<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2020:1129</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T17:30:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-02-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751464-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBAMS:2019:6259" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBAMS:2019:6259</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJFS 2020/229</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:1129">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:1129</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-28T08:39:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2020:1129 Rechtbank Amsterdam , 13-02-2020 / 13/751464-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2020:1129:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Zweden - ter vervolging - bevoegde uitvaardigende autoriteit</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2020:1129:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751464-19</para>
      <para>RK nummer: 19/3355</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 13 februari 2020 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 29 mei 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 27 mei 2019 door <emphasis role="italic">the Swedish Prosecution Authority, Unit against Organised Crime </emphasis>(Zweden) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ( [alias opgeëiste persoon] )</emphasis>
        <?linebreak?>geboren te [geboorteplaats] (Nigeria) op [geboortedatum 1] dan wel op [alias geboortedatum 2] ,</para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland</para>
      <para>thans gedetineerd [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <parablock>
        <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 juli 2019. Het verhoor heeft</para>
        <para>plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. U.E.A. Weitzel. <?linebreak?>De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Engelse taal.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft op 16 juli 2019 de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22,</para>
        <para>eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <parablock>
        <para>Bij tussenuitspraak van 25 juli 2019 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en </para>
        <para>meteen geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende autoriteit nadere vragen te stellen, naar aanleiding van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 mei 2019 in de zaken OG en PI (C-508/18 enC-82/19 PPU), ECLI:EU:C:2019:456 en PF (C-509/18), ECLI:EU:C:2019:457.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <parablock>
        <para>Op de openbare zitting van 8 augustus 2019 heeft de rechtbank, met toestemming van de </para>
        <para>      officieren van justitie, mr. N.R. Bakkenes en K. van der Schaft, en de opgeëiste persoon en </para>
        <para>      zijn raadsman, mr. B.W. Newitt, kantoorgenoot van mr. Bektesevic, het onderzoek hervat in </para>
        <para>de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing op de zitting van 25 juli 2019. </para>
        <para>Het onderzoek ter zitting is onderbroken voor onbepaalde tijd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 22 augustus 2019 gesloten en meteen een   </para>
        <para>      tussenuitspraak gedaan waarin een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de     </para>
        <para>      Europese Unie is gesteld over het stelsel van de uitvaardiging van het EAB door een officier   </para>
        <para>      van justitie in Zweden (ECLI:NL:RBAMS:2019:6259).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <parablock>
        <para>Op 12 december 2019 is uitspraak gedaan door het Hof van Justitie van de Europese Unie </para>
        <para>      in deze zaak, XD (C-625/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:1078), waarbij antwoord is gegeven op    </para>
        <para>      de door de rechtbank gestelde vraag.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7</nr>
      <parablock>
        <para>Op de openbare zitting van 30 januari 2020 heeft de rechtbank, met toestemming van de </para>
        <para>      officier van justitie N.R. Bakkenes en de opgeëiste persoon, het onderzoek hervat in de stand   </para>
        <para>      waarin het zich bevond ten tijde van de onderbreking op de zitting van 22 augustus 2019. </para>
        <para>      De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D. Bektesevic, advocaat te </para>
        <para>      Amsterdam, en door een tolk in Pidgin Engels.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW </para>
        <para>      uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft </para>
        <para>      om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia - met uitzondering van de alias - juist zijn en dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">arrest warrant of the District Court of Gothenburg on 27 May 2019, </emphasis>gewezen in de zaak met nummer B. 13393-18.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Zweeds recht strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Zweeds recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Bevoegdheid tot uitvaardiging van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de tussenuitspraak van 22 augustus 2019 heeft de rechtbank de volgende vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voorgelegd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Kan een officier van justitie die deelneemt aan de rechtsbedeling in de uitvaardigende lidstaat, die in de uitoefening van zijn met de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel inherent verbonden taken op onafhankelijke wijze optreedt en die een EAB heeft uitgevaardigd als een uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ worden aangemerkt, indien een rechter in de uitvaardigende lidstaat de voorwaarden voor het uitvaardigen van een EAB en, met name, de evenredigheid daarvan heeft beoordeeld voorafgaand aan de daadwerkelijke beslissing van die officier van justitie om het EAB uit te vaardigen?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij arrest van Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 12 december 2019 in de zaak C-625/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:1078) is hieromtrent onder meer het volgende overwogen: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>     (…)</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="italic">29      In casu lijkt de verwijzende rechter met zijn prejudiciële vraag ervan uit te gaan dat de hoedanigheid van uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 met name afhangt van het bestaan van rechterlijke toetsing van de beslissing tot uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel.</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">30      Het bestaan van rechterlijke toetsing van de door een andere autoriteit dan een rechterlijke instantie genomen beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, vormt evenwel geen voorwaarde om die autoriteit als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 te kunnen aanmerken. Een dergelijk vereiste behoort niet tot de statutaire en organisatorische voorschriften van die autoriteit maar betreft de procedure voor het uitvaardigen van een dergelijk bevel (arrest van heden, JR en YC, C‑566/19 PPU en C‑626/19 PPU, punt 48).</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">31      Voor deze uitlegging is steun te vinden in het arrest van 27 mei 2019, PF (Procureur-generaal van Litouwen) (C‑509/18, EU:C:2019:457), waarin het Hof heeft geoordeeld dat de procureur-generaal van een lidstaat die, terwijl hij structureel onafhankelijk is van de rechterlijke macht, bevoegd is voor de strafrechtelijke vervolging en wiens status in deze lidstaat zijn onafhankelijkheid waarborgt ten opzichte van de uitvoerende macht in het kader van de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel moet worden aangemerkt als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van kaderbesluit 2002/584, en het aan de verwijzende rechter heeft overgelaten om voorts na te gaan of de beslissingen van die procureur het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de door een effectieve rechterlijke bescherming gestelde eisen.</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">32      In die omstandigheden dient te worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vraag in essentie wenst te vernemen of kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging wordt toegekend aan een autoriteit die weliswaar deelneemt aan de rechtspleging van die lidstaat, maar zelf geen rechterlijke instantie is, aan de uit een effectieve rechterlijke bescherming voortvloeiende vereisten is voldaan indien een rechter de voorwaarden voor het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel en met name de evenredigheid daarvan, heeft beoordeeld voorafgaand aan de daadwerkelijke beslissing van die autoriteit om het bevel uit te vaardigen.</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="italic">41      Wanneer het recht van een uitvaardigende lidstaat de bevoegdheid om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, toekent aan een autoriteit die weliswaar aan de rechtsbedeling in die lidstaat deelneemt maar zelf geen rechterlijke instantie is, moet de beslissing om een dergelijk aanhoudingsbevel uit te vaardigen en met name de evenredigheid van een dergelijke beslissing in de betreffende lidstaat bovendien het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming [arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 75].</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">42      Met een dergelijk beroep tegen de beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen met het oog op strafvervolging, die is genomen door een autoriteit die weliswaar aan de rechtsbedeling deelneemt en de vereiste onafhankelijkheid geniet ten opzichte van de uitvoerende macht maar zelf geen rechterlijke instantie is, wordt beoogd te verzekeren dat de rechterlijke toetsing van deze beslissing en van de voor de uitvaardiging van dit aanhoudingsbevel noodzakelijke voorwaarden, en met name van de evenredigheid ervan, voldoet aan de uit een effectieve rechterlijke bescherming voortvloeiende vereisten.</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">43      Het staat derhalve aan de lidstaten om ervoor te zorgen dat hun rechtsorden op doeltreffende wijze het door kaderbesluit 2002/584 vereiste niveau van rechterlijke bescherming, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof, waarborgen door middel van de rechtsmiddelen waarin zij voorzien, die van systeem tot systeem kunnen verschillen.</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">44      In het bijzonder vormt het openstellen van een afzonderlijk recht op beroep tegen de door een andere rechterlijke autoriteit dan een rechter genomen beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, in dit opzicht slechts een van de mogelijkheden.</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">45      Kaderbesluit 2002/584 belet immers niet dat een lidstaat zijn procedurevoorschriften toepast ten aanzien van de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel, voor zover het doel van het kaderbesluit en de daaruit voortvloeiende vereisten niet worden doorkruist (zie in die zin arrest van 30 mei 2013, F, C‑168/13 PPU, EU:C:2013:358, punt 53).</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">46. Zoals blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt, berust in casu de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging in de Zweedse rechtsorde noodzakelijkerwijs op een door een rechterlijke instantie genomen beslissing om de betrokken persoon in voorlopige hechtenis te nemen. </bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">47. De verwijzende rechter wijst er ook op dat uit de hem door de Zweedse autoriteiten verstrekte informatie blijkt dat het, om vast te stellen of het noodzakelijk is de voorlopige hechtenis te gelasten, aan de bevoegde rechter staat om ook de evenredigheid te beoordelen van andere mogelijke maatregelen, zoals de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel. </bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">48. Bovendien moet, volgens de Zweedse regering, die rechterlijke instantie, wanneer zij nagaat of het noodzakelijk is een maatregel van voorlopige hechtenis te gelasten tegen een persoon die ervan wordt verdacht inbreuk te hebben gemaakt op de strafwet, steeds beoordelen of een dergelijke maatregel evenredig is. Indien de persoon die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd, op de vlucht slaat of niet op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat verblijft, bestaat de enige reden voor de officier van justitie om de rechter te verzoeken de aanhouding van deze persoon te gelasten,</bridgehead>
    <bridgehead role="italic"> in de noodzaak een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen. Bijgevolg zal het evenredigheidsonderzoek dat deze rechter zal moeten uitvoeren in het kader van het onderzoek naar de noodzaak de voorlopige hechtenis te gelasten, mede betrekking hebben op de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel. </bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">49. Dit lijkt in het hoofdgeding het geval te zijn geweest, aangezien blijkens het verzoek om een prejudiciële beslissing de debatten in het kader van de terechtzittingen voor de Zweedse rechterlijke instanties waarin het ging over de detentie van XD, ook betrekking hadden op de noodzaak om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen met het oog op overlevering van de gezochte persoon aan de Zweedse autoriteiten. </bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">50. Bovendien heeft de Zweedse regering in haar schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting voor het Hof gesteld dat de persoon die op grond van een Europees aanhoudingsbevel wordt gezocht, zonder beperking in de tijd het recht heeft om beroep in te stellen tegen de beslissing waarbij zijn voorlopige hechtenis wordt gelast, zelfs na de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel en na zijn aanhouding in de uitvoerende lidstaat. Indien de bestreden beslissing waarbij de voorlopige hechtenis wordt gelast, nietig wordt verklaard, verliest het Europees aanhoudingsbevel automatisch zijn geldigheid, aangezien de uitvaardiging ervan is gebaseerd op het bestaan van die beslissing. </bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">51. Tot slot heeft die regering erop gewezen dat elke rechterlijke instantie waarbij hoger beroep wordt ingesteld tegen de beslissing waarbij de voorlopige hechtenis wordt gelast, ook de evenredigheid van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel beoordeelt. </bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">52. Uit het bestaan in de Zweedse rechtsorde van dergelijke procedureregels blijkt dat, zelfs bij ontstentenis van een specifiek rechtsmiddel tegen de beslissing van de officier van justitie om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, de voorwaarden voor het uitvaardigen van dit aanhoudingsbevel, en met name de evenredigheid ervan, in de uitvaardigende lidstaat aan rechterlijke toetsing kunnen worden onderworpen, en dit vóór of gelijktijdig met de vaststelling van dit aanhoudingsbevel, maar ook daarna. </bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">53. Een dergelijk stelsel voldoet derhalve aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming. </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is, gelet op deze uitspraak van het Hof, van oordeel dat de Zweedse officier van justitie als uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan worden beschouwd en dat het stelsel in Zweden voldoet aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming. De officier van justitie is ontvankelijk in haar vordering ex artikel 23 OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 6, vijfde lid, OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft ter zitting van de rechtbank van 16 juli 2019 aangevoerd dat de opgeëiste persoon in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en dat op die grond aan hem een terugkeergarantie dient te worden verstrekt. Indien de terugkeergarantie niet wordt verstrekt, dient de overlevering van de opgeëiste persoon te worden geweigerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 8 juli 2019 blijkt dat de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon zijn recht van verblijf zal verliezen indien hij in Zweden voor de in het EAB genoemde feiten zal worden veroordeeld. Op deze grond kan, gelet op het bepaalde in artikel 6, vijfde lid, OLW, de opgeëiste persoon niet worden gelijkgesteld met een Nederlander. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwerpt het verweer. Het ontbreken van een terugkeergarantie staat niet aan de overlevering in de weg. </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. <?linebreak?></para>
      <para>In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Zweedse autoriteiten plaats te vinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De volgende argumenten zijn aangevoerd: </para>
    </parablock>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- dat het onderzoek in Zweden reeds is aangevangen;</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- dat het bewijs zich in Zweden bevindt;</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- dat medeverdachten in Zweden zijn berecht;</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- dat de rechtsorde aldaar is geschokt.</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft op de zitting van 16 juli 2019 de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren omdat twee van de in het EAB genoemde feiten geen connectie met het uitvaardigende land Zweden hebben en Nederland geen rechtsmacht heeft voor die feiten. Bovendien hebben alle feiten slechts gedeeltelijk op Nederlands grondgebied plaatsgevonden. Dit betekent dat naast de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW, ook de artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, OLW van toepassing is, aldus de raadsman.    </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier van justitie opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot zijn vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] ( [alias opgeëiste persoon] )</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Swedish Prosecution Authority, Unit against Organised Crime</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. A.K. Glerum,  				                         		            voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.C.M. Hamer en M.J. Alink,	                         		 	               rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon,		                          	    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 13 februari 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>