<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:7338</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-21T12:09:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-09-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/741044-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:7338">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:7338</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-21T11:08:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:7338 Rechtbank Amsterdam , 05-09-2019 / 13/741044-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:7338:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vrijspraak van straatroof, veroordeling tot gevangenisstraf van 2 maanden voor vernieling en voorhanden hebben heroïne en cocaïne.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:7338:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">VONNIS</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummers: 13/741044-19 (A) en 13/225261-18 (B) </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 5 september 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,</para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres]</para>
      <para> , gedetineerd in het Huis van Bewaring [plaats detentie] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 augustus 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G. Dankers, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. N.M. van Wersch, naar voren hebben gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van zaak A</emphasis>
      </para>
      <para>diefstal in vereniging met geweld in de voor de nachtrust bestemde tijd van een tas met inhoud van [persoon 1] , door hem onder andere tegen het lichaam en/of in het gezicht te slaan of te stompen, hem een of meer stootslag(en) tegen het lichaam of het gezicht te geven en hem tegen het lichaam of in het gezicht te schoppen, op 14 mei 2019 te Amsterdam;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van zaak B</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>mishandeling van [persoon 2] door hem tegen het gezicht te slaan/stompen op 4 november 2018 te Amsterdam;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernieling van een ruit van [persoon 3] en/of woningcorporatie Eigenhaard op 5 november 2018 te Amsterdam;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernieling van een ruit van [persoon 3] en/of woningcorporatie Eigenhaard op 11 november 2018 te Amsterdam;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>aanwezig hebben van 0,05 gram cocaïne en 2,73 gram heroïne op 11 november 2018 te Amsterdam.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Waardering van het bewijs</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zowel ten aanzien van zaak A als ten aanzien van zaak B onder 1 gerekwireerd tot vrijspraak.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de in zaak B onder 2 en 3 ten laste gelegde vernielingen en het onder 4 ten laste gelegde voorhanden hebben van drugs kunnen worden bewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de in zaak A en in zaak B onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van de in zaak B ten laste gelegde vernielingen heeft de raadsman aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’ de bijnaam is van verdachte, te meer nu het een veelvoorkomende bijnaam is. De door ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’ verstuurde berichten kunnen ook door een ander dan verdachte zijn verstuurd, omdat de betreffende telefoon werd uitgewisseld, aldus verdachte. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft het voorhanden hebben van de drugs bekend, waardoor het in zaak B onder 4 ten laste gelegde kan worden bewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Vrijspraak ten aanzien van zaak A en ten aanzien van zaak B onder 1</emphasis>
        </para>
        <para>Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op grond van het onderhavige strafdossier niet kan worden bewezen dat verdachte betrokken was bij de in zaak A ten laste gelegde straatroof, zodat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ook acht de rechtbank – met de officier van justitie en de verdediging – niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de in zaak B onder 1 ten laste gelegde mishandeling van [persoon 2] , zodat verdachte ook daarvan dient te worden vrijgesproken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Bewijsoverwegingen ten aanzien van de in zaak B onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten</emphasis>
        </para>
        <para>Het verweer inhoudende dat niet is komen vast te staan dat de persoon die ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’ of ‘ [bijnaam 2 verdachte] ’ wordt genoemd dezelfde persoon is als verdachte, wordt verworpen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. [persoon 2] heeft verklaard dat hij de persoon die de ruiten heeft vernield op het adres [adres 1] op 11 november 2018 heeft herkend als [bijnaam 2 verdachte] . Hij heeft verklaard dat [bijnaam 2 verdachte] slechts een bijnaam is van die persoon en dat hij de echte naam van [bijnaam 2 verdachte] niet kent. Wel weet hij dat [bijnaam 2 verdachte] woont in de [straatnaam] ter hoogte van het portiek met huisnummers 250-268 en een zus heeft die [zus van verdachte] heet. Verdachte blijkt op dit adres te wonen en heeft ter terechtzitting verklaard een zus te hebben die [zus van verdachte] heet. Getuige [getuige] heeft vanuit zijn woning aan de [adres 2] op 11 november 2018 een harde bonk gehoord en heeft daarna gezien dat een jongen in een donkerblauwe joggingbroek met een rode streep aan de zijkant en een jas met capuchon wegrende. Dit signalement komt overeen met de kleding waarin verdachte op 11 november 2018 is aangehouden, te weten een zwarte trainingsbroek met een rode streep aan de zijkant en een jas met capuchon. Ten slotte heeft aangever berichten ontvangen van het nummer [telefoonnummer] dat hij kent als het nummer van die [bijnaam 2 verdachte] . Die berichten bevatten onder meer de tekst “hele raam gaat naar beneden”. Bij verdachte is een telefoon in beslag genomen met datzelfde telefoonnummer. Verdachte heeft tegenover de verbalisanten verklaard dat dat zijn telefoon is.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht op grond van de aangiften, de getuigenverklaring van [getuige] en de bevindingen van verbalisanten bewezen dat verdachte de in zaak B onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van het in zaak B onder 4 ten laste gelegde</emphasis>
        </para>
        <para>Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het in zaak B onder 4 ten laste gelegde kan worden bewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Bewezenverklaring</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat, acht de rechtbank bewezen dat verdachte </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van zaak B onder 2</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">op 5 november 2018 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning ( [adres 1] ), toebehorende aan woningcorporatie Eigenhaard, heeft vernield; </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van zaak B onder 3</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">op 11 november 2018 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning ( [adres 1] ), toebehorende aan woningcorporatie Eigenhaard, heeft vernield;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van zaak B onder 4</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">op of omstreeks 11 november 2018 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">- een koffiefilter bevattende 0,05 gram cocaïne en</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- een zakje bevattende 2,73 gram heroïne.</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid van de feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Strafbaarheid van verdachte</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>7</nr>Motivering van de straf</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan gekoppeld de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een taakstraf zou moeten worden opgelegd, omdat hij daar meer van leert en hij op die manier een dagbesteding heeft. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee vernielingen van ruiten van een woning. Het doel van verdachte was om aangever [persoon 2] te intimideren door de ruiten van de woning waar diens zus woont, te vernielen. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. Daarnaast heeft verdachte  blijk gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van verdovende middelen. Verdovende middelen zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen en kunnen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid vormen. In deze zaak is dat in het bijzonder van belang nu uit het strafdossier blijkt dat verdachte de aangever [persoon 2] , een ex-junk, verslaafd probeerde te houden door dreigementen naar hem te uiten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie van 19 juli 2019 blijkt dat verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Dat weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee bij de strafoplegging.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf geen recht doet aan de ernst van de feiten en zal daarom een gevangenisstraf van na te melden duur aan verdachte opleggen. </para>
        <para>De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van bijzondere voorwaarden, en daarmee geen aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Vorderingen van de benadeelde partijen </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van de vordering van [persoon 2] </emphasis>
      </para>
      <para>De benadeelde partij [persoon 2] vordert € 449,86 aan materiële schadevergoeding en </para>
      <para>€ 350,00 aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie en de raadsman stellen zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu zij zich op het standpunt stellen dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding, omdat ten aanzien van zaak B onder 1 aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van de vordering van [persoon 3] </emphasis>
      </para>
      <para>De benadeelde partij [persoon 3] vordert € 200,00 aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter onderbouwing hiervan heeft zij aangevoerd dat zij ten gevolge van de vernielingen van haar ruiten een paniekaanval heeft gehad en dat zij ook na het feit angstig is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu verdachte moet worden vrijgesproken van de in zaak B onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. Vooropgesteld moet worden dat ook bij andere aantastingen in de persoon dan het toebrengen van lichamelijk letsel een vergoeding voor immateriële schade kan worden toegekend. Uitgangspunt is dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Gevoelens van angst kunnen onder het bereik van art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek vallen, en daarmee voor vergoeding in aanmerking komen. Er moeten dan wel voldoende concrete gegevens worden aangevoerd waaruit kan volgen dat in verband met het feit – in casu de vernielingen – psychische schade is ontstaan. Bij gebrek aan een nadere onderbouwing kan niet worden gesproken van geestelijk letsel als bedoeld in de wet. De door de benadeelde partij gevorderde schade komt daarmee niet voor vergoeding in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het onder zaak A ten laste gelegde en het in zaak B onder 1 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak B onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen verklaarde levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van zaak B onder 2 en 3:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">vernieling, meermalen gepleegd;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van zaak B onder 4:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het bewezene strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart verdachte, <emphasis role="bold">[verdachte]</emphasis>, daarvoor strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van <emphasis role="bold">2 (twee) maanden</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf <emphasis role="bold">in mindering</emphasis> gebracht zal worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart de <emphasis role="bold">benadeelde partijen [persoon 3]</emphasis> en <emphasis role="bold">[persoon 2] niet-ontvankelijk</emphasis> in hun vorderingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door </para>
      <para>mr. R.A.J. Hübel, 									    voorzitter,</para>
      <para>mrs. I. Mannen en H.E. Hoogendijk,		 					       rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. K.P. Jit,	 					         griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 september 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [(...)]
        </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>