<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:9841</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T15:00:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751569-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJFS 2020/208</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:9841">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:9841</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-13T09:20:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:9841 Rechtbank Amsterdam , 20-12-2019 / 13/751569-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:9841:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uitlevering naar Zwitserland toelaatbaar. Verweer betreffende genoegzaamheid verworpen. Verweer betreffende dubbele strafbaar heid verworpen. Het gegeven dat artikel 2, 2e lid ULW niet in de UW is overgenomen maakt accessoire uitlevering niet onmogelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:9841:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK  AMSTERDAM, </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751569-19</para>
      <para>RK nummer: 19/4349</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 19 juli 2019, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Justitie en Veiligheid ontvangen verzoek van de Zwitserse autoriteiten tot uitlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek) op [geboortedag] 1990, </para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, </para>
      <para>thans gedetineerd in het [detentieadres],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 6 december 2019 de opgeëiste persoon, zijn raadsman, mr. O.O. van der Lee, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, ter openbare zitting gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identiteit van de opgeëiste persoon</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd juist zijn en dat hij de Dominicaanse nationaliteit heeft.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Inhoud en grondslag van het verzoek</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht in verband met strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor zijn aanhouding is gelast en zoals omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van het aanhoudingsbevel van The Public Prosecutor of Canton Ticino (Zwitserland). Het in die bijlage tussen [             ] geplaatste gedeelte dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Genoegzaamheid van de feitsomschrijving</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het standpunt van de verdediging<?linebreak?>Ter zitting heeft de verdediging aangevoerd dat de hoogte van het strafmaximum onduidelijk is. Waar eerder over een strafmaximum van 3 jaar werd gesproken, wordt in de aanvullende informatie van de Zwitserse autoriteit gesproken over 20 jaar, hetgeen de raadsman niet kan rijmen met de genoemde wettelijke bepalingen. </para>
        <para>Verder heeft de raadsman betoogd dat de feitsomschrijving van het rijden zonder rijbewijs ongenoegzaam is, nu in het aanhoudingsbevel een periode van ruim drie jaar wordt beschreven, zonder te benoemen op welke specifieke momenten daarvan sprake zou zijn geweest en in welke plaats dat zou zijn gebeurd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het standpunt van het openbaar ministerie<?linebreak?>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitlevering toelaatbaar is. Uit de stukken blijkt genoegzaam dat het Zwitserse strafmaximum 20 jaar is. De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op artikel 19, tweede lid, en artikel 40 van de Zwitserse strafwet. </para>
        <para>Voorts heeft hij gesteld dat het rijden zonder rijbewijs onlosmakelijk is verbonden met het transport van de verdovende middelen.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het oordeel van de rechtbank</para>
        <para>Uit de stukken blijkt, naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam, dat op de drugsfeiten een gevangenisstraf van ten minste een jaar is gesteld. Ook de overige bepalingen die betrekken hebben op de strafmaxima voor de feiten zijn bij het verzoek overgelegd. Een en ander brengt mee dat het uitleveringsverzoek op dit onderdeel aan de daaraan te stellen vereisten voldoet. Voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek is niet relevant hoe die bepalingen moeten worden uitgelegd. Dat is aan de Zwitserse rechter. </para>
        <para>Uit het aanhoudingsbevel van 9 juli 2019 volgt verder dat de opgeëiste persoon enerzijds verdacht wordt van de invoer in Zwitserland van verdovende middelen en daarnaast van het rijden zonder rijbewijs. Ten aanzien van beide feiten is als pleegperiode genoemd 1-1-2016 tot 25-02-2019. Hieruit valt naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat het rijden zonder rijbewijs gerelateerd is aan de invoer van de verdovende middelen. Een en ander in samenhang bezien met de omstandigheid dat het uitleveringsverzoek strekt tot strafvervolging en het strafrechtelijk onderzoek in Zwitserland nog niet is afgerond, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de omschrijving van de feiten voldoet aan de daaraan te stellen eisen. </para>
        <para>Het rijden zonder rijbewijs is dan ook genoegzaam omschreven.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Dubbele strafbaarheid</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het standpunt van de verdediging</para>
        <para>Vervolgens heeft de raadsman bepleit dat de uitlevering met betrekking tot ‘het rijden zonder rijbewijs’ hoe dan ook ontoelaatbaar zou moeten zijn, aangezien daarvoor naar Nederlands recht maximaal 2 maanden hechtenis kan worden opgelegd, terwijl een maximumstraf van ten minste een jaar is vereist. De raadsman heeft er in dit verband op gewezen dat de Uitleveringswet geen equivalent bevat van artikel 2, tweede lid van het Europees uitleveringsverdrag, terwijl de Uitleveringswet hier zou moeten prevaleren.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het standpunt van het openbaar ministerie</para>
        <para>De officier van justitie heeft ter zitting betoogd dat accessoire uitlevering voor het rijden zonder rijbewijs mogelijk is omdat de werking van het Europees uitleveringsverdrag boven de Uitleveringswet gaat. Hij heeft in verband hiermee gewezen op het tweede lid van artikel 2 van het Europees uitleveringsverdrag, waarin is bepaald dat wanneer de uitlevering ten behoeve van een hoofdfeit toelaatbaar is verklaard, de uitlevering ook kan worden toegestaan met betrekking tot het accessoire feit waarvan het wettelijk strafmaximum van één jaar niet wordt gehaald.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het oordeel van de rechtbank</para>
        <para>Uit artikel 5, eerste lid, onder a van de Uitleveringswet volgt dat uitlevering alleen kan worden toegestaan ten aanzien van een verdenking van een strafbaar feit waarvoor eveneens naar Nederlands recht een vrijheidsstraf van minimaal een jaar is gesteld. In onderhavige zaak wordt de uitlevering onder andere verzocht ten aanzien van de verdenking dat de opgeëiste persoon een voertuig heeft bestuurd zonder een (geldig) rijbewijs. Dit is volgens de Wegenverkeerswet een overtreding waarop een strafmaximum van twee maanden is gesteld, danwel een misdrijf met een strafmaximum van drie maanden, zodat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 5, eerste lid, onder a van de Uitleverinsgwet. Anders dan de raadsman heeft betoogd leidt dit echter niet tot de conclusie dat de uitlevering voor dit onderdeel moet worden geweigerd. </para>
        <para>Op grond van artikel 2, tweede lid, van het Europees uitleveringsverdrag, is de aangezochte partij namelijk bevoegd de uitlevering toe te staan voor feiten die niet voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de maximumstraf, indien het verzoek op uitlevering mede betrekking heeft op een feit waarbij wel aan dat vereiste is voldaan. Het gegeven dat deze bepaling in de Uitleveringswet niet is overgenomen, betekent niet dat deze accessoire uitlevering niet mogelijk is. Artikel 2, tweede lid, EUV heeft immers rechtstreekse werking (ECLI:NL:HR:2004:AR4923). Nu de uitlevering tevens wordt verzocht ten aanzien van de verdenking dat de opgeëiste persoon verdovende middelen heeft ingevoerd, is de uitlevering voor het rijden zonder rijbewijs eveneens toelaatbaar. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd</emphasis>
        </para>
        <para>en</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vermoeden van schuld</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon heeft de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht ontkend. Hij heeft echter niet onverwijld kunnen aantonen dat hij onschuldig is aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht. Evenmin is gebleken dat er ten aanzien van hem geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan die feiten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Slotsom</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, is bevonden dat aan alle daarvoor in de Wet en de toepasselijke Verdragen gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Toepasselijke wetsartikelen.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;</para>
      <para>de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet;</para>
      <para>de artikelen 9, 107, 176  en 177 van de Wegenverkeerswet</para>
      <para>artikel 2 van de Uitleveringswet;</para>
      <para>de artikelen 1, 2 en 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trb.65, 9) en  artikel 5 van het Tweede Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (Trb.1979, 120).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart <emphasis role="bold">TOELAATBAAR</emphasis> de door de Zwitserse autoriteit verzochte uitlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> , voor de in 2.2. van deze uitspraak vermelde feiten.</para>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. I. Verstraeten-Jochemsen,	              			                         voorzitter,</para>
      <para>mrs. H.J. Fehmers en R. Godthelp,                           				   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van R. Rog,			                                          griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 20 december 2019. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 31 van de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>