<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:3164</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-16T10:34:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-03-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/752050-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3164">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3164</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-06T11:16:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:3164 Rechtbank Amsterdam , 26-03-2019 / 13/752050-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3164:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB Polen, artikel 12 OLW, artikel 35 OLW, Poolse rechtsstaat verweer in het kader van een executie-EAB</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3164:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/752050-18</para>
      <para>RK nummer: 19/650</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 26 maart 2019 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 januari 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 9 april 2018 door de <emphasis role="italic">Regional Court in Poznań</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1986, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>uit anderen hoofde gedetineerd in de [plaats detentie] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 maart 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat te <?linebreak?>‘s-Gravenhage en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">aggregate judgment of the District Court in Szamotuły of 26 June 2014 sustained by the judgment of the Regional Court in Poznań of 23 October 2014 sentencing [opgeëiste persoon] to 2 years and 2 months’ imprisonment (A) and the aggregate sentence of 6 months’ imprisonment (B), reference numbers II K 168/14, IV Ka 825.14</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf </para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="upperalpha">
      <listitem>
        <para>voor de duur van 2 jaar en 2 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar en 8 maanden, en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>voor de duur van 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.1.1.</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inhoud van de stukken</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer het volgende in:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Indicate if the person appeared in person at the trial resulting in the decision:</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Yes, the person appeared in person at the trial resulting in the decision.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op verzoek van de officier van justitie heeft <emphasis role="italic">the Regional Court in Poznań</emphasis> bij brief van 14 februari 2019 onder meer het volgende medegedeeld:</para>
        </parablock>
        <para />
        <para>- <emphasis role="italic">with regard to questions forwarded on 06/02/2019 the Court states that the aggregate judgment pertains to individual penalties that [opgeëiste persoon] received per separate sentences. The aggregate judgment indicated by the Court in the EAW Form concerns the cumulation of individual custodial sentences that [opgeëiste persoon] received and as a result two aggregate penalties were adjudicated. [opgeëiste persoon] had previously received four individual judgements, namely:</emphasis></para>
        <parablock>
          <para>o <emphasis role="italic">by the District Court in Hrubieszów on 18/03/2008 with regard to Case No. II K 374/07 for an offence under Article 291 § l of the Penal Code (described in Section E of the Form under 2.I) and with regard to Case No. IV K 120/08 for an offence under Article 157 § 1 of the Penal Code (described in Section E of the Form under 2.II) - the District Court in Szamotuły with regard to Case No. II K 168/14 adjudicated the aggregate judgment - the custodial sentence of two years and two months (Section C of the Form)</emphasis></para>
          <para>o <emphasis role="italic">and by the District Court in Hrubieszów on 04/09/2013 with regard to Case No. II K 531/13 for an offence under Article 13 § 1 of the Penal Code in conjunction with Article 64 § 1 of the Penal Code (described in Section E of the Form under 2.III) and by the District Court in Szamotuły dated 25/09/2013 with regard to Case No. II K 80l/13 for an offence under Article 270 §1 of the Penal Code committed on 14/06/2013 (described in Section E of the Form under 2.IV) - the District Court in Szamotuły with regard to Case No. II K 168/14 adjudicated the aggregate judgment - the custodial sentence of six months (Section C of the Form).</emphasis></para>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Verder heeft <emphasis role="italic">the Regional Court in Poznań</emphasis> bij brief van 28 februari 2019 onder meer het volgende medegedeeld:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…) would like to inform you that with regard to Case No. II K 120/08, II K 531/13, II K 374/07 and II K 801/13 the Convict, [opgeëiste persoon] , appeared in person at the court sessions when the judgments were passed. Also, the Court would like to indicate that there were no appeal proceedings conducted with regard to the above-referred cases. </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">In reference to Case No. II K 168/14 it has to be indicated that the Convict participated at </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">the court hearing held on 26/06/2014 when the judgment was passed and he later brought an appeal to this judgment. The Convict did not participate in the appeal court hearing </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">although he had been duly notified of it and he did not request to be brought to the court hearing. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Tevens heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij de hiervoor genoemde brief voor ieder van de vonnissen onderdeel d) van het EAB overgelegd. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Ten aanzien van “<emphasis role="italic">the aggregate judgment</emphasis>” met referentienummers <emphasis role="underline">II K 168/14 en IV Ka 825/14 </emphasis>waar het EAB op ziet, heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de informatie als verstrekt in onderdeel d) van het EAB als volgt aangevuld:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Indicate if the person appeared in person at the trial resulting in the decision:</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">X Yes, the person appeared in person at the trial resulting in the decision. II K 168/14</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">If you have ticked the box under point 2, please confirm the existence of one of the following:</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">IV Ka 825/14</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">X 3.1a. the person was summoned in person on …. (day/month/year) and thereby informed of the scheduled date and place of the trial which resulted in the decision and was informed that a decision may be handed down if he or she does not appear for the trial;</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Ten aanzien van de vier onderliggende vonnissen met referentienummers <emphasis role="underline">II K 374/07</emphasis>, <emphasis role="underline">IV K 120/08</emphasis>, <emphasis role="underline">II K 531/13</emphasis> en <emphasis role="underline">II K 801/13</emphasis> houdt onderdeel d) steeds in:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Indicate if the person appeared in person at the trial resulting in the decision:</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Yes, the person appeared in person at the trial resulting in the decision.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Tot slot heeft de <emphasis role="italic">Sąd Rejonowy w Szamotułach</emphasis> bij brief van 1 maart 2019 onder meer het volgende medegedeeld:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…) de kennisgeving met datum en tijdstip van de terechtzitting in hoger beroep in de strafzaak met nummer IV Ka 825/14 (II K 168/14) op 19-09-2014 aan de veroordeelde [opgeëiste persoon] is betekend (ontvangstbevestiging bijgesloten).</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.2.</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat – kort gezegd – de overlevering moet worden geweigerd omdat de opgeëiste persoon stelt dat sprake is van een verstekvonnis waartegen hij in beroep wil komen. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.3.</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet aan de orde is. Blijkens het EAB en de hiervoor opgenomen aanvullende informatie is de opgeëiste persoon aanwezig geweest bij de terechtzittingen die hebben geleid tot de vier onderliggende vonnissen (referentienummers <emphasis role="underline">II K 374/07</emphasis>, <emphasis role="underline">IV K 120/08</emphasis>, <emphasis role="underline">II K 531/13</emphasis> en <emphasis role="underline">II K 801/13</emphasis>). Tevens is de opgeëiste persoon aanwezig geweest bij de zitting die heeft geleid tot het vonnis (referentienummer <emphasis role="underline">II K 168/14</emphasis>) waarbij de vier straffen zijn samengevoegd tot één straf. Weliswaar is de opgeëiste persoon niet aanwezig geweest bij de behandeling in hoger beroep (referentienummer <emphasis role="underline">IV Ka 825/14</emphasis>) tegen dit samengestelde vonnis, maar hij is  hiervoor tijdig en in persoon opgeroepen en daarbij is hij op de hoogte gebracht van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing heeft geleid. Aldus is ten aanzien van dit arrest sprake van de situatie als omschreven in artikel 12, sub a, OLW. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank verwerpt het verweer. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feit IV waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 23, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten; vervalsing van betaalmiddelen</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten I tot en met III niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>feit I:<emphasis role="italic"> opzetheling</emphasis>;</para>
        <para>feit II: <emphasis role="italic">mishandeling</emphasis>;</para>
        <para>feit III: <emphasis role="italic">poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen</emphasis>. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 35 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft ter zitting aangevoerd dat de opgeëiste persoon in Nederland moet worden behandeld voor zijn verslaving. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt dat het aan de officier van justitie is om de situatie van de opgeëiste persoon te  beoordelen in het kader van de feitelijke overlevering op grond van artikel 35, derde lid, van de OLW. Hetgeen is aangevoerd levert geen weigeringsgrond op.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Poolse rechtsstaat</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft – kort gezegd – betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, gelet op de zorgelijke situatie met betrekking tot de Poolse rechtsstaat. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een zorgelijke ontwikkeling in Polen. De ernst hiervan wordt onder andere geïllustreerd door de zogeheten artikel 7-procedure die door de Europese Commissie tegen Polen is gestart. De rechtbank heeft daarbij kennis genomen van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 25 juli 2018 in zaak C-216/18 PPU (ECLI:EU:C:2018:586). Dit overleveringsverzoek ziet, anders dan de beslissing waar het arrest op ziet, op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, die al is opgelegd bij het eerder aangehaalde vonnis uit 2014. Niet is gebleken van een verband tussen dit vonnis en de recente, zorgelijke ontwikkeling in Polen. De rechtbank overweegt dat in deze omstandigheden niet kan worden geoordeeld dat bij overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen sprake is van een reëel gevaar van een flagrante schending van de aan hem toekomende rechten, zoals gewaarborgd in artikel 47 Handvest. De rechtbank ziet in deze omstandigheden geen aanleiding het onderzoek ter zitting aan te houden om aanvullende vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten. De rechtbank verwerpt het verweer. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 300, 311 en 416 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de <emphasis role="italic">Regional Court in Poznań</emphasis> ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. </para>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. A.K. Glerum,  				                        			voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.W.C.M. van Emmerik en E. Laanen,                         			rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman,		                              	griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 26 maart 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>