<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:3633</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-21T13:30:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/706767-12</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3633">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3633</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-21T09:44:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:3633 Rechtbank Amsterdam , 26-04-2019 / 13/706767-12</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3633:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Polen. art 12. gelijkstellingsverweer verworpen. deels toegestaan, deels weigering</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3633:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">		                    RECHTBANK AMSTERDAM	</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">		      INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/706767-12</para>
      <para>RK nummer: 19/418</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 26 april 2019 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 januari 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 28 augustus 2012 door de <emphasis role="italic">Regional Court in Białystok III Criminal Division </emphasis>(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] , </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>
        [BRP-adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 april 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat te Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vonnis van de <emphasis role="italic">District Court </emphasis>in Białystok van 19 januari 2006 met referentienummer III K 1871/05;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vonnis van de <emphasis role="italic">District Court </emphasis>in Białystok van 20 augustus 2001 met referentienummer III K 441/01;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vonnis van de <emphasis role="italic">District Court </emphasis>in Białystok van 22 oktober 2002 met referentienummer III K 2028/01.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van de vonnissen met referentienummers III K 441/01 en III K 2028/01 </emphasis>
      </para>
      <para>Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandelingen ter terechtzitting die tot deze vonnissen hebben geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van respectievelijk:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>1 jaar;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>1 jaar en 6 maanden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>1 jaar en 4 maanden, </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straffen resteren volgens het EAB nog respectievelijk:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>1 jaar;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>1 maand en 24 dagen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>1 jaar en 4 maanden.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>Deze vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen. Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het vonnis met referentienummer III K 1871/05 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft desgevraagd bij brief van 7 februari 2019 het volgende verklaard:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">No, the person did not appear in person at the trial resulting in the decision. </emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">The accused was not served personally with the summons for the trial because the social enquiry report stated that the subject had left abroad and was not staying at his regular place of residence. </emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Under these circumstances, pursuant to Article 139 § 1 of the Polish code of penal procedure, the letter sent to the last known address was considered served by the Court. </emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">The accused has no right to apply for a retrial of appeal.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Blijkens die aanvullende informatie was de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig bij de zitting. Aldus stelt de rechtbank – met de raadsman en officier van justitie – vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd – niet kan worden vastgesteld dat dit vonnis is gewezen terwijl zich één van de in artikel 12, aanhef, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. </para>
        <para>Op grond van artikel 12, aanhef, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat </para>
        <para>i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en </para>
        <para>ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.</para>
        <para>Een dergelijke verklaring ontbreekt. Daarom is niet aan de eisen van artikel 12, aanhef, sub d, OLW voldaan en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond van toepassing. De overlevering moet dus worden geweigerd ten aanzien van vonnis III K 1871/05.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van de vonnissen met referentienummers III K 441/01 en III K 2028/01 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">ten aanzien van III K 441/01:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">ten aanzien van III K 2028/01:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">mishandeling</emphasis>;</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.</emphasis>
        </para>
        <para>5. <emphasis role="bold">Gelijkstellingsverweer</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. Ter onderbouwing hiervan zijn stukken overgelegd. De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet kan aantonen dat hij gedurende vijf jaren in Nederland heeft geleefd, maar dat het wel duidelijk is dat hij al gedurende lange tijd in Nederland verblijft. De opgeëiste persoon heeft zwart gewerkt en kan dit inkomen niet aantonen. Zwart werken staat een rechtmatig verblijf echter niet in de weg. De raadsman verzoekt de opgeëiste persoon gelijk te stellen aan een Nederlander omdat uit alles blijkt dat hij al langer dan vijf jaren in Nederland verblijft. De raadsman verzoekt de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Popławski II. <?linebreak?>Vervolgens heeft de raadsman verzocht de zaak aan te houden om stukken aan te leveren waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon rechtmatig in Nederland verblijft via zijn partner.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. De opgeëiste persoon stelt zwart te hebben gewerkt dus er is geen sprake van een rechtmatig verblijf. De officier van justitie verzoekt de rechtbank een standpunt in te nemen over de vraag of een dergelijke onrechtmatige situatie gerepareerd kan worden via het inkomen van een partner. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het beroep op gelijkstelling met een Nederlander niet slaagt. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger in Nederland heeft verworven.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op basis van de stukken waarover de rechtbank beschikt, blijkt allereerst dat niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon voor een periode van vijf jaren onafgebroken in Nederland heeft verbleven. Daarnaast kan op basis van de stukken ook niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht, laat staan legale arbeid. Het rechtmatig verblijf via de partner van de opgeëiste persoon kan ook niet worden vastgesteld, omdat uit de stukken niet blijkt dat de opgeëiste persoon een duurzame relatie met zijn partner heeft gehad gedurende de hiervoor bedoelde periode. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet geen reden de zaak aan te houden om stukken te overleggen die die relatie aantonen, zoals verzocht door de raadsman. De opgeëiste persoon heeft ruimschoots de tijd gehad die stukken in te dienen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van een ononderbroken rechtmatig verblijf gedurende vijf jaren en kan de opgeëiste persoon niet worden gelijk gesteld met een Nederlander. De behandeling van de zaak hoeft daarom niet te worden geschorst in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen in de zaak Popławski II. </para>
        <para>De rechtbank behoeft zich in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen niet uit te laten over wat door de officier van justitie is opgeworpen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu ten aanzien van de vonnissen met referentienummers <emphasis role="bold">III K 441/01</emphasis> en <emphasis role="bold">III K 2028/01</emphasis> waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die vonnissen te worden toegestaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van het vonnis met referentienummer <emphasis role="bold">III K 1871/05 </emphasis>moet zij worden geweigerd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 300, 311, 350 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7, 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de <emphasis role="italic">Regional Court in Bialystok III Criminal Division </emphasis>(Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging de vrijheidsstraffen, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, die zijn opgelegd bij de vonnissen met referentienummers <emphasis role="bold">III K 441/01</emphasis> en <emphasis role="bold">III K 2028/01</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT </emphasis>de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> voor zover het EAB betrekking heeft op het vonnis met referentienummer <emphasis role="bold">III K 1871/05</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. C. Klomp,		  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.W.C.M. van Emmerik en M.J. Alink, 				   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen,		                        		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 26 april 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De jongste rechter is buiten staat mede te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>