<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:5644</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-08-01T14:43:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/054147-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:5644">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:5644</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-08-01T10:17:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:5644 Rechtbank Amsterdam , 31-07-2019 / 13/054147-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:5644:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tien maanden gevangenisstraf wegens een afpersing en een mishandeling. Vrijspraak ten aanzien van de poging tot zware mishandeling.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:5644:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">VONNIS</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/054147-19 (Promis)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 31 juli 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] , </emphasis>
        <?linebreak?>geboren te [geboorteplaats 1] [geboorteplaats 2] ) op [geboortedag] 1991,<?linebreak?>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: </para>
      <para>
        [BRP-adres] (postadres),<?linebreak?>gedetineerd in [detentieplaats] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 juli 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. de Graaf en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E.M. van Schaik naar voren hebben gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feit 1:</emphasis>
      </para>
      <para>medeplegen van afpersing van [slachtoffer] op 4 maart 2019 in Amsterdam;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feit 2:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">primair:</emphasis> poging tot medeplegen van zware mishandeling van [slachtoffer] op 4 maart 2019 in Amsterdam;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">subsidiair: </emphasis>medeplegen van mishandeling van [slachtoffer] op 4 maart 2019 in Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Voorvragen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Waardering van het bewijs</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie acht het onder 1 ten laste gelegde – de afpersing in vereniging van aangever op 4 maart 2019 – bewezen. </para>
        <para>Ook acht de officier van justitie het onder 2 primair ten laste gelegde – de poging tot medeplegen van zware mishandeling van aangever op 4 maart 2019 – bewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft zich met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat geen sprake is van medeplegen van afpersing, omdat niet kan worden gesproken van een wezenlijke bijdrage van verdachte aan het feit. Daarom dient verdachte te worden vrijgesproken.</para>
        <para>Met betrekking tot het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft de raadsman – kort gezegd – aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Met betrekking tot het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit is aangevoerd dat ook ten aanzien van dit feit niet kan worden gesproken van een wezenlijke bijdrage van verdachte aan het geweld. Daarom dient verdachte ook van dit feit te worden vrijgesproken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde feit – het medeplegen van afpersing – wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.</para>
        <para>Aangever heeft verklaard dat verdachte en zijn mededader samen naar aangever toeliepen en dat beide personen hem in de hoek dwongen en hem om geld vroegen. Vervolgens is aangever door de mededader bedreigd met (een voorwerp dat leek op) een vuurwapen en is hij mishandeld. Die mishandeling vond volgens aangever en de getuige [getuige 1] plaats door beide daders. Aangever heeft daarop zijn telefoon afgegeven waarna de twee daders met versnelde pas zijn weggelopen richting de Veeteeltstraat. De telefoon van aangever is vervolgens in de zak van verdachte aangetroffen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen van afpersing bewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vrijspraak ten aanzien van het primair ten laste gelegde</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van onder 2 primair ten laste gelegde, de poging tot medeplegen van zware mishandeling, overweegt de rechtbank als volgt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de mededader tegen het hoofd van aangever heeft geschopt. Dit is anders ten aanzien van verdachte. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat (alleen) de mededader tegen het hoofd van aangever heeft getrapt. Aangever spreekt in zijn aangifte en in de gemelde toedracht bij de GGD niet over schoppen tegen het hoofd. Op een later moment verklaart aangever wel over schoppen tegen het hoofd, maar omdat hij op dat moment ineengedoken op de grond lag, is niet duidelijk of dit door beide daders werd gedaan. Tot slot heeft getuige [getuige 1] weliswaar verklaard dat zij heeft gezien dat twee personen de derde persoon “<emphasis role="italic">aan het slaan en schoppen</emphasis>” waren, maar dit is te weinig specifiek, nu onder meer niet blijkt waar op het lichaam aangever zou zijn geraakt. Er is daarom niet komen vast te staan dat ook verdachte aangever tegen het hoofd heeft geschopt. </para>
        <para>Dit hoeft op zichzelf nog niet aan een bewezenverklaring van poging tot medeplegen van zware mishandeling in de weg te staan. Echter, gelet op de latere verklaring van aangever is hij tegen het hoofd geschopt <emphasis role="italic">nadat</emphasis> hij de telefoon had afgegeven. Ook uit de verklaring van getuige [getuige 2] kan worden afgeleid dat de mededader niet eerder dan <emphasis role="italic">na</emphasis> de afgifte van de telefoon tegen het hoofd van aangever heeft geschopt. De bewijsmiddelen bevatten onvoldoende aanknopingspunten voor verdachtes betrokkenheid bij hetgeen er na voltooiing van de straatroof heeft plaatsvonden. In het bijzonder blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat verdachte opzet heeft gehad op het door de mededader na de overval toegepaste grove geweld op het hoofd van aangever. </para>
        <para>Nu (medeplegen van) het schoppen tegen het hoofd door verdachte niet kan worden bewezen, is de rechtbank van oordeel dat een poging tot medeplegen van zware mishandeling wat verdachte betreft op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden bewezen. Aldus dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit – het medeplegen van mishandeling – wettig en overtuigend kan worden bewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Zoals bij het onder 1 ten laste gelegde reeds besproken, volgt uit de bewijsmiddelen dat zowel de mededader als verdachte geweld heeft gebruikt tegen aangever. Weliswaar kan niet worden bewezen dat verdachte aangever heeft geschopt, maar wel is komen vast te staan dat beide daders aangever meermalen hebben geslagen. Bovendien heeft aangever als gevolg hiervan letsel – te weten een kraswond en een diepe schaafwond hoog op het voorhoofd en een bloeduitstorting in de linkerzij – opgelopen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Bewezenverklaring </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht op grond van de in bijlage I vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">1.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">op 4 maart 2019 te Amsterdam op de openbare weg (de Brinkstraat ter hoogte van perceel 75) tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon (iPhone 6s), die aan die [slachtoffer] toebehoorde, door</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">- die [slachtoffer] in een hoek te dwingen en</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- die [slachtoffer] meermalen op dreigende toon om geld te vragen en</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- een op vuurwapen gelijkend voorwerp te richten op die [slachtoffer] en</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- die [slachtoffer] naar de grond te drukken en</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- die [slachtoffer] te slaan tegen zijn hoofd en zijn lichaam; </emphasis>
    </para>
    <para />
    <bridgehead role="italic">2. </bridgehead>
    <bridgehead role="italic">op 4 maart 2019 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen met kracht tegen zijn hoofd en zijn lichaam te slaan.</bridgehead>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Strafbaarheid van de feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Strafbaarheid van verdachte</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>8</nr>Motivering van de straf</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Eis van de officier van justitie </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Indien de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komt, dient de eis van de officier te worden gematigd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een straatroof waarbij het slachtoffer is mishandeld en is bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Door dit geweld en deze bedreiging met geweld heeft het slachtoffer zijn telefoon aan zijn belagers afgegeven. Het spreekt voor zich dat dit een zeer angstig moment moet zijn geweest voor het slachtoffer, dat op de bewuste avond van het voorval de pech had zijn vuilnis weg te brengen naar een afvalverzamelpunt in de nabijheid van zijn woning. Daar komt bij dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. De rechtbank rekent verdachte dit aan. </para>
        <para>Verdachte is blijkens zijn strafblad op 29 augustus 2018 veroordeeld wegens een straatroof en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Voorts is verdachte meermalen veroordeeld wegens (poging tot) diefstal. De rechtbank weegt dit als strafverzwarend mee. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die strafrechters in Nederland hanteren. Voor een straatroof met licht geweld of een verbale bedreiging waarbij sprake is van recidive is het uitgangspunt een gevangenisstraf van acht maanden. Verdachte heeft – tezamen met een ander – veel geweld toegepast en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan het slachtoffer getoond. Van licht geweld is daarom in deze zaak geen sprake. Deze omstandigheden rechtvaardigen dat de rechtbank naar boven afwijkt van het oriëntatiepunt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet – alles afwegende – aanleiding om een lagere straf op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd. Hierbij weegt mee dat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie. De rechtbank acht een gevangenisstraf van tien maanden op zijn plaats. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet geen aanleiding om de voorlopige hechtenis te schorsen, gelet op de op te leggen straf en nu geen zwaarwegende persoonlijke belangen zijn aangevoerd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt op het grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen verklaarde levert op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van feit 1:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van feit 2:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van mishandeling</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart verdachte, <emphasis role="bold">[verdachte]</emphasis>, daarvoor strafbaar.	</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot:</para>
      <para> Een <emphasis role="bold">gevangenisstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">10 (tien) maanden</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door </para>
      <para>mr. K.A. Brunner, 	voorzitter,</para>
      <para>mrs. R.A. Sipkens en J.W.P. van Heusden, 	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, 	griffier</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 juli 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>