<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:8022</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-30T15:45:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-10-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751235-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:8022">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:8022</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-30T14:44:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:8022 Rechtbank Amsterdam , 24-10-2019 / 13/751235-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:8022:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenuitspraak. Poolse rechtstaat-vragen nogmaals gesteld aan the Regional Court in Poznań.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:8022:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751235-19</para>
      <para>RK nummer: 19/3017</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 24 oktober 2019 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">TUSSENUITSPRAAK</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 mei 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 16 november 2018 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Poznań</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>
        [adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 oktober 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J.S. Dijkstra, advocaat te Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">decision of the District Court Poznań – Stare Miasto in Poznań of 23rd April 2015 on imposition of preventive measure of temporary arrest for 14 days from the date of detention</emphasis>, referentienummer: III Kp 238/15.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Pools recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Weigeringsrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. <?linebreak?>In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Poolse autoriteiten plaats te vinden.</para>
      <para>De volgende argumenten zijn aangevoerd:<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de verdovende middelen zijn in Polen ingevoerd en waren bestemd voor de Poolse markt;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het bewijs is in Polen voorhanden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het onderzoek is in Polen aangevangen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de medeverdachten zijn Poolse onderdanen. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten de voorkeur zou verdienen. Zij heeft het volgende aangevoerd: </para>
      <para>De zorgen die over de Poolse rechtstaat bestaan dienen te worden betrokken bij de toetsing van de vordering ex artikel 13, tweede lid, OLW. Bij de beoordeling moet verder worden betrokken dat de opgeëiste persoon forse persoonlijke belangen heeft bij een vervolging in Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier van justitie opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. </para>
      <para>Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot zijn vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018<footnote-ref linkend="_ac5770ff-0647-47c2-89f2-e90b6ae37b01" /> een uitleg gegeven van het toetsingskader, dat is opgenomen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ) van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU<footnote-ref linkend="_7eb5fb9a-0aaa-48ef-8369-ca745949d3a3" /> (hierna: het arrest). De rechtbank verwijst in zoverre naar de tussenuitspraak van 16 augustus 2018.<?linebreak?></para>
        <para>In vervolg daarop heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018<footnote-ref linkend="_50d1c73e-1847-457f-8b04-e94fc2269f86" /> vastgesteld: <?linebreak?></para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat om die reden concreet en nauwkeurig moet worden beoordeeld of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom wordt uitgenodigd tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78, teneinde een actueel en concreet beeld te krijgen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het licht van die vaststellingen heeft de rechtbank in haar uitspraak van 4 oktober 2018 een aantal vragen geformuleerd - de vragen I. en II. A tot en met E - en de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om deze te beantwoorden in het kader van de te voeren dialoog en het verstrekken van de benodigde informatie.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze vragen worden in alle Poolse overleveringszaken gesteld waarin de Poolse rechtsstaat </para>
        <para>aan de orde komt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar aanleiding van antwoorden die sinds 18 januari 2019 door de uitvaardigende justitiële autoriteit in vergelijkbare zaken zijn verstrekt, heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van <?linebreak?>27 september 2019<footnote-ref linkend="_8788f9a6-5572-480f-a65f-5d0f302a09e9" /> geoordeeld:<?linebreak?></para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>dat de impact van de geconstateerde structurele gebreken op het niveau van de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan opgeëiste personen zullen worden onderworpen op dit moment zodanig is, dat de genoemde structurele gebreken in alle gevallen negatieve gevolgen voor die rechterlijke instanties kunnen hebben;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat om die reden kan worden aangenomen dat aan stap twee is voldaan;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat, tenzij zich nieuwe, relevante, ontwikkelingen op het gebied van de Poolse rechtstaat voordoen, uitsluitend voormelde vragen I. en II. C – in het kader van de beoordeling van stap drie – nog hoeven te worden gesteld.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>De vragen I. en II. C zijn ook in onderhavige zaak ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd. Deze vragen zijn tot op heden niet beantwoord.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar de mening van de officier van justitie kan uit het uitblijven van antwoorden worden geconcludeerd dat geen sprake is van een significante verandering van de situatie in Polen aangaande de rechtstaat, zodat de rechtbank aan de beantwoording van de derde vraag toekomt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van die vraag stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat geen informatie voorhanden is op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat in dit concrete geval de opgeëiste persoon geen eerlijk proces krijgt na overlevering aan Polen. De overlevering van de opgeëiste persoon kan dan ook worden toegestaan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering dient te worden geweigerd. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat sprake is van structurele of op zijn minst fundamentele gebreken die een nadelig effect op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de uitvaardigende lidstaat kunnen hebben. Met als mogelijk gevolg dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Informatie op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat in dit concrete geval de opgeëiste persoon geen eerlijk proces krijgt na overlevering aan Polen, heeft de raadsvrouw niet. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is na sluiting van het onderzoek ter zitting tot de conclusie gekomen dat het wenselijk is dat getracht wordt de dialoog met de uitvaardigende justitiële autoriteit alsnog te voeren.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de vragen I. en II. C niet beantwoord. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het bovenstaande beschikt de rechtbank op dit moment over onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat specifiek de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en dus dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank verzoekt de uitvaardigende justitiële autoriteit dan ook nogmaals om de eerder gestelde vragen alsnog te beantwoorden, teneinde de rechtbank in staat te stellen zich een oordeel te vormen over vraag 3 van het hiervoor weergegeven toetsingskader van het HvJ. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank merkt hierbij op dat in soortgelijke zaken, waarbij de opgeëiste persoon zich in Nederland bevond en de strafzaak zich nog in de vervolgingsfase bevond, de Poolse uitvaardigende autoriteiten wel antwoord hebben gegeven op de eerder gestelde vragen. Er zijn verder geen aanwijzingen dat een beantwoording van de vragen in deze zaak niet mogelijk zou zijn. De rechtbank benadrukt dat deze vragen zowel ter zake van de bevoegde rechtbank in eerste aanleg als van de bevoegde instantie in hoger beroep dienen te worden beantwoord.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen en voor onbepaalde tijd schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen, namelijk: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">I. Welke rechterlijke instanties bevoegd?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Welke rechterlijke instanties zijn concreet bevoegd voor de procedures waaraan deze<?linebreak?>opgeëiste persoon zal worden onderworpen, in eerste aanleg en in hoger beroep?</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">II. Gegevens ten aanzien van deze rechterlijke instanties</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor ieder van de hiervoor bedoelde rechterlijke instanties:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>1. Zijn er sinds voormelde wetswijzigingen tuchtzaken tegen rechters en/of (vice)voorzitters geweest? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding<?linebreak?>en wat was de uitkomst?</para>
        <para>2. Hebben er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken wijzigingen plaatsgevonden in de bezoldiging van (vice)voorzitters en rechters? Zo ja, wat was hiervoor de reden?</para>
        <para>3. Zijn er andere maatregelen betreffende (vice)voorzitters genomen, zoals het verstrekken van ‘<emphasis role="italic">written remarks’</emphasis> door de Minister van Justitie? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding? </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>en <emphasis role="bold">SCHORST</emphasis> het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om voornoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>dat het onderzoek zal worden hervat op een nog nader te bepalen zitting;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsvrouw van de opgeëiste persoon;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van een tolk Pools tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. C.A. van Dijk,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. N.M. van Waterschoot en V.V. Essenburg,                         		rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. T. Smit,		               	      		griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 24 oktober 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De oudste en jongste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_ac5770ff-0647-47c2-89f2-e90b6ae37b01" label="1">
    <para> Rechtbank Amsterdam 16 augustus 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5925</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7eb5fb9a-0aaa-48ef-8369-ca745949d3a3" label="2">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:586</para>
  </footnote>
  <footnote id="_50d1c73e-1847-457f-8b04-e94fc2269f86" label="3">
    <para> Rechtbank Amsterdam 4 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:7032</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8788f9a6-5572-480f-a65f-5d0f302a09e9" label="4">
    <para> Rechtbank Amsterdam 27 september 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:7161.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>