<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:8020</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-30T14:51:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-10-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751671-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:8020">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:8020</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-30T14:24:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:8020 Rechtbank Amsterdam , 10-10-2019 / 13/751671-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:8020:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>executie-EAB Polen, rechtstaattoets t.a.v. vonnis</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:8020:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751671-19</para>
      <para>RK nummer: 19/4573</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 10 oktober 2019 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 juli 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 26 maart 2019 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Lublin </emphasis>(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 13 september 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is aangevangen op de openbare zitting van 13 september 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, </para>
      <para>mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. N. van der Kruk, advocaat te Wognum en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op verzoek van de officier van justitie en met instemming van de raadsman het onderzoek aangehouden tot 26 september 2019 om de officier van justitie vragen te laten stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met het oog op de toetsing van de dubbele strafbaarheid van feit VII, vermeld in het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging, mede gelet op de aanhouding van de zaak, nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 26 september 2019</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>De behandeling van de vordering is – met instemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon – op de openbare zitting van 26 september 2019 voortgezet in de stand waarin het onderzoek zich bevond op het moment van de aanhouding op de zitting van </para>
      <para>13 september 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Informatie in het EAB</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">judgment of the Regional Court of Lublin</emphasis> van </para>
      <para>21 juli 2016 (referentie: IV K 224/08).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook is vermeld dat bij dit <emphasis role="italic">judgment </emphasis>van 21 juli 2016 aan de opgeëiste persoon een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaar en zes maanden is opgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het <emphasis role="italic">judgment </emphasis>van 21 juli 2016 betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de bij brief van 1 augustus 2019 door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie blijkt dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de advocaat van de opgeëiste persoon beroep heeft ingesteld tegen het hiervoor genoemde <emphasis role="italic">judgment</emphasis> van 21 juli 2016;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">the Appeal Court of Lublin</emphasis> bij <emphasis role="italic">judgment </emphasis>van 20 november 2017 (referentie: II Aka 60/17) het <emphasis role="italic">judgment</emphasis> van 21 juli 2016 heeft bevestigd;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de advocaat van de opgeëiste persoon op 9 juli 2018 bij <emphasis role="italic">the Supreme Court</emphasis> cassatie heeft ingesteld (referentie: III KK 394/18) tegen het hiervoor genoemde <emphasis role="italic">judgment</emphasis> van </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>20 november 2017;</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de behandeling ter terechtzitting van het beroep in cassatie is gepland op 2 oktober 2019;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het <emphasis role="italic">judgment</emphasis> van 20 november 2017 rechtsgeldig is en de bij dit <emphasis role="italic">judgment</emphasis> opgelegde straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is.  </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Lopend cassatieberoep; overlevering ter executie van vrijheidsstraf of ter vervolging?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat gelet op het lopende beroep in cassatie moet worden uitgegaan van een verzoek tot overlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwerpt dit punt. Bij de beoordeling van de genoegzaamheid van het EAB moet worden getoetst of sprake is van een voor ten uitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor ten uitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, OLW). Nog daargelaten dat cassatie – zoals de rechtbank ambtshalve weet – naar Pools recht een buitengewoon rechtsmiddel is dat alleen openstaat tegen een onherroepelijk vonnis van een hof van beroep, is aan dat vereiste al voldaan, indien het EAB een voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke titel voor vrijheidsbeneming vermeldt. In deze zaak is aan dat vereiste voldaan nu de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 1 augustus 2019 heeft toegelicht dat de bij het <emphasis role="italic">judgment</emphasis> van 20 november 2017 bevestigde straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit en de opgeëiste persoon verstrekte informatie volgt dat:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de opgeëiste persoon in eerste aanleg aanwezig was ter terechtzitting;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de advocaat van de opgeëiste persoon beroep heeft ingesteld tegen het <emphasis role="italic">judgment</emphasis> in eerste aanleg;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de opgeëiste persoon in beroep niet aanwezig was ter terechtzitting, maar wel op de hoogte was van de behandeling ter terechtzitting in beroep; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de advocaat van de opgeëiste persoon wel in beroep aanwezig was ter terechtzitting, door de opgeëiste persoon gemachtigd was zijn verdediging te voeren en ook daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW niet van toepassing is ten aanzien van de procedure die heeft geleid tot de oplegging van de voor tenuitvoerlegging vatbare vrijheidsstraf voor de duur van zes jaar en zes maanden.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt, met de officier van justitie, vast dat hieraan niet is voldaan ten aanzien van feit VII. Dit feit kan, bij gebrek aan het oogmerk van uitbuiting, niet worden gekwalificeerd als mensenhandel. De overlevering zal voor dit feit dus worden geweigerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de overige feiten wel is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">I </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">II en III en IX</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	beroofd houden, 	</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">III</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	personen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">IV</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	beroofd houden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	personen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">V </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VI</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B Opiumwet </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	gegeven verbod</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VIII en XIII</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	beroofd houden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	personen </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">X</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	beroofd houden, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	medeplegen van zware mishandeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	medeplegen van poging tot doodslag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">XI</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	beroofd houden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">XII</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	beroofd houden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	zware mishandeling</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">XIII</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">            mishandeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">XIV en XV</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	medeplegen van poging tot doodslag </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">            medeplegen van zware mishandeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">XVI	</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	afpersing </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">XVII</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">6. 	Poolse rechtsstaat; artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de  	Europese Unie  </emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 juli 2018 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) heeft op 25 juli 2018 in de zaak </para>
      <para>C-216/18 PPU een arrest gewezen in een overleveringszaak over – kort samengevat – de toetsing van de Poolse rechtsstaat dan wel het recht op een eerlijk proces (hierna: het arrest).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Uitleg van het arrest door de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak in een andere zaak van 16 augustus 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:5925), die ziet op een overleveringsverzoek ter vervolging van de opgeëiste persoon in Polen, een uitleg gegeven van het in het arrest gegeven toetsingskader.</para>
      <para>De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak onder meer overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Uit het arrest volgt dat wanneer, zoals in deze zaak, de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, zich tegen zijn overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verzet met het argument dat sprake is van structurele of op zijn minst fundamentele gebreken die volgens hem een nadelig effect op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de uitvaardigende lidstaat kunnen hebben en dus zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern kunnen aantasten, de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij over de overlevering van de opgeëiste persoon aan genoemde lidstaat heeft te beslissen, (naar analogie van het arrest Aranyosi en Căldăraru, punt 88 </emphasis>(Rechtbank: HvJ 5 april 2016, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198) <emphasis role="italic">gehouden is te beoordelen of hij een reëel gevaar loopt dat dit grondrecht zal worden geschonden.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bij deze beoordeling moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit achtereenvolgens de volgende drie vragen beantwoorden:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="italic">1. 	Dreigt een reëel gevaar dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt   	aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van 	de uitvaardigende lidstaat betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke 		instanties van die staat in gevaar brengen? </bridgehead>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">2.	In hoeverre kunnen de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid  	van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat betreft, zoals die uit de  	ter beschikking staande gegevens blijken, gevolgen hebben op het niveau van de  	rechterlijke instanties van die staat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de	opgeëiste persoon zal worden onderworpen? </emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">3. 	Zijn er, in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking </emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic"> 	heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op  	feiten berustende gronden om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn  	grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn  	grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn  	persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de  	feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt”. </emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Algemeen gevaar schending recht op eerlijk proces aangenomen door de rechtbank (vraag 1 in het beslismodel)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft vervolgens bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) de eerste vraag in het beslismodel positief beantwoord en vastgesteld dat er sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen, alsmede dat er daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast.<?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Toepassing in deze zaak; beantwoording vraag 2 in het beslismodel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze zaak is het van belang vast te stellen dat de ingrijpende wijzigingen ten aanzien van de rechterlijke organisatie in Polen zich hebben voorgedaan in het najaar van 2017. Onderhavig overleveringsverzoek ziet op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Daarbij geldt dat de veroordeling in eerste aanleg dateert van <?linebreak?>21 juli 2016, dus nog van voor de hiervoor bedoelde ingrijpende wijzigingen. Er is in deze zaak echter een procedure in beroep gevolgd, die ertoe heeft geleid dat op 20 november 2017, door <emphasis role="italic">the Appeal Court of Lublin</emphasis>, de in eerste aanleg opgelegde vrijheidsstraf is bevestigd. Die beslissing in beroep is dus genomen in de periode waarin de hiervoor bedoelde ingrijpende wijzigingen zich hebben voorgedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 18 januari 2019 een tussenuitspraak gedaan in een andere zaak (ECLI:NL:RBAMS:2019:393), die zag op een overleveringsverzoek ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die is opgelegd kort na de hiervoor bedoelde ingrijpende wijzigingen. In die tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld, kort samengevat, dat bij overlevering ten behoeve van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die is opgelegd nadat de hiervoor bedoelde ingrijpende wijzigingen zich hadden voorgedaan, moet worden getoetst of de opgeëiste persoon een eerlijk proces heeft gekregen. In navolging van die tussenuitspraak en gelet op het in het arrest van het HvJ van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU (hierna: het arrest) gegeven toetsingskader zal de rechtbank ook in deze zaak concreet en nauwkeurig beoordelen of er in de omstandigheden van dit specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon (in beroep) geen eerlijk proces heeft gekregen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hiertoe dient de rechtbank eerst de tweede vraag in het beslismodel te beantwoorden en dus  te onderzoeken in hoeverre de structurele of fundamentele gebreken omtrent de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in Polen, gevolgen hebben gehad op het niveau van de rechterlijke instantie in Polen die bevoegd was met betrekking tot de beroepsprocedure waaraan de opgeëiste persoon is onderworpen (<emphasis role="italic">the Appeal Court of Lublin</emphasis>). De rechtbank heeft daartoe behoefte aan een concreet beeld van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van de rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van deze rechterlijke instantie in Polen. Nu de beslissing in beroep dateert van 20 november 2017 is voor de rechtbank in het bijzonder van belang hoe de situatie destijds was. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten behoeve van de in de vorige alinea bedoelde toetsing heeft de officier van justitie in deze zaak vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het betreft de vragen die de rechtbank in de hiervoor ook al aangehaalde tussenuitspraak van 4 oktober 2018 heeft geformuleerd in het kader van de dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78 en die vervolgens ook in meerdere andere Poolse overleveringszaken zijn gesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 10 september 2019 heeft <emphasis role="italic">the District Court in Lublin</emphasis> antwoorden verstrekt en bij brief van 20 september 2019 heeft <emphasis role="italic">the Court of Appeal in Lublin</emphasis> antwoorden verstrekt. De antwoorden zien zowel op de rechterlijke instantie in eerste aanleg (<emphasis role="italic">the District Court in Lublin</emphasis>) als op de rechterlijke instantie in beroep (<emphasis role="italic">the Court of Appeal in Lublin</emphasis>). Zoals hiervoor overwogen, zal de toetsing van de rechtbank zich beperken tot de rechterlijke instantie in beroep (<emphasis role="italic">the Court of Appeal in Lublin</emphasis>).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal in deze zaak de tweede vraag met betrekking tot de rechterlijke instantie in beroep (<emphasis role="italic">the Court of Appeal in Lublin</emphasis>) positief beantwoorden. Op grond van de antwoorden die in deze zaak zijn verstrekt, concludeert de rechtbank dat – ook ten tijde van de beslissing in beroep – de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen betreft gevolgen konden hebben op het niveau van de rechterlijke instantie die in beroep heeft geoordeeld in de strafzaak tegen de opgeëiste persoon (vergelijk: ECLI:NL:RBAMS:2019:7161).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Toepassing in deze zaak; beantwoording vraag 3 in het beslismodel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal tot slot de derde vraag ten aanzien van de beroepsprocedure moeten beantwoorden:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zijn er, in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking  	heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op  	feiten berustende gronden om aan te nemen dat zijn grondrecht op een onafhankelijk  	gerecht is geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern  	is aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit  	waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees  	aanhoudingsbevel ten grondslag ligt?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de beantwoording van de derde vraag spitst de beoordeling door de rechtbank zich toe<?linebreak?>op hetgeen de opgeëiste persoon naar voren heeft gebracht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat hij zou zijn veroordeeld op basis van een valse getuigenverklaring van een kroongetuige. Verder heeft hij naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon geen vertrouwen heeft in de Poolse rechtspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de derde vraag ontkennend moet worden beantwoord. <?linebreak?>Ten aanzien van de aard van de strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon is vervolgd, stelt de rechtbank vast dat het commune delicten betreft. <?linebreak?>Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon dan wel het type feiten waarvoor hij is vervolgd op zodanige wijze in de bijzondere aandacht van de Poolse uitvoerende macht stond dat dit aanleiding heeft kunnen geven tot ongeoorloofde beïnvloeding van de rechter(s) die hem heeft/hebben berecht. <?linebreak?>De rechtbank beschikt ook overigens niet over informatie waaruit blijkt dat de strafzaak tegen de opgeëiste persoon bij de <emphasis role="italic">the Court of Appeal in Lublin </emphasis>negatief is beïnvloed door de eerder genoemde gebreken die in het kader van de beantwoording van de eerste en de tweede vraag zijn vastgesteld. <?linebreak?>De opgeëiste persoon heeft zijn verklaring dat hij op basis van een valse getuigenverklaring van een kroongetuige is veroordeeld, ook niet nader toegelicht. De rechtbank kent daarom aan die verklaring geen betekenis toe in de zin dat daaruit zou blijken dat de rechter(s) niet onafhankelijk heeft/hebben geoordeeld.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat er sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat in de beroepsprocedure het grondrecht op een onafhankelijk gerecht is geschonden en dat als gevolg daarvan het grondrecht op een eerlijk proces in de kern is aangetast. Noch de persoonlijke situatie, noch de aard van de strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon werd vervolgd, noch de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, geeft tot een dergelijke conclusie aanleiding. </para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>
      <?linebreak?>7.	Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu ten aanzien van de feiten I tot en met VI en VIII tot en met XVII, waarvoor de overlevering wordt gevraagd, is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor feit VII moet zij worden geweigerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank kan niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf geacht moet worden te zijn opgelegd ter zake van de feiten waarvoor de overlevering moet worden toegestaan. Een en ander staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 45, 47, 140, 282, 287, 300, 302, 312, 317 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet, 26 en 55 Wet wapens en munitie en de artikelen 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] , </emphasis>aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Lublin </emphasis>(Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, dat is opgelegd wegens de feiten I tot en met VI en VIII tot en met XVII.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT </emphasis>de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] , </emphasis>voor zover het EAB betrekking heeft op het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd wegens feit VII.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. I. Verstraeten-Jochemsen,  			                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. N.M. van Waterschoot en R. Godthelp,				   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten,		                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 10 oktober 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>