<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:7218</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-10T11:37:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-08-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">RK 19/4421</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_strafprocesrecht">Strafrecht; Strafprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:7218">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:7218</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-08T16:16:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:7218 Rechtbank Amsterdam , 01-08-2019 / RK 19/4421</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:7218:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Klaagschrift ex art. 164 lid 8 WVW 1994. Gegrond ivm persoonlijke omstandigheden. Laat onverlet dat rechter later anders kan oordelen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:7218:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="dbf74ba7-911f-4cf7-9d16-4d45f9bcca6d" depth="16" width="551" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>beschikking</para>
  <section>
    <title>RECHTBANK AMSTERDAM</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Publiekrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Teams Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 96/174044-18</para>
      <para>RK: 19/4421</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beschikking op het klaagschrift ex artikel 164 lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) van:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [klager],</title>
    <para>geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats], wonende op het adres [adres 1],</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>ter zake woonplaats kiezende op het adres van zijn raadsman mr. J.J. van ’t Hoff, [adres 2], </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>klager.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>De procesgang</title>
    <para>Het klaagschrift is op 25 juli 2019 bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 1 augustus 2019 de (waarnemend) gemachtigd raadsman van klager, mr. M. Draaijers, advocaat te Tilburg, en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Klager is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet in openbare raadkamer verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De inhoud van het klaagschrift</title>
    <para>Het klaagschrift strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Klager heeft in zijn klaagschrift betoogd zijn rijbewijs dringend nodig te hebben voor zijn werk en – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. Klager verricht als ZZP-er allround timmerwerkzaamheden op diverse locaties. Om zijn werk te kunnen doen, dient hij te beschikken over diverse materialen en gereedschappen. Deze dient hij daar te krijgen met zijn bus. Daarnaast dient hij diverse klanten te bezoeken voor het opnemen van offertes. Daarnaast is klager als glazenzetter werkzaam in de buitendienst bij een glashandel. Ook deze werkzaamheden vinden plaats op diverse locaties, waarbij klager diverse gereedschappen mee moet nemen om zijn werk te kunnen doen. Zonder rijbewijs is het niet mogelijk om zijn werk te verrichten. Alternatieve vervoermiddelen bestaan niet, nu klager zijn materiaal mee moet nemen en op diverse locaties per dag moet zijn. Bovendien verricht klager zijn werk op diverse locaties in gebieden waar geen of zeer beperkt openbaar vervoer is. Vrienden hebben hun eigen werkzaamheden, zodat ook zij niet kunnen worden ingeschakeld. Een chauffeur is te kostbaar. Zonder werkzaamheden verliest klager inkomsten en vreest hij verlies van opdrachtgevers. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In raadkamer heeft de raadsman van klager voorts nog aangevoerd dat niet alleen klager wordt gedupeerd door de inhouding van zijn rijbewijs, maar dat ook de glashandel waarvoor hij werkzaamheden verricht, niet verder kan met hun werkzaamheden en sluiting van hun zaak vrezen.</para>
      <para>Tot slot is aangevoerd dat klager, naast onderhavige strafzaak, ook nog via het CBR een kostbare cursus zal moeten doen, waardoor hij ook en nogmaals wordt gewaarschuwd een dergelijke overtreding niet meer te begaan. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het standpunt van het Openbaar Ministerie</title>
    <para>De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs aan klager indien dit op dit moment zou gebeuren en heeft daartoe aangevoerd dat – gelet op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de oriëntatiepunten van het LOVS – ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan klager in geval van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking, een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, van langere duur dan de tijd gedurende die het rijbewijs is ingevorderd en ingehouden geweest en dat het persoonlijk belang van klager niet opweegt tegen het algemeen belang, waaronder de verkeersveiligheid, dat met verdere inhouding is gediend. De officier van justitie heeft desgevraagd verklaard een eventuele teruggave van het rijbewijs per 1 oktober 2019 wel redelijk te vinden. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De beoordeling</title>
    <para>Tegen klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8 lid 2 WVW 1994, gepleegd te Amsterdam op 19 juli 2019. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het proces-verbaal houdt onder meer in dat de uitslag van het bij klager afgenomen ademonderzoek 695 µg/l (microgram alcohol per liter uitgeademde lucht) bedroeg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 19 juli 2019 is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van klager ingevorderd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 22 juli 2019 heeft de officier van justitie beslist dat het rijbewijs uiterlijk – 6 maanden – tot 15 januari 2020 wordt ingehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) van 29 juli 2019 blijkt onder meer dat klager in 2002 is veroordeeld wegens overtreding van artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Voor een soortgelijke overtreding is hem in 2000 een transactie opgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is nog onbekend wanneer de strafzaak tegen klager behandeld zal worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 lid 4 WVW 1994 rechtmatig, omdat het vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van klager hoger was dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht en niet is gebleken dat de officier van justitie niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht, gelet op de ernst van de verdenking, het feit dat het rijbewijs op dit moment nog maar zeer kort is ingehouden, en het algemeen belang van verkeersveiligheid, gegrondverklaring van het klaagschrift thans niet aan de orde. </para>
      <para>Gelet op de persoonlijke omstandigheden van klager is echter niet uitgesloten dat de strafrechter ruimte ziet een inhouding van het rijbewijs voor een kortere duur te compenseren met een (hogere) boete, taakstraf of het opleggen van een gedeeltelijk voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, zodat klager zijn rijbewijs terug dient te krijgen met ingang van 1 oktober 2019. Dit laat onverlet de mogelijkheid voor de strafrechter om later alsnog een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen die de duur van inhouding overtreft. Het beklag zal gegrond verklaard worden, voor zover het rijbewijs van klager wordt ingehouden na 1 oktober 2019. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beklag <emphasis role="bold underline">gegrond</emphasis>, voor zover de inhouding van het rijbewijs van klager voortduurt tot na 1 oktober 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank gelast de teruggave van het rijbewijs aan klager, met ingang van 1 oktober 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door</para>
      <para>mr. C.M. Degenaar, 	rechter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M.H. Ettema, 	griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze beslissing staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>