<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:3547</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-17T14:15:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751016-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3547">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3547</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-17T12:01:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:3547 Rechtbank Amsterdam , 10-05-2019 / 13/751016-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3547:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB Frankrijk, verzetgarantie genoegzaam, artikel 13 OLW, gelijkstellingsverweer ondanks verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd afgewezen i.v.m. brief IND dat verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht zal verliezen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3547:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751016-19</para>
      <para>RK nummer: 19/1521</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 10 mei 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 maart 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 12 december 2018 door <emphasis role="italic">de Procureur van de Republiek bij het Tribunal de Grande Instance de Nancy</emphasis> (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1978, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, </para>
      <para>gedetineerd in de [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 april 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. Y. Özdemir, advocaat te Den Haag en – na schorsing van de zitting – door een tolk in de Turkse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Turkse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van 11 mei 2016 van de<emphasis role="italic"> Tribunal Correctionnel de Nancy</emphasis>, referentie 08/000022983.</para>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 7 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 5 jaar, 8 maanden en 10 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.1.1.</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inhoud van de stukken</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer het volgende in:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Aanduiden of de betrokken persoon persoonlijk bij de terechtzitting aanwezig was die tot de beslissing geleid heeft:</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <para>
          <emphasis role="italic">2. [X] Neen de betrokken persoon is niet voorgekomen op de terechtzitting die tot de beslissing geleid heeft.</emphasis>
        </para>
        <para />
        <para>
          <emphasis role="italic">3. Zo u het vakje punt 2 hebt aangekruist, wilt u dan bevestigen of</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">[X] 3.2 de betrokken persoon heeft de betekenis van de beslissing niet persoonlijk ontvangen, maar</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">- hij zal die onmiddellijk ontvangen na de overhandiging en</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">- wanneer hij die ontvangen zal hebben, zal hij duidelijk over zijn recht op een nieuwe procedure van oordeel of van een procedure van beroep ingelicht worden waaraan de betrokken persoon het recht heeft deel te nemen en die het hem mogelijk maakt om de zaak betreffende de grond opnieuw te onderzoeken, rekening houdend met nieuwe bewijzen, en tot een nietigverklaring van de eerste beslissing kan leiden en </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">- hij zal ingelicht worden over de termijn waarin hij een nieuwe procedure van oordeel of procedure van hoger beroep moet aanvragen, nl. … dagen. </emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op verzoek van de officier van justitie heeft de <emphasis role="italic">TGI de Nancy – Service Audiencement/Correctionnel JIRS</emphasis> bij e-mail van 9 april 2019 onder meer het volgende meegedeeld:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">
              [opgeëiste persoon] has ten days after he knows the sentence to make appeal. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <para />
        <para />
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.2.</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De raadsman heeft betoogd dat de hiervoor genoemde verklaring onvoldoende duidelijk en te algemeen geformuleerd is. Aldus is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW aan de orde. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.3.</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring – mede gelet op de aanvullende informatie van 9 april 2019 – genoegzaam en voldoende duidelijk is. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.4.</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.  </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat </para>
        </parablock>
        <para />
        <para>( i) dat het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en</para>
        <para />
        <para>( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Naar het oordeel van de rechtbank – en volgens vaste jurisprudentie – voldoet de hiervoor genoemde verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW. De in dit artikel bedoelde weigeringsgrond is niet van toepassing. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 1, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	deelneming aan een criminele organisatie</emphasis>; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en onder nummer 5, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 6, tweede lid, in samenhang met het vijfde lid, OLW</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. De opgeëiste persoon beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Weliswaar heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij brief van 25 maart 2019 aangegeven dat de verwachting bestaat dat hij zijn verblijfsrecht zal verliezen, maar de brief is te algemeen geformuleerd en niet specifiek op de situatie van de opgeëiste persoon toegespitst. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat – op grond van de hiervoor genoemde brief van de IND en vaste jurisprudentie van deze rechtbank – de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6, vijfde lid, van de OLW zijn voldaan aan drie vereisten, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>vervolgingsmogelijkheid in Nederland voor de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ad 1. </emphasis>
        </para>
        <para>De opgeëiste persoon heeft de Turkse nationaliteit en beschikt sinds 16 mei 2007 over een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Zijn oorspronkelijk verblijf gaat terug tot 21 oktober 1998.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ad 2.</emphasis>
        </para>
        <para>Nederland heeft rechtsmacht over de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht. In zoverre voldoet de opgeëiste persoon aan de eerste twee vereisten van artikel 6, vijfde lid, van de OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ad 3.</emphasis>
        </para>
        <para>Met betrekking tot het derde vereiste overweegt de rechtbank als volgt. Het is – volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank – niet aan de overleveringsrechter om ten gronde te beoordelen of de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest als gevolg van een veroordeling voor de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Deze beoordeling zal eventueel op een later moment geschieden door de Minister van Justitie en Veiligheid. De vreemdelingenrechter zal in voorkomende gevallen deze beoordeling ten gronde toetsen. In het geval van de beoordeling van het verlies van het verblijfsrecht heeft de wetgever de overleveringsrechter opgedragen hierover een ‘voorlopig’ oordeel te geven. De overleveringsrechter kan, en moet, zich beperken tot de vraag of de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. In de praktijk verzoekt de officier van justitie de IND te beoordelen of deze verwachting bestaat. De overleveringsrechter baseert zich vervolgens op de beoordeling door de IND bij die voorlopige toetsing.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de onderhavige zaak geldt het volgende. In de brief van de IND van 25 maart 2019 is vermeld dat de feiten waarvoor Frankrijk de overlevering heeft verzocht er toe kunnen leiden dat het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon eindigt. Hierbij is meegenomen welke straf de Franse rechter heeft opgelegd, welke straf(eis) in Nederland van toepassing zou zijn en – vervolgens – of er reeds op voorhand persoonlijke feiten en omstandigheden bekend zijn die zich tegen intrekking van het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon verzetten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aldus is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon niet voldoet aan het derde vereiste en daarom niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB heeft betrekking op een feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. <?linebreak?>In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Franse autoriteiten plaats te vinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De volgende argumenten zijn aangevoerd: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het onderzoek is in Frankrijk aangevangen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het bewijs bevindt zich grotendeels in Frankrijk;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de verdovende middelen zijn in Frankrijk ingevoerd;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de rechtsorde in Frankrijk is geschonden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de opgeëiste persoon is in Frankrijk – bij verstek – veroordeeld. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW, en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
      <para>8. <emphasis role="bold">Toepasselijke wetsbepalingen</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5, 7, 12 en 13 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan door <emphasis role="italic">de Procureur van de Republiek bij het Tribunal de Grande Instance de Nancy</emphasis> (Frankrijk) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. </para>
      <para>
        <?linebreak?>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. C. Klomp,  				 			voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.T.C. de Vries en O.P.M. Fruytier,                         		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman,		                              griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 10 mei 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>