<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2020:1117</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-28T08:06:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-02-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/752048-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:1117">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:1117</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-27T14:09:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2020:1117 Rechtbank Amsterdam , 13-02-2020 / 13/752048-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2020:1117:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Letland – ter uitvoering van een vonnis – verzet garantie – bevoegde uitvaardigende autoriteit</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2020:1117:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/752048-19</para>
      <para>RK nummer: 19/6648</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 13 februari 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 26 november 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 29 juli 2019 door de <emphasis role="italic">Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia</emphasis> (Letland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Letland) op [geboortedag] 1998, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland</para>
      <para>	thans gedetineerd [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is geschorst op de zitting van 16 januari 2020 om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nogmaals een tolk voor de opgeëiste persoon op te roepen nu deze verhinderd was om te verschijnen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 30 januari 2020 is het onderzoek ter zitting hervat. Het  verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. O.O. van der Lee, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Russische taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen en vervolgens voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Letse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van de <emphasis role="italic">Riga District Court</emphasis> van </para>
    </parablock>
    <para>15 september 2016 en een arrest van de <emphasis role="italic">Riga Regional Court Criminal Matters Court Panel</emphasis> van 28 februari 2019, in kracht van gewijsde gegaan op 26 maart 2019 (referentienummer 13501000218 - losgemaakt van de strafrechtelijke procedure nummer 11355038315).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De tijd dat de opgeëiste persoon in Letland reeds in voorarrest heeft doorgebracht wordt van de opgelegde gevangenisstraf afgetrokken.  </para>
      <para>De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis en arrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis en arrest betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis en een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het arrest heeft geleid, en dat dit arrest - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>( i) het betreffende arrest na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke arrest en</para>
    <para />
    <para>( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het EAB het volgende vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">The person was not personally served with the judgment, but </emphasis>
      </para>
      <para>- <emphasis role="italic">the person will be personally served with this decision without delay after the surrender, and</emphasis></para>
      <para>- <emphasis role="italic">when served with the decisison, the person will expressly be informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed, and</emphasis></para>
      <para>- <emphasis role="italic">the person will be informed of the time frame within which he or she has to request a retrial or appeal, which will be 30 days.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Bevoegde uitvaardigende autoriteit. </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vordering nu het EAB is uitgevaardigd door een Letse officier van justitie. De raadsman verwijst in dat verband naar de uitspraak van de rechtbank van 15 augustus 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:6003) . </para>
      <para>Subsidiair verzoekt de raadsman de behandeling van de zaak aan te houden om bij de autoriteit van Letland te informeren of de evenredigheid van het uitvaardigen van een EAB door een rechter wordt getoetst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de rechtbank in een eerdere uitspraak heeft vastgesteld dat de officier van justitie in Letland deelneemt aan de rechtsbedeling en onafhankelijk is. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof) heeft bij uitspraak van 12 december 2019 in de Belgische zaak C-627/19 PPU (ECLI:EU:C:2019:1079) geoordeeld dat de beroepsmogelijkheid tegen het uitvaardigen van het EAB niet is vereist, omdat het ontbreken van deze beroepsmogelijkheid niet de vraag raakt of de officier van justitie bevoegd is om het EAB uit te vaardigen. Het Hof heeft tevens geoordeeld dat een officier van justitie een EAB ten behoeve van executie mag uitvaardigen, omdat daaraan een gerechtelijk vonnis ten grondslag ligt waarbij de rechter zich heeft uitgesproken over de schuldvraag. Het betreft hier een EAB ten behoeve van executie waarbij een verzetgarantie is afgegeven. Dit voldoet aan de eisen van het Kaderbesluit 2002/584 (hierna: Kaderbesluit). Het verweer van de raadsman dient te worden verworpen en er is geen aanleiding om tot aanhouding van de behandeling van de zaak over te gaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze zaak lijkt de raadsman ervan uit te gaan dat de hoedanigheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, lid 1, van het Kaderbesluit mede afhangt van het bestaan van een rechterlijke toetsing van de beslissing tot uitvaardiging van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de verschillende arresten van het Hof van 12 december 2019 over dit onderwerp blijkt echter dat het bestaan van een rechterlijke toetsing van de door een andere autoriteit dan een rechterlijke instantie genomen beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, géén voorwaarde vormt om die autoriteit als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, lid 1, van het Kaderbesluit te kunnen aanmerken.</para>
      <para>In de eerder vermelde uitspraak van 15 augustus 2019  heeft de rechtbank vastgesteld dat de officier van justitie in Letland deelneemt aan de rechtsbedeling en onafhankelijk is, en voldoet aan de uit de uitspraak van het Hof van 27 mei 2019 (C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456) voortvloeiende vereisten om als “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” te worden aangemerkt in de zin van artikel 6, lid 1, van het Kaderbesluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bovendien is het EAB uitgevaardigd ter zake van een verstekvonnis en heeft de opgeëiste persoon het recht om daartegen verzet in te stellen . Er is nog geen verzet ingesteld. In dit geval is rechtsoverweging 36 van de uitspraak van het Hof van 12 december 2019 in de  zaak ZB (C-627/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:1079) van toepassing. Hieruit volgt dat als er een eerdere gerechtelijke procedure bestaat waarin uitspraak is gedaan over de schuld van de gezochte persoon, de uitvoerende rechterlijke autoriteit ervan kan uitgaan dat de beslissing om een EAB uit te vaardigen met het oog op de uitvoering van een straf, voortvloeit uit een nationale procedure waarin de persoon jegens wie een voor uitvoering vatbaar vonnis is gewezen, alle waarborgen heeft genoten waarmee het vaststellen van dergelijke beslissingen is omgeven. </para>
      <para>De rechtbank is dan ook van oordeel dat in de onderhavige zaak is voldaan aan de eisen die het Hof stelt aan de effectieve rechtsbescherming in geval van het uitvaardigen van een EAB door een niet-rechterlijke instantie. De officier van justitie is ontvankelijk in de vordering ex artikel 23 OLW.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwerpt het verweer en ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de Kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW in samenhang met artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. en 2. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, 	meermalen gepleegd;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. 9. en 10.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal door twee of meer verenigde personen gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken of, om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. en 8.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6 .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd; </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	diefstal door twee of meer verenigde personen;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er sprake is van een garantie als bedoeld in artikel 12 sub d OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 157, 310, 311, 312 en 350 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12</para>
      <para>OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de <emphasis role="italic">Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia</emphasis> (Letland).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. A.K. Glerum,  				                         		            voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.C.M. Hamer en M.J. Alink,	                         		 	               rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon,		                          	    	    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 13 februari 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>