<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:3546</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-17T12:57:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751155-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3546">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3546</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-17T12:55:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:3546 Rechtbank Amsterdam , 10-05-2019 / 13/751155-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3546:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB België, lijstfeit niet voor alle feiten in redelijkheid aangekruist, wel alle feiten dubbel strafbaar naar Nederlands recht</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3546:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751155-19</para>
      <para>RK nummer: 19/1603</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 10 mei 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 februari 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 15 februari 2019 door het Openbaar Ministerie bij de Strafuitvoeringsrechtbank te Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Egypte) op [geboortedag] 1993, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 april 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is – ondanks een correcte betekening van de oproeping – niet ter zitting verschenen. Zijn raadsvrouw, mr. J.E.R. Geurts, advocaat te Utrecht, heeft verklaard door de opgeëiste persoon niet uitdrukkelijk gemachtigd te zijn namens hem het woord te voeren.</para>
      <para>
        <?linebreak?>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Belgische nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt onder meer melding gemaakt van een</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>vonnis van de Correctionele Rechtbank te Brussel d.d. 19 mei 2016, waarbij een gevangenisstraf is opgelegd voor de duur van 5 jaar, waarvan de helft met uitstel van de tenuitvoerlegging;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 8 februari 2017, waarbij het uitgestelde gedeelte van de hiervoor genoemde straf effectief is geworden.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank begrijpt – mede op grond van de e-mail van de Substituut Procureur des Konings bij het parket Antwerpen van 1 maart 2019 – dat de overlevering wordt verzocht ten behoeve van de executie van de gevangenisstraf, opgelegd bij het hiervoor onder 2 genoemde arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, dat op twee onderliggende vonnissen ziet, te weten het vonnis dat bij hoger beroep werd bestreden en het hiervoor onder 1. vermelde vonnis. Het EAB ziet – in totaal – op drie strafbare feiten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 5 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De Substituut Procureur des Konings heeft bij voornoemde e-mail onder meer meegedeeld dat van deze straf nog 1086 dagen resteren. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het eveneens hiervoor genoemde arrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest betreft de drie feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de hiervoor genoemde e-mail van het parket Antwerpen blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen, zowel bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit arrest heeft geleid als bij de behandeling ter terechtzitting die tot het onder 1. genoemde vonnis heeft geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid van de feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de drie feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt, door het lijstfeit <emphasis role="italic">ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling</emphasis> (nummer 16 op de lijst van bijlage 1 bij de OLW) aan te kruisen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de omschrijving van de twee feiten onder “<emphasis role="italic">Titel 2</emphasis>” in het EAB onder rubriek e) is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen deze feitomschrijvingen en de aangekruiste categorie. Volgens het EAB ziet deze titel namelijk op – kort gezegd – afpersing in vereniging van € 38.000,- (“<emphasis role="italic">Tenlastelegging A</emphasis>”) en op diefstal van twee kentekenplaten (“<emphasis role="italic">Tenlastelegging B</emphasis>”). Deze strafbare feiten kunnen niet worden geclassificeerd als het hiervoor genoemde lijstfeit. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het lijstfeit – voor deze feiten – niet in redelijkheid heeft kunnen aankruisen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW zijn neergelegd, in het bijzonder aan de eis dat deze feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenlastelegging A: <emphasis role="italic">afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen</emphasis>;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenlastelegging B: <emphasis role="italic">diefstal</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts overweegt de rechtbank dat het hiervoor genoemde lijstfeit in redelijkheid is aangekruist voor één van de twee componenten van het feit onder “<emphasis role="italic">Titel 1</emphasis>” in het EAB. Toetsing van de dubbele strafbaarheid van deze component moet dan ook achterwege blijven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Echter, de rechtbank is van oordeel dat het tweede component – kortgezegd de diefstal met geweld in vereniging – niet onder het lijstfeit valt en dus eveneens naar Nederlands recht strafbaar moet zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat ook hieraan is voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit component levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan het Openbaar Ministerie bij de Strafuitvoeringsrechtbank te Antwerpen (België) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. </para>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. C. Klomp,  					                         voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.T.C. de Vries en O.P.M. Fruytier,     				   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman,		                              griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 10 mei 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>