<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:6583</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-16T10:04:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-09-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751551-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:6583">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:6583</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-10T12:07:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:6583 Rechtbank Amsterdam , 03-09-2019 / 13/751551-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:6583:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie- én vervolgings-EAB Polen. Verweer m.b.t. XTC/MDMA verworpen. Geen nadere vragen stellen m.b.t. Poolse rechtsstaat. Overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:6583:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751551-19</para>
      <para>RK nummer: 19/3838</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 3 september 2019  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 juni 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 31 december 2012 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Elblag, II Criminal Department</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>, </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1978,  </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in het [plaats detentie], </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 augustus 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.M. Timorason, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van de volgende voor tenuitvoerlegging vatbare vonnissen: </para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para> <emphasis role="bold">II K 441/11</emphasis>: een vonnis van 9 mei 2012 van <emphasis role="italic">the District Court in Braniewo, II Criminal Division; </emphasis></para>
      <para> <emphasis role="bold">II K 346/08</emphasis>: een <emphasis role="italic">aggregate sentence</emphasis> van 28 juli 2008 <emphasis role="italic">van the District Court in Braniewo, II Criminal Division; </emphasis></para>
      <para> <emphasis role="bold">II K 54/10</emphasis>: een vonnis van 19 maart 2010 van <emphasis role="italic">the District Court in Braniewo, II Criminal Division. </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandelingen ter terechtzitting die tot deze vonnissen hebben geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zaak <emphasis role="bold">II K 441/11</emphasis> wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 4 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zaak <emphasis role="bold">II K 346/08 </emphasis>wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2 jaar, 3 maanden en 18 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zaak <emphasis role="bold">II K 54/10</emphasis> wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar en 2 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder wordt in het EAB melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van 14 mei 2012, te weten een <emphasis role="italic">decision of the District Court in Braniewo, II Criminal Division</emphasis> (referentie: <emphasis role="bold">II K 305/12</emphasis>). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het aanhoudingsbevel en de vonnissen betreffen in totaal de 23 feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Genoegzaamheid  </emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.1.1</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw </emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De raadsvrouw heeft met betrekking tot de vonnissen <emphasis role="bold">II K 346/08 </emphasis>en <emphasis role="bold">II K 54/10</emphasis> aangevoerd dat niet duidelijk is of de betreffende XTC-pillen de stof MDMA bevatten. Het antwoord van de Poolse autoriteiten geeft hierover geen uitsluitsel. De raadsvrouw heeft gewezen op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:5782) die ziet op een executie-EAB. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank het Openbaar Ministerie de opdracht te geven hierover duidelijkheid te vragen bij de Poolse autoriteiten. De behandeling van de zaak dient om die reden te worden aangehouden. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Ook heeft de raadsvrouw aangevoerd dat met betrekking tot vonnis <emphasis role="bold">II K 346/08 </emphasis>in het EAB de indruk wordt gewekt dat mogelijk sprake is van een dubbele bestraffing. Ook vanwege deze onduidelijkheid dient de behandeling van de zaak te worden aangehouden, aldus de raadsvrouw. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.2</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat uit het antwoord van 29 juli 2019 van de Poolse autoriteiten volgt dat de XTC-pillen MDMA bevatten. Bovendien zijn de feiten in Polen bewezen verklaard en dient de uitvoerende justitiële autoriteit niet te treden in de beoordeling van het bewijs. Er is geen reden om de behandeling van de zaak aan te houden.  </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.3</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank  </emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank stelt voorop dat het IRC bij e-mail van 9 juli 2019 de volgende vraag heeft gesteld aan de Poolse justitiële autoriteiten: </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Could you inform me whether the XTC pills contain the substance MDMA? </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Bij e-mail van 29 juli 2019 heeft <emphasis role="italic">the Regional Court in Elblag, 2nd Penal Division </emphasis>die vraag als volgt beantwoord: </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">The name XTC refers to the active substance MDMA, which is synonymous with ecstasy – a drug available on the market in a form of capsules or tablets. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet op de vraagstelling en het antwoord kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat de Poolse autoriteiten in deze zaak hebben bedoeld te zeggen dat de XTC-pillen MDMA bevatten. Deze situatie verschilt van de situatie in de door de raadsvrouw aangehaalde uitspraak van deze rechtbank van 8 augustus 2017; in die zaak werd immers door de Poolse autoriteiten meegedeeld dat “niet kon worden vastgesteld dat de (…) XTC pillen de werkzame stof MDMA bevatten.” </para>
          <para>Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank heeft geconstateerd dat in onderdeel E) van het EAB na ‘4. in case <emphasis role="bold">II K 54/10</emphasis>’ bij b) achter het derde gedachtestreepje staat<emphasis role="italic">: ‘in the period from March 2009 till June 2009 he gave </emphasis>[naam] <emphasis role="italic">a psychotropic substance (…) and he committed the offence within 5 years of serving in the period from (…) an aggregate sentence of 2 years and 2 months of imprisonment and 2 years and 6 months imprisonment adjudicated by a cumulative sentence of 28.07.2008 by the District Court in Braniewo in case, file signature </emphasis><emphasis role="bold italic">II K 346/08</emphasis><emphasis role="italic"> for the offence of the article 59 paragraph 1 of the law of 29.07.2005 on prevention of drugs abuse and others.’</emphasis></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat bovenstaande tekst aldus moet worden begrepen dat het vonnis met nummer <emphasis role="bold">II K 346/08</emphasis> wordt genoemd ter onderbouwing van het feit dat sprake was van recidive. De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar lezing dat mogelijk sprake is van een dubbele bestraffing. Ook dit verweer wordt verworpen.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het in zaak <emphasis role="bold">II K 346/08</emphasis> onder feit d) weergegeven feit en de in de zaak <emphasis role="bold">II K 441/11 </emphasis>weergegeven feiten moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit deze strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 5 en 20, te weten: </para>
      </parablock>
      <para />
      <para> zaak <emphasis role="bold">II K 346/08</emphasis> onder feit d): <emphasis role="italic">illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen; </emphasis></para>
      <para />
      <para> zaak <emphasis role="bold">II K 441/11</emphasis>: <emphasis role="italic">oplichting.</emphasis></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Pools recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para> zaak <emphasis role="bold">II K 305/12</emphasis>: <emphasis role="italic">opzetheling; </emphasis></para>
      <para />
      <para> zaak <emphasis role="bold">II K 346/08</emphasis>: </para>
      <parablock>
        <para>a): <emphasis role="italic">opzettelijk gebruik maken van een vervalst identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht; </emphasis></para>
        <para>b):<emphasis role="italic"> opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd </emphasis></para>
        <para>en </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; </emphasis>
        </para>
        <para>c): <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; </emphasis></para>
        <para>e): <emphasis role="italic">handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III; </emphasis></para>
        <para>en </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para> zaak <emphasis role="bold">II K 54/10</emphasis>: </para>
      <parablock>
        <para>a): <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod </emphasis></para>
        <para>en </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; </emphasis>
        </para>
        <para>b): <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd </emphasis></para>
        <para>en</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; </emphasis>
        </para>
        <para>c): <emphasis role="italic">diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft doorschaft door middel van braak; </emphasis></para>
        <para>d): <emphasis role="italic">diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft doorschaft door middel van inklimming. </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 16 augustus 2018 (ECLI:RBAMS:2018:5925)</para>
        <para>een uitleg gegeven van het toetsingskader, gegeven bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (<emphasis role="italic">hierna: HvJ</emphasis>) van 25 juli 2018 inzake LM, C-216/18 PPU (<emphasis role="italic">hierna: het </emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">arrest</emphasis>). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In vervolg daarop heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) vastgesteld: </para>
      </parablock>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen;<?linebreak?></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast;<?linebreak?></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat om die reden concreet en nauwkeurig moet worden beoordeeld of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen;<?linebreak?></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom wordt uitgenodigd tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78, teneinde een actueel en concreet beeld te krijgen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het licht van die vaststellingen heeft de rechtbank in die zaak een aantal vragen geformuleerd en heeft zij de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om deze te beantwoorden in het kader van de te voeren dialoog en het verstrekken van de benodigde informatie. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze vragen zijn ook in de onderhavige zaak ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd. Bij brief van 11 juli 2019 zijn de vragen beantwoord door de <emphasis role="italic">District Court in Braniewo</emphasis>. De <emphasis role="italic">Regional Court in Elblag</emphasis> heeft de vragen bij brief van 29 juli 2019 beantwoord. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor zover van belang en samengevat blijkt uit de beantwoording van de vragen het volgende:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>- de toenmalige president van de <emphasis role="italic">Regional Court in Elblag</emphasis> is op 17 oktober 2017, vóór het einde van zijn termijn, ontslagen door de Minister van Justitie. Op 6 februari 2018 heeft de minister ook de toenmalige president van de <emphasis role="italic">District Court in Braniewo</emphasis> ontslagen, eveneens vóór het einde van diens termijn;</para>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>in de <emphasis role="italic">Regional Court in Elblag</emphasis> wordt in strafzaken geen uitspraak gedaan door <emphasis role="italic">assistents of the judges. </emphasis>In de<emphasis role="italic"> District Court in Braniewo </emphasis>is een <emphasis role="italic">associate judge</emphasis> aangesteld die rechtspreekt in strafzaken; <?linebreak?></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>sinds het moment van de invoering van wetswijzigingen in 2017 is er een disciplinaire procedure gestart tegen de voormalige president van de <emphasis role="italic">Regional Court in Elblag</emphasis>. Deze procedure is nog niet afgerond. In de <emphasis role="italic">District Court in Braniewo</emphasis> zijn er geen disciplinaire procedures geweest tegen presidenten, vice-presidenten en hoofden van de gerechtelijke afdelingen;</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <para>- in de <emphasis role="italic">Regional Court in Elblag </emphasis>en de <emphasis role="italic">District Court in Braniewo</emphasis> hebben geen schriftelijke vermaningen door de Minister van Justitie aan een president van een rechtbank plaatsgevonden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Daarnaast is het de rechtbank uit informatie vanuit andere rechterlijke colleges in Polen bekend dat er op 15 februari 2019 drie ‘buitengewoon beroep’-procedures aanhangig zijn gemaakt door de Minister van Justitie en de Ombudsman. Hierin is door het Hooggerechtshof nog geen beslissing genomen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon heeft op de zitting van 20 augustus 2019 aangevoerd dat hij in contact staat met een advocaat in Polen, die het Poolse strafdossier heeft ingezien. De Poolse advocaat heeft de opgeëiste persoon meegedeeld dat de rechter die zijn zaak zal gaan beoordelen, naar alle waarschijnlijkheid een samengesteld vonnis zal gaan wijzen en dat de hoogte van de straf zeker niet in het voordeel van de opgeëiste persoon zal uitvallen. De betreffende Poolse rechter heeft de opgeëiste persoon al eerder strafrechtelijk veroordeeld en is op de hoogte van het feit dat de opgeëiste persoon zijn straf niet heeft uitgezeten. De rechter zal bevooroordeeld zijn en geen juiste uitspraak doen.  </para>
        <para>Vanwege zijn criminele verleden in Polen is de opgeëiste persoon bovendien bang om naar een Poolse gevangenis te worden overgebracht. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de door de <emphasis role="italic">District Court in Braniewo</emphasis> en de door de <emphasis role="italic">Regional Court in Elblag</emphasis> gegeven antwoorden zorgwekkend zijn. Gelet daarop moet de overlevering primair worden geweigerd. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om de Poolse autoriteiten in staat te stellen om volledige antwoorden te geven op de vragen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de tweede vraag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van de derde vraag stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat er geen informatie voorhanden is op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat in dit concrete geval de opgeëiste persoon geen eerlijk proces krijgt na overlevering aan Polen. De overlevering van de opgeëiste persoon kan dan ook worden toegestaan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Zoals onder 5.1 weergegeven heeft de rechtbank in haar uitspraak van 4 oktober 2018 de eerste vraag van het toetsingskader dat uit het arrest van het HvJ voortvloeit, bevestigend beantwoord. </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.4.1</nr>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beantwoording van de tweede vraag</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank beantwoordt de tweede vraag, namelijk of de vastgestelde structurele gebreken</para>
          <para>negatieve gevolgen <emphasis role="italic">kunnen</emphasis> hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen, eveneens bevestigend.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Daarbij neemt de rechtbank naast de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit ook de inhoud van de reeds bij haar tussenuitspraak van 4 oktober 2018 genoemde rapportages en voorstellen in aanmerking. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de volgende rapportages betreffende de ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat in Polen:  </para>
        </parablock>
        <para />
        <itemizedlist mark="-">
          <listitem>
            <para>Association of Judges “Themis”: <emphasis role="italic">Judges under special supervision, that is “the great</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">reform” of the Polish justice system</emphasis>, 5 maart 2019;<?linebreak?></para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>KOS (The Justice Defence Committee): <emphasis role="italic">A country that punishes. Pressure and repression of Polish judges and prosecutors</emphasis>, Warsaw 2019.  </para>
          </listitem>
        </itemizedlist>
        <para />
        <parablock>
          <para>De inhoud van deze publicaties bevestigt en versterkt de zorgen die er heersen over de gevolgen van de wetswijzigingen voor de Poolse rechtsstaat en daaruit voortvloeiend het recht op een eerlijk proces van de opgeëiste persoon.  </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Overeenkomstig het toetsingskader, gegeven bij het eerder genoemde arrest van het HvJ, dient de rechtbank bij deze stand van zaken nog de derde vraag te beantwoorden, namelijk of er<?linebreak?>- in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen - zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt. Daarbij moet naar het oordeel van de rechtbank worden meegewogen wat bekend is geworden bij de beantwoording van de eerste en de tweede vraag. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.4.2</nr>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beantwoording van de derde vraag</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Bij de beantwoording van de derde vraag spitst de beoordeling door de rechtbank zich toe</para>
          <para>op hetgeen de opgeëiste persoon naar voren heeft gebracht. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft de opgeëiste persoon zijn stelling dat hij in Polen door een bevooroordeelde rechter zal worden berecht, op geen enkele wijze onderbouwd. </para>
          <para>Evenmin noopt de aard van het strafbare feit waarvoor de opgeëiste persoon zal worden vervolgd tot die conclusie. De verdenking ziet op een commuun delict. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon dan wel het type feit waarvan hij wordt verdacht op zodanige wijze in de bijzondere aandacht van de Poolse uitvoerende macht staat dat dit aanleiding zou kunnen geven tot ongeoorloofde beïnvloeding van de rechter(s) die hem moet(en) berechten. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank beschikt ook overigens niet over informatie waaruit zou blijken dat de strafzaak tegen de opgeëiste persoon bij de <emphasis role="italic">District Court in Braniewo </emphasis>en de <emphasis role="italic">Regional Court in Elblag </emphasis>negatief zal worden beïnvloed door de eerder genoemde gebreken die in het kader van de eerste en de tweede vraag zijn vastgesteld.  </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat er sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en als gevolg daarvan dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, nu noch zijn persoonlijke situatie, noch de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, noch de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt tot een dergelijke conclusie aanleiding geeft. De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de Poolse justitiële autoriteiten nadere vragen te stellen - zoals door de raadsvrouw is verzocht. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 231, 311 en 416 Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10 en 11 Opiumwet, 26 en 55 Wet Wapens en Munitie en 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Elblag, II Criminal Department</emphasis> (Polen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,  					                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.W.C.M. van Emmerik en J.H. Beestman,                         		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van N.M. van Trijp, 		                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 3 september 2019. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De jongste rechter is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>