<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:68</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-11T14:12:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-01-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751790-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:68">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:68</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-11T14:08:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:68 Rechtbank Amsterdam , 04-01-2019 / 13/751790-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:68:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB Hongarije, artikel 12 OLW, verzetgarantie, levenslange gevangenisstraf, detentieomstandigheden</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:68:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751790-18</para>
      <para>RK nummer: 18/6857</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 4 januari 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 oktober 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 9 mei 2018 door <emphasis role="italic">the Regional Court of Miskolc</emphasis> (Hongarije) strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] , </emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1966, </para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in [detentieadres] ,  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 4 december 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 december 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. </para>
      <para>De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Hongaarse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek op die zitting geschorst voor onbepaalde tijd om – kort gezegd – de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aanvullende informatie op te vragen in het kader van een mogelijke levenslange gevangenisstraf. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 21 december 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 21 december 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. </para>
      <para>De opgeëiste persoon is opnieuw bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Hongaarse taal. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon 		</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van <emphasis role="italic">the Regional Court of Miskolc</emphasis> van <?linebreak?>20 april 2017, met kenmerk: 10.B.27/2016/126 en een beslissing in hoger beroep van <?linebreak?>15 november 2017 van <emphasis role="italic">the Court of Appeal of Debrecen</emphasis>, met kenmerk: Bf.I.501/2017/6.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 10 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vervolging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze procedure betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW en de levenslange gevangenisstraf</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.1.1.</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inhoud van de stukken</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer het volgende in:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Indicate if the person appeared in person at the trial resulting in the decision:</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <para>
          <emphasis role="italic">2. [X] No, the person did not appear in person at the trial resulting in the decision.</emphasis>
        </para>
        <para />
        <para>
          <emphasis role="italic">3. If you have ticked the box under point 2, please confirm the existence of one of the following:</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">[X] 3.4 the person was not personally served with the decision, but</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">- the person will be personally served with this decision without delay after the surrender, and</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">- when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed, and</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">- the person will be informed of the timeframe within which he or she has to request a retrial or appeal, which will be … days.</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op verzoek van de officier van justitie heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 10 oktober 2018, het volgende medegedeeld ten aanzien van het recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Surrender case of [opgeëiste persoon] (born on [geboortedag] .1966) </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…) to inform that the person referred has a timeframe of one month to request a retrial or an appeal after having been surrendered and served with the decision.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Voorts heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op verzoek van de officier van justitie bij brief van 11 december 2018, het volgende medegedeeld ten aanzien van de mogelijkheid van een levenslange gevangenisstraf:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">The extradition of [opgeëiste persoon] </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…) </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Pursuant to Section 637(l)(g) of Act XC of 2017 (hereinafter: Be.), a judicial review may be requested as an individual judicial review reason if the basic case was judged against an absent accused or an accused residing abroad. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">If the accused submits the motion for judicial review, it is qualified as a motion to be submitted to the benefit of the accused, so pursuant to Section 647(4) of Be., "if the motion for judicial review was submitted to the benefit of the accused, the provisions of the restriction against severity shall be applied as appropriate at the time of delivering the new decision". </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">By collating the above decisions, it can be established that in the procedure to be conducted based on the judicial review submitted to the benefit of the accused no higher punishment - life imprisonment - shall be ordered. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <para />
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.2.</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De raadsman heeft zich – naar de rechtbank begrijpt – op het standpunt gesteld dat de verzetgarantie als verstrekt in het EAB en nader ingevuld bij voornoemde brief van <?linebreak?>10 oktober 2018, gelet op de brief van 11 december 2018, niet langer onvoorwaardelijk is. In de brief van 11 december 2018 wordt gesproken over een “<emphasis role="italic">judicial review</emphasis>” die “<emphasis role="italic">may be requested</emphasis>’, met andere woorden de mogelijkheid tot het verzoeken om een “herziening”. Deze formulering duidt niet op een (onvoorwaardelijke) verzetgarantie.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.3.</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank stelt ten eerste vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 sub a tot en met c OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.  </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op grond van artikel 12 sub d OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat </para>
        </parablock>
        <para />
        <para>( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en </para>
        <para />
        <para>( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Naar het oordeel van de rechtbank voldoet voornoemde verklaring – in samenhang met de brief van 10 oktober 2018 – aan de eisen van artikel 12 sub d OLW. </para>
          <para>De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de formulering in de brief van 11 december 2018 niets aan voornoemde verklaring afdoet. De brief van 11 december 2018 gaat alleen in op de vraag of de mogelijkheid bestaat dat de opgeëiste persoon – na het instellen van verzet of hoger beroep – wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Deze brief heeft geen betrekking op het recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep. De verzetgarantie is onverminderd van kracht. Daarom is de in artikel 12 OLW bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Voorts is de rechtbank – met de raadsman en de officier van justitie – van oordeel dat de mogelijkheid dat de opgeëiste persoon wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf door de brief van 11 december 2018 is weggenomen. </para>
        </parablock>
        <para />
        <para />
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 14, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	moord en doodslag, zware mishandeling.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Detentieomstandigheden  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de informatie van de Hongaarse autoriteiten van 6 november 2018 blijkt dat de opgeëiste persoon in Hongarije zal worden geplaatst in de penitentiaire instelling van <emphasis role="italic">Szombathely</emphasis> of <emphasis role="italic">Tiszalök</emphasis>. De rechtbank heeft geen bewijzen zoals bedoeld in punt 88 van het arrest Aranyosi en Căldăraru<footnote-ref linkend="_d9448201-025b-419a-8bd0-d906e52eb97b" />, dat personen die in hetzij de gevangenis in Szombathely hetzij de gevangenis in Tiszalök gedetineerd zijn in het algemeen een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling lopen. De conclusie is daarom dat artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet in de weg staat aan de verzochte overlevering.</para>
      <para>De rechtbank verwijst in dit verband naar haar eerdere uitspraken (zie o.a.: ECLI:NL:RBAMS:2016:4966, ECLI:NL:RBAMS:2017:6707, ECLI:NL:RBAMS:2017:7304 en ECLI:NL:RBAMS:2018:1675).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW, en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court of Miskolc</emphasis> ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. R.A.J. Hübel,	  				                     		    voorzitter,</para>
      <para>mrs. C.A. van Dijk en E.G. Fels,                     					       rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman,	               	              	        griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 4 januari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_d9448201-025b-419a-8bd0-d906e52eb97b" label="1">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>