<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:5006</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-08-13T16:49:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 18 _ 7182</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:5006">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:5006</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-08-13T16:49:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:5006 Rechtbank Amsterdam , 09-07-2019 / AWB - 18 _ 7182</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:5006:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bezwaarschrift is niet voor het einde van de termijn ter post bezorgd in de zin van art. 6:9, tweede lid, van de Awb. Aanbieden bij een andere postbezorger dan PostNL geldt niet als ter post bezorgen in de zin van dit artikel. Bezwaar niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:5006:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht							</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 18/7182 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2019 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] te [woonplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [naam] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [naam] ).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 24 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd een </para>
      <para>A1-verklaring af te geven voor [naam] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 24 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2019. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bevoegdheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de rechtbank Rotterdam bevoegd op het beroep van eiseres te beslissen. Partijen hebben op de zitting verklaard akkoord te zijn met de behandeling van het beroep door de rechtbank Amsterdam.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ontvankelijkheid van het bezwaar</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiseres op 7 september 2018 ontvangen. De bezwaartermijn liep af op 4 september 2018. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat uit navraag bij PostNL is gebleken dat het bezwaarschrift pas op 5 september 2018 bij PostNL is aangeboden.</para>
    <para />
    <para>3. Op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is een bezwaarschrift op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. </para>
    <para />
    <para>4. De gemachtigde van eiseres heeft aangevoerd dat hij het bezwaarschrift op 4 september 2019 heeft afgegeven bij een [functie] van eiseres. Hij heeft gezien dat de medewerker het bezwaarschrift in de postbak heeft gedeponeerd. De post wordt op het kantoor van eiseres dagelijks opgehaald door [naam] Deze werkwijze heeft nooit eerder geleid tot een overschrijding van de bezwaartermijn. De gemachtigde van eiseres heeft een overeenkomst tussen eiseres en [naam] overgelegd, waaruit volgt dat [naam] dagelijks de post ophaalt bij eiseres tussen 16:00 en 17:00 uur. Volgens eiseres moet het ophalen van de post door [naam] worden aangemerkt als “ter post bezorgen” in de zin van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank volgt eiseres niet in het standpunt dat het aanbieden van het poststuk aan [naam] kan worden aangemerkt als “ter post bezorgen”. Uit vaste rechtspraak volgt namelijk dat alleen verzending via PostNL wordt gezien als verzending per post in de zin van artikel 6:9 van de Awb.<footnote-ref linkend="_eddbba01-db5a-4140-bd2a-adf7015adfb6" /> Terpostbezorging in de zin van dit artikel vindt plaats op het moment waarop een poststuk in een brievenbus van PostNL wordt gedeponeerd of op het moment waarop het op een vestiging van PostNL wordt aangeboden. Uit de Track &amp; Trace gegevens van PostNL volgt dat het poststuk op 5 september 2018 om 01:27 uur is aangeboden aan PostNL. Dit is na afloop van de bezwaartermijn. Eiseres heeft niet met concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat het poststuk vóór het aflopen van de termijn  door [naam] bij PostNL is aangeboden. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiseres niet binnen de termijn bezwaar heeft gemaakt. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat daarom geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.E. Wijnker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.R. Vlierhuis, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier </para>
      <para>rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
      <para>Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_eddbba01-db5a-4140-bd2a-adf7015adfb6" label="1">
    <para> 	Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1356.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>