<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:6683</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-01-07T16:51:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-09-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 19/628</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:6683">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:6683</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-01-07T16:50:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-01-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:6683 Rechtbank Amsterdam , 12-09-2019 / AMS 19/628</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:6683:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Chavez-Vilchez; zorgrelatie en afhankelijkheidsverhouding</para>
        <para>Eiser heeft een aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 gedaan. De rechtbank heeft ten eerste geoordeeld dat verweerder het juiste toetsingskader hanteert, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 mei 2020. Verder heeft de rechtbank met verweerder geoordeeld dat geen sprake is van de zorgrelatie tussen eiser en zijn dochter, zoals is bedoeld in het Chavez-Vilchez arrest. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en zijn dochter, dat zijn dochter zou worden het grondgebied van de EU te verlaten als eiser geen verblijfsrecht krijgt. Het beroep is ongegrond.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:6683:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 19/628</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] , te [plaatsnaam] , verzoeker,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [naam] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de burgemeester van de gemeente Amsterdam, verweerder.</bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft op 28 januari 209 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 7 januari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij e-mail van 21 februari 2019 en brief van 19 juni 2019 heeft [naam] , advocaat te [plaatsnaam] , het verzoek ingetrokken en aanspraak gemaakt op vergoeding van de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Desgevraagd heeft verweerder op 2 april 2019 een verweerschrift ingediend ter zake het verzoek om vergoeding van de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft bij brief van 5 april 2019 op het verweerschrift gereageerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft bij brief van 12 april 2019 een zienswijze ingezonden op de reactie van verzoeker. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat partijen toestemming hebben gegeven om zonder zitting op het verzoek om vergoeding van de proceskosten uitspraak te doen, is het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Ingevolge de artikelen 8:84, vijfde lid, en 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, in geval van intrekking van het verzoek omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld.</para>
    <para />
    <para>2. Ingevolge artikel 8:82, vierde lid, van de Awb wordt, indien het verzoek wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de belanghebbende tot wie het bestreden besluit is gericht, aan de voorzieningenrechter schriftelijk heeft medegedeeld de uitvoering van het bestreden besluit hangende de procedure met betrekking tot de hoofdzaak op te schorten, dan wel de gevraagde voorlopige maatregelen te zullen nemen, het betaalde griffierecht door de griffier terugbetaald. In het vijfde lid is bepaald dat de uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk door het bestuursorgaan wordt vergoed. </para>
    <para />
    <para>3. Verzoeker heeft bij de intrekking van het verzoek verzocht om vergoeding van de proceskosten, bestaande uit de forfaitaire vergoeding. Verzoeker heeft eveneens verzocht om een forfaitaire vergoeding voor de voorbereiding van de zitting van 22 februari 2019.</para>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aan het verzoek om een voorlopige voorziening is tegemoetgekomen. Verweerder heeft daartoe gesteld dat het bestreden besluit niet is herroepen noch is het bezwaarschrift gegrond verklaard. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten komt ook niet voor vergoeding in aanmerking omdat de indiening van het verzoek om een voorlopige voorziening te wijten is aan verzoekers eigen handelen. Het besluit tot opheffing sluiting van 21 februari 2019 is het gevolg van een verzoek van verzoeker tot heropening. Dat zijn twee van elkaar gescheiden trajecten. Verweerder heeft daarbij verwezen naar een eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank in een soortgelijke zaak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder aan het verzoek om een voorlopige voorziening is tegemoetgekomen. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.</para>
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 7 januari 2019 een bevel tot sluiting van de woning van verzoeker voor de duur van drie maanden genomen omdat in de woning (teveel) drugs is aangetroffen. Verzoeker heeft op 28 januari 2019 een verzoek tot heropening ingediend. Bij besluit van <?linebreak?>21 februari 2019 heeft verweerder een besluit tot opheffing sluiting genomen.</para>
      <para>Verweerder heeft het besluit van 7 januari 2019 niet ingetrokken. Verweerder heeft op basis van nieuwe feiten en omstandigheden, die haar pas na het nemen van het besluit van <?linebreak?>7 januari 2019 bekend werden, besloten de sluiting van de woning met ingang van <?linebreak?>22 februari 2019 op te heffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Omdat niet aan het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is tegemoetgekomen bestaat voor terugbetaling of vergoeding van het griffierecht geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 12 september 2019 door mr. B.C. Langendoen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.P. Osinga-Sanders, de griffier,</para>
      <para>en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	</para>
      <para>						voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Coll: M.P.O.</para>
      <para>D: C</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>