<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:8384</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-04T17:15:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-11-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751947-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:8384">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:8384</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-08T08:09:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:8384 Rechtbank Amsterdam , 05-11-2019 / 13/751947-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:8384:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB Polen, Poolse rechtsstaat</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:8384:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751947-18</para>
      <para>RK nummer: 18/7600</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 5 november 2019 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 november 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 25 september 2018 door de <emphasis role="italic">2nd Penal Division of the Regional Court in Elbląg</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982, </para>
      <para>verblijvend op het adres [verblijfadres] , </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 4 januari 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Tussenuitspraak 18 januari 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij tussenuitspraak van 18 januari 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:393) heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en meteen geschorst voor het stellen van vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 14 maart 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet ter zitting van 14 maart 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich wederom doen bijstaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met instemming van de officier van justitie en de raadsman heeft de rechtbank beslist dat het onderzoek ter zitting op 19 maart 2019 zal worden gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 18 maart 2019 heeft de rechtbank de officier van justitie en de raadsman meegedeeld dat zij meer tijd nodig heeft om tot een beslissing in de onderhavige zaak te komen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 16 april 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting op 16 april 2019 gesloten en direct uitspraak gedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Tussenuitspraak 16 april 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij tussenuitspraak van 16 april 2019 (niet gepubliceerd) heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en meteen geschorst om (opnieuw) vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 22 oktober 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 22 oktober 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon is – ondanks een correcte betekening van de oproeping – niet ter zitting verschenen. Zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, heeft verklaard door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk gemachtigd te zijn namens hem het woord te voeren.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon 		</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Tussenuitspraak van 18 januari 2019</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 18 januari 2019 waarin zij de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten heeft beoordeeld, alsmede de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze onderwerpen (r.o. 3, 4 en 5) dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018 (ECLI:RBAMS:2018:5925) een uitleg gegeven van het toetsingskader, zoals opgenomen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (<emphasis role="italic">hierna: HvJ</emphasis>) van 25 juli 2018 inzake LM, C-216/18 PPU (<emphasis role="italic">hierna: het arrest</emphasis>). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In vervolg daarop heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) vastgesteld:  </para>
      </parablock>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen;<?linebreak?></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast;<?linebreak?></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat om die reden concreet en nauwkeurig moet worden beoordeeld of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen;<?linebreak?></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom wordt uitgenodigd tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78, teneinde een actueel en concreet beeld te krijgen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het licht van die vaststellingen heeft de rechtbank in die zaak een aantal vragen geformuleerd en heeft zij de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om deze te beantwoorden in het kader van de te voeren dialoog en het verstrekken van de benodigde informatie. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij voornoemde tussenuitspraak van 18 januari 2019 heeft de rechtbank beslist dat deze vragen ook in de onderhavige zaak ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit moesten worden voorgelegd, ook al ziet onderhavig overleveringsverzoek, anders dan voornoemde tussenuitspraak van 4 oktober 2018, op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die op 13 februari 2018 door <emphasis role="italic">the District Court in Ostróda, the 2nd Penal Division</emphasis> is opgelegd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 12 februari 2019 zijn deze vragen beantwoord door <emphasis role="italic">the Judge of the District Court in Ostróda</emphasis>. Bij voornoemde tussenuitspraak van 16 april 2019 heeft de rechtbank aanleiding gezien het onderzoek ter zitting te heropenen en <emphasis role="italic">the District Court in Ostróda, the 2nd Penal Division</emphasis> te verzoeken de vragen C1 en C3, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">C1	Zijn er sinds voormelde wetswijzigingen, voorafgaand aan (het vonnis in) de strafzaak </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">van de opgeëiste persoon, tuchtzaken tegen rechters en/of (vice)voorzitters geweest? Zo </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">ja, wat was hiervoor de aanleiding en wat was de uitkomst?</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">C3	Zijn er, voorafgaand aan (het vonnis in) de strafzaak van de opgeëiste persoon, andere</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">      	maatregelen betreffende (vice)voorzitters genomen, zoals het verstrekken van ‘written </emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">      	remarks’ door de Minister van Justitie? </emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">      	Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>te beantwoorden. <emphasis role="italic">The President of the District Court in Ostróda </emphasis>heeft bij brief van 1 oktober 2019 antwoorden verstrekt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor zover van belang en samengevat blijkt uit de beantwoording van de vragen het volgende:</para>
      </parablock>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>zoals vermeld is de zaak van de opgeëiste persoon berecht door <emphasis role="italic">the District Court in Ostróda</emphasis>;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>in het gerecht zijn sinds de inwerkingtreding van de gewijzigde wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken geen personeelswijzigingen doorgevoerd voor de voorzittersfunctie en de vicevoorzittersfunctie. Verder zijn er geen rechters met pensioen gegaan;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>er zijn geen disciplinaire procedures aanhangig (geweest) jegens de voorzitters, vicevoorzitters of rechters;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>er zijn geen andere maatregelen – zoals het verstrekken van “<emphasis role="italic">written remarks</emphasis>” – genomen jegens de voorzitters, vicevoorzitters of rechters.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Zoals onder 4.1 weergegeven heeft de rechtbank in haar uitspraak van 4 oktober 2018 de eerste vraag van het toetsingskader dat uit het arrest van het HvJ EU voortvloeit, bevestigend beantwoord. De rechtbank acht zich thans voldoende voorgelicht door <emphasis role="italic">the District Court in Ostróda </emphasis>om de tweede en de derde vraag van het toetsingskader te kunnen beantwoorden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.2.1</nr>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beantwoording van de tweede vraag </emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank beantwoordt de tweede vraag (aangepast aan de omstandigheid dat sprake is van een executie-overlevering), namelijk of de vastgestelde structurele gebreken</para>
          <para>negatieve gevolgen <emphasis role="italic">kunnen</emphasis> hebben gehad op het niveau van de rechterlijke instanties van Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon onderworpen is geweest, eveneens bevestigend.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Daarbij neemt de rechtbank naast de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit ook de inhoud van de al bij haar tussenuitspraak van 4 oktober 2018 genoemde rapportages en voorstellen in aanmerking. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de volgende rapportages betreffende de ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat in Polen: </para>
        </parablock>
        <para />
        <para>- Association of Judges “Themis”: Judges under special supervision, that is “the great<?linebreak?>reform” of the Polish justice system, 5 maart 2019;</para>
        <para />
        <para>- KOS (The Justice Defence Committee): A country that punishes. Pressure and repression of Polish judges and prosecutors, Warsaw 2019. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De inhoud van deze publicaties bevestigt en versterkt de zorgen die er heersen over de gevolgen van de wetswijzigingen voor de Poolse rechtsstaat en daaruit voortvloeiend het recht op een eerlijk proces van de opgeëiste persoon bij <emphasis role="italic">the District Court in Ostróda</emphasis>.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Overeenkomstig het toetsingskader, gegeven bij het eerder genoemde arrest van het HvJ EU, dient de rechtbank bij deze stand van zaken tevens de derde vraag te beantwoorden (aangepast aan de omstandigheid dat sprake is van een executie-overlevering), namelijk of er – in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen – zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht is geschonden en dus dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern is aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij is veroordeeld en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt. Daarbij moet naar het oordeel van de rechtbank worden meegewogen wat bekend is geworden bij de beantwoording van de eerste en de tweede vraag. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.2</nr>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beantwoording van de derde vraag </emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Bij de beantwoording van de derde vraag spitst de beoordeling door de rechtbank zich toe</para>
          <para>op hetgeen een opgeëiste persoon naar voren brengt over zijn specifieke situatie. In deze zaak echter heeft de opgeëiste persoon geen omstandigheden betreffende zijn persoonlijke situatie naar voren gebracht op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat hij </para>
          <para>tijdens de berechting van zijn zaak in Polen geen eerlijk proces zou hebben gekregen. Ook overigens is niet gebleken dat hij op enigerlei wijze in de bijzondere aandacht van de Poolse uitvoerende macht staat/heeft gestaan en dat zijn persoon aanleiding zou geven/hebben gegeven tot ongeoorloofde beïnvloeding van de rechter(s) die hem heeft/hebben berecht. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Evenmin noopt de aard van de strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld tot die conclusie. Hij is veroordeeld wegens drie mishandelingen, steeds gepleegd binnen de familiaire sfeer, en twee beledigingen. De veroordeling ziet dus op commune delicten. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank beschikt ook verder niet over informatie waaruit zou blijken dat de strafzaak tegen de opgeëiste persoon bij <emphasis role="italic">the District Court in Ostróda  </emphasis>negatief <emphasis role="italic">is</emphasis> beïnvloed door de eerder genoemde gebreken die in het kader van de eerste en de tweede vraag zijn vastgesteld. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank – met de raadsman en de officier van justitie – dat niet gebleken is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht is geschonden en als gevolg daarvan dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern is aangetast, nu noch zijn persoonlijke situatie, noch de aard van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld, noch de feitelijke context die aan het EAB ten grondslag ligt, tot een dergelijke conclusie aanleiding geeft. </para>
        </parablock>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 266, 300 en 304 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de <emphasis role="italic">2nd Penal Division of the Regional Court in Elbląg</emphasis> (Polen). </para>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. A.K. Glerum,	  				                         	voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.A.A.G. de Vries en M.E.M. James-Pater,                         		rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman,			                        	griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 5 november 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>