<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:9972</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-07T13:28:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/012427-18 (ontneming)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:9972">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:9972</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-16T14:54:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:9972 Rechtbank Amsterdam , 24-12-2019 / 13/012427-18 (ontneming)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:9972:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>ontneming</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:9972:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/012427-18 (ontneming)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 24 december 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">VERKORT VONNIS</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/012427-18, tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [veroordeelde]
        </emphasis>, hierna te noemen: [veroordeelde] ,</para>
      <para>geboren [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),</para>
      <para>ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 10 december 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk</para>
      <para>verkregen voordeel, van de op de vordering betrekking hebbende stukken en van wat door de officier van justitie, mr. A.M. Lobregt, en door [veroordeelde] en zijn raadsman, mr. M. Rasterhoff, op de zitting naar voren is gebracht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De vordering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering van de officier van justitie van 12 november 2019 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel van € 79.497,25.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, begrijpt de rechtbank de vordering zo dat deze het feit betreft waarvoor [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag van de vordering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van vandaag veroordeeld voor verduistering van € 10.307,24.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het wederrechtelijk verkregen voordeel</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 79.497,25.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De vordering moet worden afgewezen, gelet op het in de onderliggende strafzaak ingenomen standpunt dat [veroordeelde] moet worden vrijgesproken van de verduistering. Als de rechtbank toch tot een veroordeling komt, moet de vordering worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op bedragen die de rechtbank in de hoofdzaak niet heeft bewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de onderliggende strafzaak is [veroordeelde] veroordeeld voor verduistering, waarbij verdachte gedurende 3,5 jaar een totaalbedrag van € 10.307,24, toebehorende aan de slachtoffers [persoon 1] en [persoon 2] , zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. Hij is vrijgesproken voor de overige tenlastegelegde bedragen. De rechtbank gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van dit vonnis. [veroordeelde] heeft door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 10.307,24.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank merkt op dat in het onderliggende vonnis de verdachte ook de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot dat bedrag is opgelegd.<?linebreak?>Artikel 36e lid 9 Wetboek van Strafrecht bepaalt weliswaar dat bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f in mindering wordt gebracht, maar alleen voor zover die verplichting is voldaan. Nu dat laatste (nog) niet het geval is behoeft bij de bepaling van het ontnemingsbedrag daar geen rekening mee te worden gehouden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De verplichting tot betaling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 10.307,24.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van <emphasis role="bold">€ 10.307,24</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van <emphasis role="bold">€ 10.307,24</emphasis> (tienduizend driehonderdzeven euro en vierentwintig cent) aan de Staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door</para>
      <para>mr. G.H. Marcus,	voorzitter,</para>
      <para>mrs. J. Knol en J. Huber,	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. I. van den Berg-Meulman,	griffier</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 december 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>