<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:8253</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-26T17:04:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-11-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 19 _ 2240</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:8253">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:8253</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-26T17:04:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:8253 Rechtbank Amsterdam , 05-11-2019 / AWB - 19 _ 2240</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:8253:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>AOW. Bezwaar had niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Bijlage bij het primaire besluit is niet gericht op rechtsgevolg en daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:8253:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 19/2240 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2019 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] (Denemarken), eiser,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [naam] ).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal partijen hierna aanduiden als [eiser] en de Svb.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 28 december 2018 (het primaire besluit) heeft de Svb aan [eiser] meegedeeld dat met ingang van 1 januari 2019 geen heffingskorting meer op zijn </para>
      <para>Algemeen Ouderdomswet uitkering (AOW-uitkering) wordt toegepast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 19 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de Svb heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Met het besluit van 28 december 2018 heeft de Svb aan [eiser] meegedeeld dat hij door een wetswijziging met ingang van 1 januari 2019 geen heffingskorting meer krijgt op zijn pensioenuitkering. Daarnaast geeft de Svb in een bijlage bij het besluit, meegedeeld dat over de jaren tot en met 2018, de heffingskortingen voor de inkomstenbelasting mogelijk moeten worden terugbetaald aan de belastingdienst.</para>
    <para />
    <para>2. [eiser] heeft uitsluitend bezwaar gemaakt tegen het mogelijk terug moeten betalen van de heffingskortingen.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank is van oordeel dat de bijlage bij het primaire besluit slechts een mededeling bevat over de mogelijke terugvordering door de belastingdienst van de heffingskortingen over de jaren tot en met 2018. Met de Svb is de rechtbank van oordeel dat de bijlage bij het primaire besluit niet is gericht op rechtsgevolg en daarom geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Als gevolg had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de Svb ten onrechte het bezwaar ongegrond heeft verklaard. De rechtbank zal reeds hierom het beroep gegrond verklaren. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het bezwaar van [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard. </para>
    <para />
    <para>5. Indien [eiser] van mening is dat een terugvordering van de heffingskorting onjuist is, kan hij opkomen tegen een te nemen terugvorderingsbesluit van de belastingdienst.</para>
    <para />
    <para>6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de Svb aan [eiser] het door haar betaalde griffierecht vergoedt.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond; </para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para>- verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;</para>
    <para>- draagt de Svb op het betaalde griffierecht van € 47,-- aan [eiser] te vergoeden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>6 november 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier </para>
      <para>rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>