<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:3548</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-23T08:43:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751981-16</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3548">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3548</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-22T15:35:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:3548 Rechtbank Amsterdam , 10-05-2019 / 13/751981-16</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3548:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolgings-EAB Bulgarije, tussenuitspraak: heropening i.v.m. detentieomstandigheden: in afwachting van beantwoording van de prejudiciële vragen in zaak Dorobantu (C-128/18) door het Hof van Justitie van de Europese Unie</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3548:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">  RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751981-16</para>
      <para>RK nummer: 17/1011</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 10 mei 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSENUITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 februari 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 11 oktober 2016 door <emphasis role="italic">the District’s Prosecutor’s Office – city of Ruse</emphasis> (Bulgarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1972, </para>
      <para>verblijvend op het [adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 25 april 2017</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 april 2017. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. Ö. Saki, advocaat te Rotterdam, zijn niet verschenen. De rechtbank heeft op voorhand ingestemd met een aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw van 12 april 2017, omdat de raadsvrouw over onvoldoende voorbereidingstijd beschikte. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 15 januari 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 15 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw en door een tolk in de Bulgaarse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek op die zitting geschorst tot de zitting van 5 maart 2019 in verband met – kort gezegd – de door de raadsvrouw zeer recent overgelegde stukken in het kader van de detentieomstandigheden en de beperkte zittingsruimte op die zittingsdatum. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 5 maart 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 5 maart 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink.</para>
      <para>De opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw zijn niet verschenen. De rechtbank heeft op voorhand ingestemd met een aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw van 4 maart 2019, wegens ziekte van de opgeëiste persoon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 26 april 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 26 april 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon heeft zich opnieuw doen bijstaan door zijn raadsvrouw en door een tolk in de Bulgaarse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">decree dated 20.07.2016, issued by the District Prosecutor’s Office – Ruse, Prosecutor’s file no. 1243/11 – Preliminary Proceedings no. 195/2011, based on the inventory of the District Prosecutor’s Office – Ruse, Preliminary proceedings no. 18/2011 based on the inventory of Border Police Office - Ruse</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Bulgarije strafbaar feit.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	mensensmokkel, meermalen gepleegd.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Detentieomstandigheden: heropening van het onderzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft bij uitspraak van 28 februari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:1269) op grond van het public statement van het CPT (Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing) van 26 maart 2015 geconcludeerd dat in Bulgarije in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) heeft bij uitspraak van 5 april 2016 (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 (Pál Aranyosi) en C-659/15 PPU (Robert Căldăraru), ECLI:EU:C:2016:198) bepaald dat de volgende stap is dat de uitvaardigende autoriteit informatie verschaft over de specifieke detentieomstandigheden in het geval de opgeëiste persoon zal worden overgeleverd. Op grond van deze informatie of garanties dient de rechtbank te beoordelen of het vastgestelde reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon wordt uitgesloten.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op verzoek van de officier van justitie heeft de <emphasis role="italic">Deputy Minister of Justice</emphasis> bij brief van 27 september 2018 onder meer het volgende meegedeeld:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">As a general rule Bulgarian national legislation requires that the inmates are serving their sentences in the nearest prison to their permanent address on the territory of the Republic of Bulgaria. Therefore Mr [opgeëiste persoon] has to serve his sentence in Lovech Prison.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">During his stay in Lovech Prison Mr [opgeëiste persoon] will be held in a prison cell (dormitory), permitting 4 sq m of personal space with separated toilet facilities. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voorts heeft de <emphasis role="italic">Director of International Legal Cooperation and European Affairs</emphasis> bij brief van 15 januari 2019 onder meer het volgende meegedeeld:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Rousse detention facility, where [opgeëiste persoon] will be accommodated during his pre-trial detention, has 31 dormitories and 53 berths. The detention facility has 12 single person dormitories, 16 double person and 3 triple person dormitories. The detainees are provided with 4 sq m living area per person. Each dormitory is equipped with a toilet and sink with tap water, bedding, plastic tables and chairs, and a plastic container for storing detainees’ personal belongings. (…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft – overeenkomstig haar schriftelijke pleitnota en kort gezegd – betoogd dat artikel 4 van het Handvest in de weg staat aan overlevering. Onduidelijk is in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon na zijn berechting zal worden geplaatst. Gelet op de stad van herkomst van de opgeëiste persoon zal dit waarschijnlijk de detentiefaciliteit in Varna zijn, en niet die in Lovech. Tevens dient aanvullende informatie te worden verstrekt met betrekking tot de detentieomstandigheden in die detentie-instelling en in <emphasis role="italic">Rousse detention facility</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden toegestaan. Weliswaar is in voornoemde uitspraak van 28 februari 2017 geconcludeerd dat in Bulgarije in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die aldaar zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, maar eind 2018 heeft de rechtbank een aantal overleveringen toegestaan op grond van garanties die – overeenkomstig de voornoemde garanties – het algemeen gevaar voor de betreffende opgeëiste persoon hebben weggenomen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2018:6159). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van voornoemde aanvullende informatie en gelet op het vertrouwensbeginsel ervan uitgaat dat de opgeëiste persoon voorlopig gedetineerd zal worden in <emphasis role="italic">Rousse detention facility </emphasis>en dat hij na zijn berechting in <emphasis role="italic">Lovech Prison</emphasis> zal terechtkomen. Aldus verwerpt de rechtbank dit verweer van de raadsvrouw.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voorts overweegt de rechtbank als volgt. Zoals uiteengezet dient de rechtbank – indien zij heeft aangenomen dat een reëel gevaar bestaat dat gedetineerden onmenselijk of vernederend worden behandeld – aan de hand van informatie over de specifieke detentieomstandigheden te beoordelen of dat gevaar voor de opgeëiste persoon wordt uitgesloten. </para>
        <para>In dit kader is van belang dat het <emphasis role="italic">Hanseatisches Oberlandesgericht Hamburg</emphasis> (Duitsland) in de zaak Dorobantu (C-128/18) prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Kort gezegd zien deze vragen op de vraag welke minimumeisen in verband met het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten ingevolge artikel 4 van het Handvest aan detentieomstandigheden moeten worden gesteld. Daarnaast wenst de verwijzende rechter te vernemen aan de hand van welke criteria de detentieomstandigheden in het licht van het Unierecht moeten worden beoordeeld. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Drie van de vragen luiden als volgt:</para>
      </parablock>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Geldt met name in het licht van het Unierecht een „absolute” ondergrens voor celafmetingen, bij niet-inachtneming waarvan altijd sprake is van schending van artikel 4 van het Handvest?</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Is het bij het bepalen van de individuele celruimte relevant of het om een eenpersoons- dan wel een meerpersoonscel gaat?</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Moet bij het bepalen van de celafmetingen de oppervlakte in mindering worden gebracht die door het meubilair in beslag wordt genomen (bed, kast, enz.)?</emphasis>
            <?linebreak?>
          </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht – gelet op de hiervoor genoemde aanvullende informatie en het toetsingskader dat zij dient toe te passen – beantwoording van deze vragen relevant voor de beoordeling van het onderhavige overleveringsverzoek. De rechtbank ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en dit voor onbepaalde tijd te schorsen in afwachting van beantwoording van bovengenoemde prejudiciële vragen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT</emphasis> en <emphasis role="bold">SCHORST</emphasis> het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd in afwachting van beantwoording van de prejudiciële vragen in de zaak Dorobantu (C-128/18) door het Hof van Justitie van de Europese Unie;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van een tolk in de Bulgaarse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. <?linebreak?>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. C. Klomp,  					                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.T.C. de Vries en O.P.M. Fruytier,			   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman,		                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 10 mei 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>