<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:4092</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-17T08:30:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-06-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751222-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:4092">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:4092</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-17T08:28:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:4092 Rechtbank Amsterdam , 04-06-2019 / 13/751222-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:4092:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolgings-EAB België. Verweer omtrent gelijkstelling met een Nederlander verworpen; geen duurzaam verblijf. Overlevering toegestaan</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:4092:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751222-19</para>
      <para>RK nummer: 19/1942</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 4 juni 2019 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 maart 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 13 februari 2018 door de Onderzoeksrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen te Gent (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1977, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>
        [BRP-adres]
      </para>
      <para>gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 mei 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. Y. Özdemir, advocaat te Den Haag en door een tolk in de Turkse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Turkse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een Bevel tot aanhouding bij verstek van 13 februari 2019. In <emphasis role="italic">Form A</emphasis> van de Sirene-signalering van 13 februari 2019 staat vermeld dat dit Aanhoudingsbevel is uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen te Gent [nr. 69/2018 – GE.55.F1.004014/18]. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 1, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Deelneming aan een criminele organisatie. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar Belgisch recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Onschuldverweer</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. De raadsman heeft betoogd dat het onschuldverweer aan overlevering in de weg staat. Ter onderbouwing van het onschuldverweer heeft de raadsman aangevoerd dat het EAB zeer summier is, zodat geen sprake is van een redelijk vermoeden van schuld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. De onschuld van de opgeëiste persoon is immers tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond. De rechtbank merkt hierbij op dat niet is vereist dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de gronden van de verdenking vermeldt. Het is immers niet aan deze rechtbank om te toetsen of er voldoende gronden zijn voor de beschreven verdenking, dan wel om de rechtmatigheid van deze gronden te beoordelen. Het verweer wordt verworpen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 6, eerste lid, OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 6 OLW. De raadsman heeft gesteld dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, nu hij geregistreerd is als EU-burger en er sprake is van Nederlandse rechtsmacht. De brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 21 mei 2019, waarin de IND meedeelt dat het feitencomplex waarvoor de overlevering wordt verzocht ertoe kan leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest, moet niet worden gevolgd, omdat dit slechts een inschatting is op basis van een summier dossier, aldus de raadsman. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de brief van de IND van 21 mei 2019 niet te volgen. Artikel 6, vijfde lid, OLW gaat uit van een <emphasis role="italic">verwachting</emphasis> ten aanzien van het wel of niet verliezen van het verblijfsrecht; deze beoordeling heeft dus een voorlopig karakter. Uit de brief van de IND volgt dat de opgeëiste persoon sinds 25 oktober 2018 geregistreerd staat als EU-burger en dat dit verblijfsrecht kan eindigen als gevolg van het feit, waarvoor hij door de Belgische autoriteiten wordt vervolgd. De IND gaat er in deze brief vanuit dat van duurzaam verblijfsrecht geen sprake is. De rechtbank overweegt in dit kader dat ook niet is gebleken dat de opgeëiste persoon gedurende vijf jaren onafgebroken rechtmatig in Nederland verblijft. De opgeëiste persoon voldoet aldus niet aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander zoals bepaald in artikel 6, vijfde lid, OLW. Het verweer wordt verworpen.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB heeft betrekking op een strafbaar feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. <?linebreak?>In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Belgische autoriteiten plaats te vinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het onderzoek is in België begonnen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de stukken en het bewijs bevinden zich in België;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>in België worden reeds medeverdachten vervolgd;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het zwaartepunt van de zaak ligt in België.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op deze  argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen te Gent (België). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik, 	 				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.J.J.P. Luchtman en R. Godthelp, 			   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster,	                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 4 juni 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>