<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:5698</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-08-05T10:07:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-08-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751363-19 (EAB I)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:5698">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:5698</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-08-05T09:43:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-08-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:5698 Rechtbank Amsterdam , 02-07-2019 / 13/751363-19 (EAB I)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:5698:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB België, bevoegdheid uitvaardigende autoriteit.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:5698:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751363-19 (EAB I)</para>
      <para>RK nummer: 19/2841</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 2 juli 2019 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">       TUSSEN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 mei 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 24 april 2019 door de Procureur des Konings, Parket van de Procureur des Konings van Brussel (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] , </emphasis>geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1997, </para>
      <para>	alias: <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon alias 1] , </emphasis>geboren te [geboorteplaats alias 1] (Spanje) op [geboortedag] 1999,</para>
      <para>	alias: <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon alias 2] ,</emphasis> geboren op [geboortedag] 1999,</para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>	uit anderen hoofde gedetineerd in de [plaats detentie] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 juni 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht ter zitting te worden gehoord. Hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn raadsman, mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de  personalia <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] , </emphasis>geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1997 juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Marokkaanse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van 7 februari 2019 van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel (2019/866).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van dertig maanden en één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Bevoegdheid tot uitvaardiging van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB is uitgevaardigd door de Procureur des Konings, Parket van de Procureur des Konings van Brussel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) heeft bij arresten van 27 mei 2019 in de zaken C-508/18 (OG) en C-509/18 (PF) de vragen van Ierse rechters of de officier van justitie in Lübeck, Duitsland, en de officier van justitie van de Republiek Litouwen rechterlijke autoriteiten zijn als bedoeld in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten beantwoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het licht van voormelde arresten heeft de officier van justitie aan de uitvaardigende autoriteit de volgende vragen gesteld om te kunnen beoordelen of de Procureur des Konings, Parket van de Procureur des Konings van Brussel, voldoet aan de in de arresten genoemde vereisten om als vorenbedoelde rechterlijke autoriteit te kunnen worden aangemerkt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">A)   Moet het Parket van de Procureur des Konings worden geacht deel te nemen aan de rechtsbedeling in België in de zin van overweging 60 van het arrest ref. C-508/18 en C-509/18 (</emphasis>
        <emphasis role="underline italic">link</emphasis>
        <emphasis role="italic">)? </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">B)   Is in België gewaarborgd dat het Parket van de Procureur des Konings bij de vaststelling van en beslissing tot uitvaardiging van een EAB geen enkel risico loopt om te worden onderworpen aan met name een individuele instructie vanwege de uitvoerende macht?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">C)   Zo ja, bestaat in België de mogelijkheid om in rechte tegen de uitvaardiging door het Parket van de Procureur des Konings van een EAB ter fine van vervolging of executie op te komen, in het bijzonder met betrekking tot de evenredigheid van een dergelijke beslissing, in een procedure die volledig voldoet aan de eisen die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende autoriteit heeft in antwoord op deze vragen een door Eurojust ingevulde vragenlijst overgelegd, zoals hieronder weergegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline italic">Kan het Openbaar Ministerie een EAB uitvaardigen in uw land? </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Een EAB met het oog op strafvervolging wordt in beginsel uitgevaardigd door een onderzoeksrechter aansluitend aan de aflevering van een aanhoudingsmandaat bij verstek. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Een procureur kan enkel een EAB uitvaardigen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- ter uitvoering van een bevel tot aanhouding uitgevaardigd door een rechtbank tijdens de procesfase</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- met het oog op de strafvervolging van minderjarigen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Een procureur is ook de bevoegde autoriteit voor het uitvaardigen van een EAB met het oog op de strafuitvoering. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline italic">Welke entiteit in uw lidstaat is bevoegd voor de finale beslissing aangaande het uitvaardigen van een EAB? </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zie het antwoord op de eerste vraag. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline italic">Waarborgen inzake de onafhankelijkheid</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De Belgische Grondwet waarborgt de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie in de individuele opsporing en vervolging (art. 151, §1 van de Grondwet). </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Deze onafhankelijkheid wordt geenszins beperkt door de mogelijkheid van de Minister van Justitie om de vervolging te bevelen voor een Belgische rechtbank. De bevoegdheid van de Minister van Justitie strekt zich niet uit tot het geven van specifieke instructies aangaande de wijze waarop het onderzoek gevoerd moet worden, noch behelst het enige bevoegdheid aangaande onderzoeksmaatregelen, met inbegrip van het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel. De bevoegdheid is bovendien enkel gerelateerd aan bepaalde feiten en kan nooit betrekking hebben op een specifieke persoon. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De Minister van Justitie kan tevens bindende richtlijnen van strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, vastleggen. Deze richtlijnen zijn geen aansturingen of instructies in individuele zaken. De onafhankelijkheid van de procureur waarborgt bovendien dat hij/zij altijd de mogelijkheid heeft om van deze richtlijnen af te wijken op basis van de concrete elementen van de zaak (art. 151, §1 van de Grondwet). </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline italic">Nood aan wetgevende/praktijk maatregelen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Niet van toepassing.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline italic">Bijkomende opmerkingen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Niet op dit ogenblik.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij e-mail van 17 juni 2019 heeft de uitvaardigende autoriteit ook nog onder meer het volgende verklaard:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In de huidige Belgische EAB-wet is op dit moment niet voorzien in de mogelijkheid een beroep in te stellen tegen de beslissing tot uitvaardiging van een EAB.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft ter zitting kritische kanttekeningen geplaatst bij de informatie die is vermeld op de door Eurojust ingevulde vragenlijst onder het kopje ‘Waarborgen inzake de onafhankelijkheid’. De raadsman heeft in het licht van artikel 151 van de Belgische Grondwet meerdere punten aangedragen die volgens hem doen twijfelen aan de gestelde onafhankelijkheid van het Belgische openbaar ministerie. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de zaak aan te houden om op dit punt duidelijkheid te verkrijgen. Hierbij heeft hij in zijn pleitnota vragen opgeworpen over:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het recht van de minister om de vervolging te bevelen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het recht van de minister om bindende richtlijnen van strafrechtelijk beleid vast te leggen, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het recht van gemeenschappen en gewesten de vervolging in voorkomende gevallen te bevelen. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich ter zitting voor wat betreft het verzoek om aanhouding van de raadsman gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verder heeft zij om aanhouding verzocht, omdat het summiere antwoord op de hiervoor vermelde vraag C nadere vragen oproept. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet, met de raadsman en de officier van justitie, aanleiding om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende autoriteit om te kunnen beoordelen of de Procureur des Konings, Parket van de Procureur des Konings van Brussel, in het licht van de hiervoor genoemde arresten van het HvJ kan worden aangemerkt als een rechterlijke autoriteit die bevoegd is een EAB uit te vaardigen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verzoekt de officier van justitie hetgeen de raadsman in zijn pleitnota heeft opgemerkt voor te leggen aan de uitvaardigende autoriteit om daar een inhoudelijke reactie op te geven. Daarbij moet nogmaals de hiervoor vermelde vraag B worden gesteld, in die zin dat de uitvaardigende autoriteit wordt gevraagd of zij, ook in het licht van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, van mening is dat in België is gewaarborgd dat het Parket van de Procureur des Konings bij de vaststelling van en beslissing tot uitvaardiging van een EAB geen enkel risico loopt om te worden onderworpen aan met name een individuele instructie vanwege de uitvoerende macht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder verzoekt de rechtbank de officier van justitie de hiervoor weergegeven vraag C nogmaals aan de uitvaardigende autoriteit te stellen. Bij de vraagstelling moet worden toegevoegd dat de mogelijkheid in rechte op te komen tegen de uitvaardiging van het EAB door de Procureur des Konings, Parket van de Procureur des Konings van Brussel ook een civielrechtelijke of bestuursrechtelijke procedure kan zijn waarbij de beslissing tot het uitvaardigen van een EAB en met name de evenredigheid van een dergelijke beslissing getoetst worden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT</emphasis> en <emphasis role="bold">SCHORST</emphasis> het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen bij de uitvaardigende autoriteit navraag te doen zoals hiervoor nader toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van een tolk voor de Arabische taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,  				            				             voorzitter,</para>
      <para>mrs. C.A. van Dijk en R. Godthelp,                         				   	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten,			                              	griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 2 juli 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>