<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:6582</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-17T11:21:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-09-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751540-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:6582">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:6582</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-17T11:20:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:6582 Rechtbank Amsterdam , 03-09-2019 / 13/751540-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:6582:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolgings-EAB Estland. OvJ Estland is “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van Kaderbesluit 2002/584. Verweer m.b.t. detentieomstandigheden verworpen. Overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:6582:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751540-19</para>
      <para>RK nummer: 19/3942</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 3 september 2019 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 juni 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 16 januari 2019 door <emphasis role="italic">the Office of the Prosecutor General, Republic of Estonia</emphasis> (Estland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>, </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Estland) op [geboortedag] 1975,  </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in de [plaats detentie] , </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 augustus 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsvrouw, mr. R.W. van Zanden, advocaat te Hoofddorp.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.  <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon is geboren in Estland. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">Court ruling No. 1-18-10050</emphasis> van 16 januari 2019 van <emphasis role="italic">Tallinn courthouse of Harju County Court, by which [opgeëiste persoon] was taken into custody as a suspect of a criminal offence set out in clause 184 (2) 1) of the Penal Code. </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Ests recht strafbaar feit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. <emphasis role="bold">Bevoegdheid van </emphasis><emphasis role="bold italic">the Office of the Prosecutor General </emphasis><emphasis role="bold">tot het uitvaardigen van een EAB</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 11 juli 2019 heeft een <emphasis role="italic">State Prosecutor</emphasis> het volgende verklaard:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Reference: The Prosecution Office of Estonia as a judicial authority in the context of decisions of the Court of Justice of the European Union in the joined cases C-508/18 and C-82/19 and in case C509/18</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">According to the Estonian Code of Criminal procedure § 507 (1), in pre-trial proceedings it is the prosecutor’s office which takes the decision to issue an European Arrest Warrant (EAW) and in court proceedings it is the court conducting proceedings regarding a criminal offence which is the basis for an EAW, which takes the decision to issue an EAW. Prosecutor issues an EAW based on a national arrest warrant, which is issued by the court. Ministry of Justice forwards the EAW to the executing state.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Estonian Prosecutor’s Office Act § 1 (1) states that the prosecutor’s office is independent in the performance of its functions arising from law, and it acts pursuant to this Act, other Acts, and legislation issued on the basis thereof. Prosecutor’s Office Act § 2 (2) states that prosecutors shall be independent in the performance of their duties and act only pursuant to law and according to their conscience.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">According to Prosecutor’s Office Act § 9 (1), the Ministry of Justice shall exercise supervisory control over the prosecutor’s office. The supervisory control over the prosecutor’s office exercised by the Ministry of Justice does not extend to the activities of the prosecutor’s office in planning of surveillance, pre-trial criminal proceedings and representing of public prosecution in court. Therefore, Estonian national law clearly states that public prosecutors are independent from the executive power.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Any decision or activity of the prosecutor, including issuing of the EAW, can be appealed against according to the Estonian Code of Criminal procedure § 228. This appeal is first adjudicated in the Office of the Prosecutor General and the decision of the Office of the Prosecutor General can be appealed in the county court according to the Code of Criminal Procedure § 230.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Therefore, the prosecutor’s office in Estonia is a judicial authority and Estonian prosecutors’ authority to issue EAWs is not affected by the CJEU’s judgments C-508/18 and C-509/18 and no additional measures will be necessary.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op deze verklaring is de rechtbank - met de officier van justitie - van oordeel dat de Estse officier van justitie <emphasis role="italic">(the Office of the Prosecutor General, Republic of Estonia) </emphasis>voldoet aan de vereisten om als een “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van Kaderbesluit 2002/584 te worden aangemerkt, namelijk de vereisten zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) die heeft omschreven in zijn overwegingen 73, 74 en 75 van het arrest <emphasis role="italic">OG </emphasis>en<emphasis role="italic"> PI.</emphasis><footnote-ref linkend="_131d4ab6-c15d-4aab-9a52-5bf216b87d56" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar Ests recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Detentieomstandigheden in de oude Tallinn Prison </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft primair betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd wegens de slechte omstandigheden in de oude <emphasis role="italic">Tallinn Prison</emphasis>. Dat is - gelet op de in het EAB genoemde pleegplaats - de gevangenis waar de opgeëiste persoon na een eventuele overlevering hoogstwaarschijnlijk gedetineerd zal worden. </para>
        <para>Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de beslissing op het overleveringsverzoek uit te stellen totdat duidelijk is dat de oude <emphasis role="italic">Tallinn Prison</emphasis> niet langer in gebruik is. </para>
        <para>De raadsvrouw heeft haar standpunt als volgt onderbouwd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In januari 2014 is - door het CPT - voor het laatst gerapporteerd over de detentieomstandigheden de gevangenissen in Estland<emphasis role="italic">.</emphasis> Uit dit rapport blijkt dat de gedetineerden in de oude <emphasis role="italic">Tallinn Prison</emphasis> te weinig <emphasis role="italic">personal space</emphasis> hadden en dat er sprake was van slechte hygiënische omstandigheden. In 2017 heeft het CPT een nieuw bezoek aan de gevangenissen in Estland gebracht, maar zij heeft hierover nog niet gerapporteerd. Uit informatie op een website blijkt dat de nieuwe <emphasis role="italic">Tallinn Prison</emphasis> in 2018 in gebruik is genomen. Het is niet duidelijk of de oude <emphasis role="italic">Tallinn Prison</emphasis> op dit moment nog in gebruik is. Deze gevangenis is overbevolkt en voldoet niet aan de richtlijnen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan. </para>
        <para>De rechtbank moet zich bij haar oordeel baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat. Van dergelijke gegevens is in deze zaak geen sprake, nu het CPT-rapport dateert uit 2014. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet slaagt. Zij overweegt daartoe het volgende. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In zijn arrest van 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru, punt 78) heeft het Europese Hof van Justitie vooropgesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen (Aranyosi en Căldăraru, punten 88-89).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De informatie in het CPT-rapport van 21 januari 2014, gebaseerd op bezoeken in de periode van 30 mei 2012 tot 6 juni 2012, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens waaruit blijkt van een reëel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling. Ambtshalve heeft de rechtbank evenmin kennis van andere bewijzen waaruit een dergelijk algemeen gevaar blijkt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] </emphasis>aan <emphasis role="italic">the Office of the Prosecutor General, Republic of Estonia</emphasis> (Estland).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,  					                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.W.C.M. van Emmerik en J.H. Beestman,                         		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van N.M. van Trijp, 		                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 3 september 2019. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De jongste rechter is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_131d4ab6-c15d-4aab-9a52-5bf216b87d56" label="1">
    <para>C-508/18 en C-82/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:456</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>