te heroverwegen. Het college heeft het FIF onderzocht en vervolgens geconcludeerd dat het FIF overeenkomt met de in het PVB-formulier van 2016 opgenomen werkzaamheden. Ook heeft het college overwogen dat een detachering per definitie van tijdelijke aard is en derhalve niet meegenomen wordt in het FIF. Het college heeft het FIF niet aangepast en het voorgenomen besluit gehandhaafd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.9.</nr>
      <para>Omdat [eiser] niet direct kon worden geplaatst, is hij in de gelegenheid gesteld tijdens de eerste belangstellingsronde, die liep van 21 december 2017 tot en met 10 januari 2018, zijn belangstelling te tonen voor de nog openstaande functies. [eiser] heeft hier geen gebruik van gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.10.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft op 6 april 2018 een nieuw - herzien - voorgenomen besluit gekregen, waarin het voornemen kenbaar is gemaakt de status functiecategorie 1 aan de toenmalige functie toe te kennen en [eiser] met ingang van 1 mei 2018 te plaatsen in de functie van [functie 1] , met de werktitel [functie 3] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.11.</nr>
      <para>Bij brief van 17 april 2018 heeft [eiser] verzocht om hem definitief te plaatsen in de functie [functie 2] , bij de afdeling [afdeling 1] , waar hij op dat moment was gedetacheerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.12.</nr>
      <para>Vervolgens zijn de primaire besluiten 1, 2 en 3 genomen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van [eiser]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt zich op het standpunt dat het college van een verkeerde peildatum is uitgegaan. Volgens [eiser] dient, gelet op het Reorganisatieplan, van de peildatum 1 januari 2018 te worden uitgegaan. Op de peildatum van 1 januari 2018 was [eiser] al anderhalf jaar, namelijk sinds 1 juni 2016, werkzaam als [functie 1] en voldoet hij aan de definitie dat zijn werkzaamheden een zekere bestendigheid en een structureel karakter hebben. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Verder stelt [eiser] dat uit de interne regels van de gemeente Amsterdam volgt dat indien tijdelijke inzet buiten het eigen organisatieonderdeel langer dan een jaar duurt de medewerker formeel overgaat naar de nieuwe organisatie. [eiser] stelt dat hij ervan mag uitgaan dat hier sprake is van een beleidsregel, gelet op de wijze waarop het voor de leidinggevende bedoelde “Vraag en antwoord tijdelijke inzet” op het intranet is gezet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het wettelijk kader</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Voor het gehanteerde juridisch kader verwijst de rechtbank naar de bijlage die aan deze uitspraak is gehecht. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. In geschil is of het college [eiser] terecht in de functie [functie 1] heeft geplaatst. Specifiek is hierbij de vraag of [eiser] niet in de functie [functie 2] had moeten worden geplaatst.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De peildatum</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Wat betreft de door het college gehanteerde peildatum van 1 januari 2017, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat een andere peildatum niet mogelijk is, aangezien het reorganisatietraject begin 2017 al volop in gang was gezet en de was/wordt-lijst zelfs al definitief was vastgesteld. Het is volgens het college derhalve praktisch onmogelijk om een latere peildatum aan te houden dan 1 januari 2017, omdat men niet een FIF of een was/wordt-lijst kan opstellen die is gebaseerd op de vraag welke werkzaamheden de medewerker mogelijk in de toekomst structureel zal gaan verrichten. Daarbij heeft het college ook opgemerkt dat juist werd beoogd dat de reorganisatie op 1 januari 2018 zou zijn afgerond en dat de nieuwe organisatie op dat moment van start zou gaan. Voor zover [eiser] heeft gesteld dat 1 januari 2018 als peildatum moet worden gehanteerd omdat dit uit het Reorganisatieplan blijkt, heeft het college ter zitting gesteld dat dit een (eenmalige) en niet eerder opgemerkte schrijf/tikfout in het reorganisatieplan betreft.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat het college uit mocht gaan van de peildatum 1 januari 2017. Het college heeft naar de medewerkers toe op verschillende momenten steeds de peildatum 1 januari 2017 gecommuniceerd. Dit blijkt onder andere uit de door het college overgelegde informatie van [de persoon 3] van 17 januari 2018, waarin ook wordt gesproken over de peildatum van 1 januari 2017. De FIF’s zijn begin 2017 opgesteld. Op basis daarvan is in april 2017 de was/wordt-lijst opgesteld. Ook blijkt uit het reorganisatieplan dat de personele situatie tussen 1 januari 2017 en 1 januari 2018 is ‘bevroren’, hetgeen betekent dat geen wijzigingen in functies meer plaatsvonden. Het is praktisch onmogelijk om van het college te verlangen een FIF of een was/wordt-lijst op te stellen die is gebaseerd op de vraag welke werkzaamheden de medewerker mogelijk in de toekomst structureel zal gaan verrichten. Een peildatum later dan 1 januari 2017 is dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet mogelijk. Het standpunt van [eiser] dat 1 januari 2018 als peildatum moet worden gehanteerd, is enkel gebaseerd op de letterlijke bewoordingen van het reorganisatieplan. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om uit te gaan van de peildatum 1 januari 2018, temeer nu er genoeg aanwijzingen zijn dat het college heeft beoogd als peildatum 1 januari 2017 te hanteren en de reorganisatie per 1 januari 2018 af te ronden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De detacheringswerkzaamheden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat in het functiesysteem zoals dat door het college wordt gehanteerd, niet de feitelijk verrichte werkzaamheden centraal staan, maar de taken die formeel zijn opgedragen. Dat betekent dat feitelijk verrichte werkzaamheden alleen in ogenschouw worden genomen indien die werkzaamheden ook passen bij de aan de betrokken ambtenaar opgedragen taken. Indien sprake was van wel feitelijk verrichte, maar niet binnen het samenstel van taken passende werkzaamheden, behoeft het college daarmee dus geen rekening te houden. Binnen het door het college gehanteerde systeem gaat het bovendien om werkzaamheden die niet incidenteel, maar structureel (dat wil zeggen gedurende ten minste één jaar) worden verricht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Volgens vaste rechtspraak<footnote-ref linkend="_22d1736a-1a5f-4f34-a270-273959488307" /> van de Centrale Raad van Beroep wordt bij een detachering bij een ander stadsdeel geen wijziging gebracht in de functie waarin iemand formeel is aangesteld. Aan een detachering kan dus geen rechtens te honoreren verwachting worden ontleend op een plaatsing in de gedetacheerde functie. De detachering van [eiser] in de periode 1 juni 2016 tot 1 mei 2018 brengt geen wijziging mee in de functie waarin hij formeel was aangesteld. Dit betekent dat de door [eiser] verrichte werkzaamheden in de gedetacheerde periode 1 juni 2016 tot 1 mei 2018 niet door het college hoefden te worden betrokken bij het vaststellen van het FIF. Hierbij is de vraag of [eiser] de werkzaamheden gedurende de detachering structureel (dat wil zeggen gedurende ten minste één jaar) heeft verricht niet relevant, nu werkzaamheden die in het kader van een detachering worden verricht per definitie tijdelijk van aard zijn. Deze werkzaamheden kunnen, binnen het door het college gehanteerde systeem, naar zijn aard dus geen structureel karakter hebben. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het FIF</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>7.	Hetgeen is overwogen onder 6.1 tot en met 7.2 leidt ertoe dat de door [eiser] verrichtte werkzaamheden volledig door het college in het FIF zijn opgenomen. Dit is, nu de peildatum 1 januari 2017 betreft, naar de rechtbank begrijpt ook niet in geschil. De rechtbank stelt verder vast dat [eiser] niet heeft aangevoerd dat hij op basis van de in het FIF vastgelegde werkzaamheden in een onjuiste functie is geplaatst. Dit betekent dat het college [eiser] op basis van het FIF in de functie van [functie 1] heeft mogen plaatsen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De interne beleidsregels </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat op basis van de interne beleidsregels een persoon na een detachering van één jaar wordt aangesteld bij één van de reorganiserende onderdelen. Dit betekent voor [eiser] dat hij op grond van de interne beleidsregels geplaatst had moeten worden in de functie van [functie 2] , aldus [eiser] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De interne beleidsregels in de situatie van [eiser] hebben geen voorrang op een door het college vastgesteld reorganisatieplan waarin duidelijk is opgenomen dat de personele situatie tussen 1 januari 2017 en 1 januari 2018 zoveel als mogelijk wordt ‘bevroren’ en derhalve geen overplaatsingen en bevorderingen plaatsvinden. Daarnaast blijkt uit de aanvullende afspraken in de detacheringsovereenkomst van 1 juli 2017 onder andere dat de reorganisatiewijziging invloed heeft op de lengte van de detachering. Afgesproken is dat de detachering wordt verlengd tot het - op dat moment verwachte - reorganisatiemoment van </para>
        <para>1 juli 2018. Volgens de rechtbank kan hieruit worden opgemaakt dat het college steeds de intentie had om bij de duur van de detachering van [eiser] rekening te houden met de op handen zijnde reorganisatie en [eiser] in overeenstemming met het reorganisatieplan niet over te plaatsen. Het voorgaande betekent dat de interne beleidsregels naar het oordeel van de rechtbank geen voorrang genieten boven het reorganisatieplan en de detacheringsovereenkomst en dat [eiser] dus niet op grond van de interne beleidsregels in de functie van [functie 2] had moeten worden geplaatst. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft het college [eiser] terecht met ingang van 1 mei 2018 in de functie van [functie 1] geplaatst en terecht de detachering per 1 mei 2018 beëindigd en zijn waarnemingstoelage met ingang van diezelfde datum stopgezet. </para>
      <para />
      <para>10. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>11. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, voorzitter, mr. S.E. Reichert en mr. R. Hirzalla, leden, in aanwezigheid van mr. L.H.J. van Haarlem, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier </para>
      <para>voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. </para>
      <para>Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bijlage: Wettelijk kader</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 16.9 van de NRGA is bepaald dat plaatsing het proces is waarbij ambtenaren die betrokken zijn bij een reorganisatie een functie krijgen toegewezen in de categorieën 0, 1 of 2 zoals bepaald in artikel 16.18.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 16.18 van de NRGA is het volgende bepaald:</para>
      <para>“Indeling van huidige functies of takenpakketten in vergelijking met de nieuwe functies in de nieuwe organisatie. Er zijn de volgende categorieën:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Categorie 0: sleutelfuncties</title>
    <para>Dit zijn functies die cruciaal zijn voor het slagen van de reorganisatie. Indien gewenst kan in het plaatsingsproces prioriteit worden gegeven aan de plaatsing op aangewezen sleutelfuncties. Deze functionarissen kunnen dan vervolgens betrokken worden bij het plaatsingsproces van de volgende laag. De criteria voor geschiktheid voor een functie worden vastgelegd in een functieprofiel. Hierin worden de vereiste kennis, ervaring en vaardigheden vermeld waaraan de kandidaten moeten voldoen. Plaatsing in deze functie gebeurt op basis van geschiktheid. De plaatsingsprocedure zoals opgenomen in artikel 16.28 is voor deze functies van toepassing.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Categorie 1: ongewijzigde en licht gewijzigde functies</title>
    <para>Dit zijn functies die voor wat betreft de inhoud niet of beperkt wijzigen en waaraan beperkte eisen ten aanzien van de competenties kunnen zijn toegevoegd. De enkele verandering van de functiebenaming is niet van invloed. Deze ambtenaren worden één op één geplaatst. Indien er niettemin sprake is van boventalligheid (er zijn meer ambtenaren dan formatieplaatsen) dan is de plaatsing zoals opgenomen in artikel 16.27 van toepassing (afspiegeling in combinatie met anciënniteit).</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Categorie 2: sterk gewijzigde en nieuwe functies</title>
    <para>Dit zijn functies die voor wat betreft de inhoud van de functie, de vereiste competenties of de positie of ophanging binnen de organisatie, wezenlijk wijzigen en nieuwe functies.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een verandering in de functiebenaming is niet relevant. De criteria voor geschiktheid voor een functie worden vastgelegd in een functieprofiel. Hierin worden de vereiste kennis, ervaring en vaardigheden vermeld waaraan de kandidaten moeten voldoen. Plaatsing in deze functie gebeurt op basis van geschiktheid. De plaatsingsprocedure zoals opgenomen in artikel 16.28 is voor deze functies van toepassing.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 16.26 van de NRGA is bepaald dat op basis van een vergelijking van de huidige functie in de oude organisatie en de functie in de nieuwe organisatie wordt bepaald in welke categorie de oude (huidige) functie wordt ingedeeld. Bij de huidige functie wordt gekeken naar de feitelijke situatie: met welke werkzaamheden is betrokkene belast en verricht hij daadwerkelijk. De categorie-indeling is de uitkomst van de vergelijking van de huidige en de nieuwe functie (was-wordt lijst).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_22d1736a-1a5f-4f34-a270-273959488307" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3513.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>