<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:4392</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-02T11:19:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-06-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-752162-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:4392">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:4392</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-02T11:15:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:4392 Rechtbank Amsterdam , 06-06-2019 / 13-752162-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:4392:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Duitsland. Openbaar Ministerie niet ontvankelijk omdat het EAB is uitgevaardigd door een officier van justitie in Duitsland.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:4392:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">		                    RECHTBANK AMSTERDAM	</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">		      INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/752162-18</para>
      <para>RK nummer: 19/2230</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 6 juni 2019 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 april 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 13 november 2018 door het Openbaar Ministerie München II te München, Duitsland, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>
        [adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 juni 2019. <?linebreak?>Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie <?linebreak?>mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.H.M. Nijsten, advocaat te Cadier en Keer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van 24 september 2018, uitgevaardigd door het Kantongerecht München.<?linebreak?>Dossiernummer ER III Gs 7766/18.</para>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar Duits recht strafbare feiten.</para>
      <para>Deze feiten zijn als volgt omschreven in onderdeel e) van het EAB:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Pleegtijdstip/pleegperiode: 01.12.2017 tot en met 08.04.2018</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Pleegplaats: [plaats]</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">1. Op een niet nader bepaalbaar tijdstip in december 2017 importeerde de beschuldigde, wetende en willende dit te doen, vanuit Nederland komende 50 gram cocaïne in het Bondsgebied, waar hij het tijdens een overnachting bij de anderszins vervolgde [naam] in [plaats] bij zich had, met de intentie om het vervolgens winstgevend in München te verkopen.</emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <bridgehead role="italic">2. Op 08.04.2018 omstreeks 19.28 uur sprak de beschuldigde per telefoon vanuit een niet nader bekende plaats serieus en bindend met de anderszins vervolgde [naam] de verkoop van 1 kilogram cocaïne voor een totale prijs van 40.000,00 EUR af. </bridgehead>
    <bridgehead role="italic">Met de verkoop wilde de beschuldigde winst maken.</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het verdovende middel beschikte respectievelijk over een gehalte qua werkzame bestanddelen van 30 procent cocaïne-hydrochloride. Dit gehalte qua werkzame bestanddelen nam de beschuldigde tenminste billijkend op de koop toe. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De beschuldigde beschikte bij de feiten, zoals hij wist, niet over de voor de omgang met verdovende middelen noodzakelijke vergunning.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Aard van betrokkenheid: hoofddader.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Bevoegdheid tot uitvaardiging van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB is uitgevaardigd door het Openbaar Ministerie Kassel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (<emphasis role="italic">hierna: HvJ EU</emphasis>) van <?linebreak?>27 mei 2019 in de zaken C-508/18 (zaak OG) en C-82/19 PPU (zaak PI) – en in het bijzonder de rechtsoverwegingen 88 tot en met 90 – waarbij het HvJ EU de vragen van de Ierse rechters heeft beantwoord, of het Openbaar Ministerie in Lübeck en het Openbaar Ministerie in Zwickau, beide in Duitsland, rechterlijke autoriteiten zijn als bedoeld in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, staat nu vast dat:<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het onderhavige EAB niet is uitgevaardigd door een ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en dus niet door een ‘justitiële autoriteit’ in de zin van artikel 1, aanhef en onder i, OLW en artikel 5 OLW;<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het onderhavige EAB niet een ‘rechterlijke beslissing’ in de zin van artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ is en dus niet een beslissing van een justitiële autoriteit in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, OLW.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar haar uitspraak van 1 december 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:9311) overweegt de rechtbank dat dit ertoe leidt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van dit EAB. Die vordering heeft immers geen betrekking op een door een rechterlijke/justitiële autoriteit uitgevaardigde rechterlijke/justitiële beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERKLAART</emphasis> de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STELT VAST </emphasis>dat de geschorste overleveringsdetentie is beëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. Ch.A. van Dijk,  				                		         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.A.A.G. de Vries en F.A.N.J. Goudappel,        			   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van L.C. Werkman,			                         		    griffier,</para>
      <para>en direct uitgesproken ter openbare zitting van 6 juni 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>