<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:3324</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-16T10:36:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-751318-18     18-7784</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3324">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3324</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-09T08:57:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:3324 Rechtbank Amsterdam , 02-05-2019 / 13-751318-18     18-7784</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3324:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Polen. Een procedure om de Poolse straf opnieuw om te laten zetten in een voorwaardelijke straf leidt tot het antwoord dat de straf door Nederland kan worden overgenomen. Deze beslissing is echter niet aan de rechtbank.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3324:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751318-18</para>
      <para>RK nummer: 18/7784</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 2 mei 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 november 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 6 december 2017 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Gdańsk</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1990, </para>
      <para>niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen maar verblijvend op het adres: <?linebreak?>[adres], [plaats],<?linebreak?></para>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 15 januari 2019</emphasis>
        <?linebreak?>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 15 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. </para>
      <para>De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. V.C. Andeweg, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst in verband met de door de opgeëiste persoon gestarte procedure in Polen om de straf omgezet te krijgen in een voorwaardelijke straf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de voorwaarden waaronder de overleveringsdetentie is geschorst gewijzigd, zoals neergelegd in de daarop betrekking hebbende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 18 april 2019</emphasis>
        <?linebreak?>De rechtbank heeft, met toestemming van partijen, op 18 april 2019 het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing van 15 januari 2019 bevond. Gehoord zijn de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw.<?linebreak?>De opgeëiste persoon is opnieuw bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij ook die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon 		</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon opnieuw onderzocht. <?linebreak?>De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van 14 oktober 2014 van <emphasis role="italic">the District Court Gdańsk-North</emphasis> in Gdańsk, met kenmerk: II K 168/14. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een bij voornoemd vonnis opgelegde vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog een straf van 11 maanden en 21 dagen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 10 januari 2019 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit meegedeeld, dat deze straf aanvankelijk voorwaardelijk is opgelegd, maar dat bij beslissing van 20 december 2016 de straf is omgezet in een onvoorwaardelijke straf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het antwoord van de Poolse autoriteiten over de procedure in Polen</emphasis>
        <?linebreak?>De raadsvrouw heeft ter zitting een beslissing (‘decision’) overgelegd in de Poolse taal, met Engelse vertaling, afkomstig van het Kantongerecht te Gdańsk en gedateerd 1 april 2019, die zij kort voor de zitting van de opgeëiste persoon heeft ontvangen. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij deze brief heeft gekregen via zijn Poolse raadsman en dat het een reactie is op de door deze advocaat ingezette procedure. Noch de rechtbank noch de officier van justitie beschikte tot dat moment over deze ‘decision’.</para>
      <para>De beslissing luidt:<?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘decides: apply to the appropriate authority in the Netherlands Ministerie van Veiligheid en Justitie – Dienst Justitiële Inrichtingen Afdeling Internationale Overdracht Strafvonnissen (IOS) for consideration of the possibility of the giving of consent for taking over for execution the remaining sentence to be served (…)’</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>De rechtbank stelt, met de officier van justitie en de raadsvrouw, vast dat deze beslissing geen uitsluitsel biedt over de door de Poolse raadsman op verzoek van de opgeëiste persoon bij de rechtbank in Polen geïnitieerde procedure om de gelaste tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf terug te draaien naar de oorspronkelijk voorwaardelijk opgelegde straf, waarmee de intrekking van het EAB zou worden bewerkstelligd.<?linebreak?>Een overname van de straf door de Nederlandse autoriteiten, zoals gesuggereerd in de ‘decision’, is nooit eerder als optie aangevoerd en het is ook niet aan de rechtbank om hierover te beslissen. Voor een dergelijke procedure staat een andere weg open, die voorlopig nauwelijks kansrijk lijkt gelet op het gegeven dat de opgeëiste persoon geen beroep kan doen op gelijkstelling aan een Nederlander conform artikel 6, tweede lid OLW omdat hij niet voldoet aan de in artikel 6, vijfde lid OLW genoemde vereisten.<?linebreak?>Van een intrekking van het EAB is geen sprake.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Een verzoek om aanhouding om nogmaals de mogelijkheid te onderzoeken of de straf weer een voorwaardelijke straf kan worden, is door de rechtbank afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis betreft het feit zoals dat als volgt is omschreven in onderdeel E van het EAB:</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">On 16 March 2012, in Gdańsk, when filing an application for a Citibank credit card, he submitted a false written statement of holding a job with the firm called [naam firma], the type of employment, and the monthly earnings of 8000 zlotys generated thereunder, where the fact was of vital significance for obtaining the above indicated financial support.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Is de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW aan de orde?</emphasis>
        </para>
        <para>
          <?linebreak?>De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.</para>
        <para>In het EAB staat onder D het volgende vermeld:</para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">No, the requested did not appear in person at the trial during which the judgement was pronounced.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">The person was summoned in person on 14 October 2014, hence was notified of the place and date set for the trial which resulted in pronouncement of the judgement, and was cautioned that the court might issue the judgement even if he/she did not appear at the trial.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij brief van 10 januari 2019 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit onder meer het volgende meegedeeld:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">the requested person, [opgeëiste persoon], did not appear in person at the trial</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">closed with the pronouncement of the judgment, however he had been notified of the trial</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">in person and had consented to its holding in his absence.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <?linebreak?>Op 11 januari 2019 heeft het IRC de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd:<?linebreak?></para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- Could you please inform me how exactly [opgeëiste persoon] has been summoned? Did he for example sign an acknowledgement of receipt?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- Could you inform me if it can be established that [naam] </emphasis>de rechtbank begrijpt: <?linebreak?>[opgeëiste persoon]) <emphasis role="italic">was actually aware of the judgment? Has he been personally served with the decision?</emphasis></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 14 januari 2019 is het volgende antwoord ontvangen van de <emphasis role="italic">Judge of the Regional Court in Gdańsk</emphasis>:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In reply to your letter I would like to inform you as follows:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- Yes, [opgeëiste persoon] signed an acknowledgment of receipt.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- No, he hasn’t.</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt op basis van de verstrekte gegevens vast dat er vanuit moet worden gegaan dat  de opgeëiste persoon tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing heeft geleid, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt (artikel 12, aanhef, onder a OLW). <?linebreak?>Er is geen procedure in hoger beroep geweest.<?linebreak?></para>
        <para>De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW staat dan ook niet in de weg aan overlevering.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit levert naar Nederlands recht op: <emphasis role="italic">oplichting.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Standpunt raadsvrouw<?linebreak?></title>
    <para>De raadsvrouw heeft verklaard geen weigeringsgronden voor de overlevering te zien.  </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, moet de overlevering worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 326 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 Overleveringswet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Gdańsk</emphasis> (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, Polen, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. Ch.A. van Dijk, 	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. E.M.M. Gabel en M.T.C. de Vries,      				   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van L.C. Werkman,		                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 2 mei 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>