<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:6140</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-28T11:38:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-08-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/6824</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:6140">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:6140</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-28T11:37:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:6140 Rechtbank Amsterdam , 24-07-2019 / 18/6824</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:6140:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>PW, leenbijstand, vestigen van een krediethypotheek, bijzondere bijstand voor de kosten van het vestigen van een krediethypotheek. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alsnog een verplichting kan opleggen aan de verlening van de bijstand, terwijl die bijstandsverlening inmiddels was gestopt. Verder had de bijzondere bijstand om niet moeten worden verstrekt. Weliswaar staat in de Beleidsvoorschriften aangegeven dat bijzondere bijstand voor krediethypotheek in de vorm van een geldlening wordt verstrekt, maar de rechtbank laat dit buiten beschouwing omdat het beleid wat de vorm van de bijzondere bijstandsverlening betreft in dit geval in strijd is met de Pw. In zoverre is het beroep gegrond. Zelf in de zaak voorzien.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:6140:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 18/6824 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2019 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] te Amsterdam, eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. H.M. de Roo),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, </emphasis>verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: [gemachtigde]).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 29 juni 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder het besluit van 30 mei 2012 waarbij aan eiseres bijstand is toegekend, herzien. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 2 juli 2018 (het primaire besluit II) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres moet meewerken aan het vestigen van een krediethypotheek. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 10 augustus 2018 (het primaire besluit III) heeft verweerder aan eiseres € 575,89 aan bijzondere bijstand in de vorm van een lening verstrekt voor de kosten van het vestigen van een krediethypotheek. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 23 augustus 2018 (het primaire besluit IV) heeft verweerder de aan eiseres verstrekte leenbijstand, met een openstaand saldo van € 19.049,46, opgeëist. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 13 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Verweerder heeft vervolgens de salarisspecificatie van februari 2013 overgelegd. De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 17 april 2019 daarop gereageerd. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat er vooraf ging aan de besluiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Eiseres had van 27 augustus 2009 tot 1 maart 2010 een bijstandsuitkering. Verweerder heeft de bijstand toegekend<footnote-ref linkend="_400cbf00-7d5e-4f83-8d87-7ae41f9dc654" /> in de vorm van een geldlening omdat eiseres een eigen woning heeft met overwaarde. Verweerder heeft eiseres er destijds op gewezen dat zij moet meewerken aan het vestigen van een krediethypotheek of pandrecht zodra de netto verleende bijstand boven een bedrag van € 5.000,- uitkomt. De bijstand is met ingang van </para>
        <para>1 maart 2010 ingetrokken, omdat eiseres voldoende inkomsten uit arbeid had om de kosten voor haar levensonderhoud zelf te betalen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Verweerder heeft eiseres vanaf 30 april 2012 weer een bijstandsuitkering toegekend in de vorm van een geldlening. In het toekenningsbesluit van 30 mei 2012 staat: </para>
        <para>“Wij hebben onderzocht of er een krediethypotheek of pandrecht op uw eigen woning gevestigd kan worden. In uw geval vinden wij dit niet zinvol. De bijstand die u krijgt, is namelijk minder dan € 5.000,-.” Verweerder heeft de bijstandsuitkering vanaf 1 augustus 2014 ingetrokken, omdat eiseres niet voldaan had aan de op haar rustende inlichtingenplicht. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Eiseres heeft een betalingsregeling op grond waarvan zij laatstelijk € 35,- per maand afbetaalt op de lening. In juni 2018 heeft eiseres een verzoek om kwijtschelding ingediend bij verweerder. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen en daarna de primaire besluiten genomen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De verplichting tot meewerken aan het vestigen van een krediethypotheek (de primaire besluiten I, II en IV)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Met het primaire besluit I heeft verweerder het besluit van 30 mei 2012 (waarbij aan eiseres bijstand in de vorm van een geldlening is toegekend) herzien in die zin dat verweerder alsnog de verplichting aan eiseres heeft opgelegd om mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek. Verweerder heeft de onder 1.2. geciteerde tekst vervangen door de volgende tekst: </para>
        <para>“Zodra de netto verleende bijstand boven de € 5.000,- uitkomt, moet u meewerken aan het vestigen van een krediethypotheek of pandrecht ten behoeve van de totaal te verstrekken of verstrekte leenbijstand. De gemeente heeft dan zekerheid dat het bedrag van de lening wordt terugbetaald. De gemeente neemt hiervoor contact met u op.” </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>In geschil is of verweerder alsnog een verplichting kan opleggen aan de verlening van de bijstand, terwijl die bijstandsverlening inmiddels was gestopt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bevoegdheid toekomt om deze passage in het besluit van 30 mei 2012 te herzien. Verweerder is immers bevoegd om een gemaakte fout te herstellen mits dat geen strijd oplevert met het rechtszekerheidsbeginsel of andere (ongeschreven) rechtsregels. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat het besluit van 30 mei 2012 een misslag bevat. Het vestigen van een krediethypotheek is namelijk vaste praktijk binnen de gemeente Amsterdam. De rechtbank verwijst naar de Beleidsvoorschriften Werk, Participatie en Inkomen (Beleidsvoorschriften). Daarin staat dat bij leenbijstand de klant verplicht is zekerheid te verschaffen. Dat kan door het vestigen van een krediethypotheek of pandrecht. Het vestigen van een krediethypotheek is pas aan de orde als het nettobedrag aan verleende leenbijstand de € 5.000,- overschrijdt. Voorts verwijst de rechtbank naar de rapportage van 31 mei 2012. Daarin staat dat er een krediethypotheek moet worden gevestigd. Het is dus overduidelijk dat een verkeerde alinea met standaardtekst in het besluit van 30 mei 2012 is opgenomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De rechtbank onderschrijft de stelling van eiseres dat zij er op mag vertrouwen dat een bestuursorgaan juiste besluiten neemt. Deze stelling baat haar echter niet. Immers, verweerder heeft eiseres gemeld dat het niet zinvol was om een krediethypotheek te vestigen omdat eiseres minder dan € 5.000,- aan netto bijstand zou krijgen. Eiseres heeft echter meer dan € 5.000,- netto aan bijstand ontvangen in de tweede periode van bijstandsverlening. Dat had haar redelijkerwijs duidelijk kunnen en moeten zijn. Dus eiseres had aan die gewraakte passage niet de gerechtvaardigde verwachting kunnen ontlenen dat in haar geval geen krediethypotheek zou worden gevestigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Zoals hiervoor is aangegeven is het opnemen van de verplichting tot het vestigen van een krediethypotheek juist in overeenstemming met de Beleidsvoorschriften. Eiseres mag redelijkerwijs bekend worden verondersteld met deze verplichting om mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek. Verweerder had haar hier immers al op gewezen bij de toekenning van leenbijstand in 2009. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Wel is het zo dat het lang heeft geduurd voordat verweerder deze misslag heeft hersteld. Pas toen eiseres bij verweerder om kwijtschelding had verzocht, is verweerder in actie gekomen. Maar daarin ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het achteraf opleggen van de verplichting om mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel of een andere (ongeschreven) rechtsregel. Daarbij betrekt de rechtbank de aard van de opgelegde verplichting. Het betreft het verschaffen van zekerheid voor het terugbetalen van de geldlening. Deze zekerheidsstelling is niet van invloed op het bedrag dat eiseres maandelijks aflost. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Tot slot overweegt de rechtbank het volgende. Anders dan eiseres stelt is geen sprake van herziening van een besluit tot toekenning van de bijstand als bedoeld in artikel 54, derde lid, van de Participatiewet (Pw). De bijstand was namelijk verleend in de vorm van een geldlening en dat is zo gebleven. Artikel 50, tweede lid, van de PW verplicht verweerder tot deze vorm van bijstandsverlening. Wat er is gebeurd, is dat verweerder achteraf alsnog een verplichting aan deze geldlening heeft verbonden, maar aan de uitgekeerde bijstand is niets veranderd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De rechtbank is dus van oordeel dat verweerder alsnog een verplichting kan opleggen aan de verlening van de bijstand, terwijl die bijstandsverlening inmiddels was gestopt. Verweerder had daarom ook van eiseres kunnen verlangen dat zij deze verplichting zou nakomen. Niet is in geschil dat eiseres dit ten tijde van het bestreden besluit nog niet had  gedaan<footnote-ref linkend="_44bc057d-41a4-4dcc-8598-8bdfbf105811" />. Verweerder heeft daarom het bedrag aan leenbijstand van € 19.049,46 van eiseres kunnen opeisen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de hoogte van de vordering ontoereikend is gemotiveerd en niet klopt. Verweerder heeft eiseres namelijk een compleet overzicht verstrekt van de uitbetaalde uitkering over de betrokken jaren. Eiseres is aldus in de gelegenheid om alle bedragen te verifiëren aan de hand van de uitkeringsspecificaties en aan de hand van haar eigen bankafschriften. Dit geldt ook voor de maand februari 2013. Eiseres heeft evenwel nagelaten om haar bankafschriften te vergelijken met de bedragen op de salarisspecificatie over die maand. Het beroep slaagt in zoverre niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bijzondere bijstand (het primaire besluit III)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft eiseres met het primaire besluit III € 575,89 aan bijzondere bijstand verleend in de vorm van een geldlening voor de kosten van het vestigen van een krediethypotheek. De rechtbank is van oordeel dat bijzondere bijstandsverlening in deze vorm in dit geval niet mogelijk is. Hoofdregel is dat bijstand om niet wordt verstrekt, tenzij in de Pw anders is bepaald. Dit staat is artikel 48, eerste lid, van de Pw. In het tweede lid van dit artikel staat aangegeven in welke vier situaties van deze hoofdregel kan worden afgeweken. Geen van de genoemde situaties doet zich hier voor. Weliswaar staat in de Beleidsvoorschriften aangegeven dat bijzondere bijstand voor krediethypotheek in de vorm van een geldlening wordt verstrekt, maar de rechtbank laat dit buiten beschouwing omdat het beleid wat de vorm van de bijzondere bijstandsverlening betreft in dit geval in strijd is met de Pw. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover gericht tegen het onderdeel van het bestreden besluit dat ziet op bijzondere bijstandsverlening. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Het primaire besluit III wordt herroepen en de rechtbank bepaalt dat de bijzondere bijstand ten bedrage van € 575,89 voor de kosten van het vestigen van een krediethypotheek wordt toegekend om niet. Dit betekent dus dat dit bedrag niet moet worden opgeteld bij het schuldbedrag. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotoverwegingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.</para>
      <para />
      <para>5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.048,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). </para>
      <para />
      <para>6. Het verzoek om toekenning van schadevergoeding heeft eiseres niet onderbouwd. Omdat niet gebleken is dat eiseres schade heeft geleden, wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.  </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank: </para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>verklaart het beroep gegrond; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening is toegekend;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>herroept het primaire besluit III, bepaalt dat bijzondere bijstand ten bedrage van € 575,89 voor de kosten van het vestigen van een krediethypotheek wordt toegekend om niet en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>laat het bestreden besluit voor het overige in stand;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- (zegge: zesenveertig euro) aan eiseres te vergoeden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.048,- (zegge: tweeduizend achtenveertig euro);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzitter, en mr. P. Sloot en mr. E.J. Otten, leden, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2019.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>griffier , </para>
        <para>De griffier is buiten staat te tekenen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para>voorzitter</para>
      <parablock>
        <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bijlage</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Participatiewet (Pw)</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 48. Geldlening en borgtocht</title>
    <para>1. Tenzij in deze wet anders is bepaald, wordt de bijstand verleend om niet.</para>
    <para />
    <para>2 Bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien:</para>
    <parablock>
      <para>a. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;</para>
      <para>b. de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;</para>
      <para>c. de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft;</para>
      <para>d. het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft.</para>
      <para />
    </parablock>
    <para>3 Het college kan aan het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening verplichtingen verbinden die zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente- en aflossingsverplichtingen.</para>
    <para />
    <para>4 Indien de persoon aan wie bijstand in de vorm van een geldlening wordt verleend algemene bijstand of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die geldlening met die algemene bijstand of uitkering. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 50. Eigen woning</title>
    <para>1. De belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, heeft recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.</para>
    <para />
    <para>2 Indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op algemene bijstand bestaat, heeft die bijstand de vorm van een geldlening:</para>
    <para>a. indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid; en</para>
    <para>b. voorzover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d.</para>
    <para />
  </section>
  <para />
  <section>
    <title>Beleidsvoorschriften Werk, Participatie en Inkomen</title>
    <para>(te vinden op www.amsterdam.nl/beleidwerkeninkomen/6-middelen/6-4-eigen-woning)</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>4.1.2 Wanneer is krediethypotheek of pandrecht aan de orde</title>
    <parablock>
      <para>Voordat je bijstand in de vorm van een geldlening met zekerheidstelling verstrekt, moet je eerst nagaan of je de bijstand om niet kunt verstrekken.</para>
      <para>Hierbij onderzoek je het volgende:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de klant bezit een eigen woning die hijzelf bewoont of met zijn gezin; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het afsluiten van een extra hypotheek is niet redelijk; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verkoop van de woning kun je in redelijkheid niet eisen; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het in de eigen woning gebonden vermogen overschrijdt de geldende vrijlating. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>…</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>4.1.3 De overwaarde in de woning is meer dan € 49.700 waard</title>
    <para>Als bij de intake blijkt dat een klant een eigen woning, woonschip of woonwagen heeft waar hij zelf in woont, dan informeer je hem over het noodzakelijke onderzoek voor het vestigen van krediethypotheek of pandrecht:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vestiging van krediethypotheek of pandrecht is pas aan de orde als het nettobedrag aan verleende leenbijstand de € 5.000,- overschrijdt; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>als je bijstand verstrekt in de vorm van een geldlening, en er is (nog) geen krediethypotheek of pandrecht gevestigd, dan hoeft de klant geen akte van schuldbekentenis te ondertekenen. In het toekenningsbesluit staat al dat de bijstand in de vorm van een geldlening of als leenbijstand wordt verstrekt; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>als het bedrag van € 5.000,- is overschreden, en je vestigt een krediethypotheek of pandrecht, dan telt deze zekerheid ook voor dit bedrag.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>4.1.4 Medewerking</title>
    <para>Bij aanvragen waarbij sprake is van vermogen in de woning en waar pandrecht of een krediethypotheek mogelijk is moet de klant een inlichtingenformulier krediethypotheek invullen en tekenen. Hierin is opgenomen dat de klant medewerking verleent aan het vestigen van een krediethypotheek of van pandrecht. Wil de klant dit niet dan wijs je de aanvraag voor bijstand af. Medewerking verlenen is een vereiste.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>4.4.2 Nota’s voor taxaties enz. voor rekening van klant</title>
    <para>De betaling van de nodige nota’s komt voor rekening van de klant. Het gaat om facturen voor:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>taxatie; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>krediethypotheek; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>pandovereenkomst; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>royement. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <parablock>
      <para>Als de klant daarvoor niet de middelen heeft, kun je bijzondere bijstand verlenen. Als na taxatie blijkt dat een krediethypotheek of pandrecht niet mogelijk is vanwege het ontbreken van voldoende ruimte, dan verstrek je de bijstand om niet. Als er wel ruimte is, verstrek je de bijstand als lening en tel je het bedrag bij de hoofdsom op.</para>
      <para>…</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_400cbf00-7d5e-4f83-8d87-7ae41f9dc654" label="1">
    <para> Zie het besluit van 22 oktober 2009. De woning is getaxeerd op € 284.000,- (WOZ waarde 2009) en op de woning rust een hypotheek van € 156.000,-. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_44bc057d-41a4-4dcc-8598-8bdfbf105811" label="2">
    <para> De akte houdende krediethypotheek is op 17 december 2018 verleden.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>