<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:7848</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-25T15:39:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-10-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-751430-19       RK 19-3020</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:7848">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:7848</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-25T11:23:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:7848 Rechtbank Amsterdam , 22-10-2019 / 13-751430-19       RK 19-3020</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:7848:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Polen, overlevering toegestaan voor tenuitvoerlegging van één vonnis en geweigerd voor het andere op grond van artikel 12 OLW. Gelijkstelingsverweer verworpen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:7848:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: : 13/751430-19</para>
      <para>RK nummer: 19/3020</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 22 oktober 2019 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 mei 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 18 oktober 2018 door <emphasis role="italic">the District Court in Koszalin II Criminal Department</emphasis>, Polen, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] , Polen, op [geboortedag] 1993, </para>
      <para>	ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>	[BRP-adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 oktober 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. <?linebreak?>De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.W. Wurpel, advocaat te Den Bosch en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van twee voor tenuitvoerlegging vatbare vonnissen, beide gewezen door the Local Court in Koszalin en daterend van respectievelijk 9 februari 2012 (zaaksnummer X K 1458/11) en 10 september 2014 (zaaksnummer X K 1152/13).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen voor de duur van, respectievelijk, acht maanden (X KL 1458/11) en van één jaar en twee maanden (X K 1152/13), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, Polen. </para>
      <para>Van deze straffen resteren volgens het EAB nog, respectievelijk, zeven maanden en 28 dagen </para>
      <para>(X KL 1458/11) en één jaar en twee maanden (X K 1152/13). <?linebreak?>De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">XK 1458/11</emphasis>
      </para>
      <para>Dit vonnis betreft het feit zoals dat als volgt is omschreven in onderdeel e) van het EAB:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">On 22 October 2011 in Koszalin, against the provisions of the law he was in possession of a psychotropic substance in the form of amphetamine in the amount of 1.387 grams.</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">X K 1152/13</emphasis>
        <?linebreak?>Dit vonnis betreft twee feiten die als volgt zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB<?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">On 4 August 2013 in Koszalin in Zwycięstwa Street, acting together and in collaboration with an established individual, after hitting [naam 1] with his fist against the face and on the head with a beer bottle he participated in assault and battery of the aforesaid person</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">putting [naam 1] under threat of immediate danger of loss of life or serious bodily</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">injury, whereas by hitting [naam 1] with a beer bottle on the head he caused bodily</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">injury in the form of fracture of the left temporal and parietal bone, a brain haematoma in</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">the left temporal-parietal area, a cut wound of the left nasal area, which violated the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">functioning of the victim’s body organs for a period exceeding 7 days by which he acted to the detriment of [naam 1] .</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">On 15 August 2013 in Koszalin, using inattention of the informant he took with the aim of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">appropriation a purse containing an Apple Iphone 5 mobile phone, a Nokia 7373 Nokia</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">mobile phone, two chargers for mobile phones, a wallet containing money in the amount of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">PLN 50, an ID document, a Lloyds credit card, a washbag containing different cosmetics,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Pull&amp;Bear shoes, a set of keys, all worth PLN 1810 to the detriment of [naam 2] and [naam 3]</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic"> , parents of the juvenile [naam 4] represented by [naam 5] .</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Is de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW aan de orde?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">X K 1152/13</emphasis>
        <?linebreak?>In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis met zaaksnummer X K 1152/13 heeft geleid.<?linebreak?>Met betrekking tot dit vonnis is de weigeringsgrond dan ook niet aan de orde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">X K 1458/11</emphasis>
        <?linebreak?>Dit geldt niet zonder meer voor het vonnis met zaaksnummer X K 1458/11.<?linebreak?>In het EAB staat onder D: <emphasis role="italic">‘no, the person failed to appear personally at the hearing when the order was given’.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para>In het EAB onder D 2 staat de volgende toelichting:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">the summons with the copy of the indictment against [naam 6] was sent to the sentenced person through postal service to the address indicated as the address for servings. Despite a double notice left at the place of stay he failed to pick up the letter, which according to the Polish criminal procedure is regarded as effective serving. During the first questioning in the case the sentenced person was instructed that if, without providing the court with the new address he changed his place of stay or did not reside under the given address then the correspondence sent to that last known address would be regarded as served.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [naam 6] knew about the ongoing criminal proceedings before the court and about the fact that a sentence would be passed in his case because he had previously agreed its content with the prosecutor as part of the institution of voluntary subjection to punishment (art.335§1of the Code of Criminal Procedure). He was personally instructed about the possibility for such an agreed sentence to be passed in his absence to which he agreed, as well as the rules of appealing to such an order. Due to the mode of passing the sentence (voluntary subjection to punishment) the order is not regarded as in-absentia one.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de overlevering voor de tenuitvoerlegging van het vonnis van 9 februari 2012 met referentienummer X K 1458/11, geweigerd moet worden. </para>
      <para>
        <?linebreak?>De rechtbank overweegt daartoe het volgende.<?linebreak?>Nadat de opgeëiste persoon met de officier van justitie in Polen een overeenkomst had gesloten met betrekking tot de te verwachten bewezenverklaring en de strafoplegging, is het vonnis gewezen waarbij een Poolse rechter de tussen de officier van justitie en de opgeëiste persoon overeengekomen straf heeft bekrachtigd. De opgeëiste persoon is als verdachte niet in persoon verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid, terwijl de in artikel 12, aanhef, onder a, b en c OLW genoemde omstandigheden zich niet hebben voorgedaan. <?linebreak?>In een dergelijke situatie biedt de Poolse wetgeving niet de mogelijkheid een verklaring te verstrekken als bedoeld in artikel 12, aanhef, onder d OLW. <?linebreak?>Het is vaste rechtspraak van deze rechtbank en kamer<footnote-ref linkend="_42fd456e-4f10-479e-9bf6-ba3698a0f7e5" /> dat een dergelijk vonnis wordt aangemerkt als een verstekvonnis waarop de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. <?linebreak?>Dat de Poolse rechter bij zijn uitspraak de met de officier van justitie gemaakte afspraak heeft gevolgd, doet daar niet aan af. <?linebreak?>Een dergelijke overeenkomst levert geen afstand van het recht om ter terechtzitting te verschijnen op.</para>
      <para>Met betrekking tot dit vonnis wordt de overlevering geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om die reden zal de rechtbank zich in deze uitspraak verder beperken tot bespreking van het vonnis van <emphasis role="italic">the Local Court in Koszalin</emphasis> van 10 september 2014, met referentienummer X K 1152/13.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">X K 1152/13:</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid, feiten waarvoor de toets van dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">poging tot zware mishandeling</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">diefstal.</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank merkt op dat in het EAB onder e II met betrekking tot het tweede feit (beschreven onder E.2.III) staat vermeld dat dit feit naar Pools recht kan worden gekwalificeerd als een ‘<emphasis role="italic">offense against property and against the credibility of documents’</emphasis>, maar van dit laatste is de rechtbank niet gebleken, gelet op de feitsomschrijving in het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Gelijkstellingsverweer  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft de Poolse nationaliteit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft bepleit dat de opgeëiste persoon gelijk wordt gesteld aan een Nederlands onderdaan en heeft betoogd dat hij recht heeft op een terugkeergarantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid OLW. De raadsman heeft voorafgaand aan de zitting en tijdens de zitting aan de rechtbank stukken overgelegd waaruit kan blijken dat de opgeëiste persoon sinds 2011 werkzaam is in Nederland. Hij is te beschouwen als geworteld in Nederland en heeft zich inmiddels ook ingeschreven in de basisregistratie personen en zijn zorgpremie wordt betaald. De opgeëiste persoon geniet een duurzaam onafgebroken en rechtmatig verblijf in Nederland, aldus de raadsman. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen.<?linebreak?>Om de vraag te beantwoorden of een opgeëiste persoon op grond van artikel 6, vijfde lid, OLW gelijk kan worden gesteld met een Nederlander overweegt de rechtbank het volgende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is aan de opgeëiste persoon om het beroep op gelijkstelling te onderbouwen en aan te tonen dat hij in de vijf jaar voorafgaand aan de uitspraak van de rechtbank onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. <?linebreak?>Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank kan een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gelijkgesteld worden. Een duurzaam verblijfsrecht behoeft niet te worden aangetoond door overlegging van een document (een bewijs van inschrijving in de basisregistratie personen). Dit kan ook door aan te tonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht wordt voldaan. <?linebreak?>De opgeëiste persoon is daar naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank constateert dat uit de overgelegde gegevens, die wat betreft de jaaropgaven niet volledig zijn, volgt dat de opgeëiste persoon in de afgelopen jaren minder heeft verdiend dan de helft van de toepasselijke norm volgens de sociale bijstandswetgeving en dat niet is gebleken dat hij zich in die periode heeft ingeschreven als (aanvullend) werkzoekende of anderszins aanvullende inspanningen op de arbeidsmarkt heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aangetoond dat de opgeëiste persoon in het jaar 2013 zijn werknemerschap volgens de verblijfsrichtlijn van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft behouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank niet is aangetoond dat het verblijf van de opgeëiste persoon in Nederland gedurende een periode van vijf aaneengesloten jaren duurzaam, onafgebroken en rechtmatig is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het aanbod van de opgeëiste persoon om te zoeken naar extra gegevens (zoals jaaropgaven) wijst de rechtbank af. Dat aanbod was niet alleen te laat, maar vooral ook te weinig concreet. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding het gesloten onderzoek te heropenen en voor enige tijd te schorsen.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Het beroep op gelijkstelling met een Nederlander wordt afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">X K 1458/11:</emphasis>
        <?linebreak?>Voor de tenuitvoerlegging van het vonnis van 9 februari 2012 gewezen door <emphasis role="italic">the Local Court in Koszalin</emphasis> moet zoals gezegd de overlevering worden geweigerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">X K 1152/13:</emphasis>
        <?linebreak?>Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld bij vonnis van <emphasis role="italic">the Local Court in Koszalin</emphasis> van 10 september 2014 en waarvoor de overlevering wordt gevraagd, is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, moet de overlevering voor die feiten  worden toegestaan. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 45, 302 en 310 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 Overleveringswet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">X K 1458/11:</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">WEIGERT </emphasis>de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> voor zover het EAB betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf die is opgelegd bij het vonnis, gewezen door <emphasis role="italic">the Local Court in Koszalin</emphasis> op 9 februari 2012.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">X K 1152/13:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the District Court in Koszalin II Criminal Department</emphasis>, Polen, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de  vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, opgelegd bij het vonnis van <emphasis role="italic">the Local Court in Koszalin</emphasis> van 10 september 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,  				                         		            voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.A.A.G. de Vries en M.E.M. James-Pater,                   				   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van L.C. Werkman,		                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 22 oktober 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_42fd456e-4f10-479e-9bf6-ba3698a0f7e5" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld Rechtbank Amsterdam d.d. 27 juli 2010, ECLI:RBAMS:2010:BN4369.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>