<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:3161</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-03T16:15:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-03-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751660-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3161">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3161</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-03T15:15:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:3161 Rechtbank Amsterdam , 26-03-2019 / 13/751660-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3161:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB Duitsland, artikel 12 OLW, Ardic</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3161:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751660-18</para>
      <para>RK nummer: 18/5775</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 26 maart 2019 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 augustus 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 14 juni 2018 door de <emphasis role="italic">Staatsanwaltschaft Hannover</emphasis> (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Sierra Leone) op [geboortedag] 1982, </para>
      <para>verblijvend op het adres [verblijfadres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 13 november 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 november 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. </para>
      <para>De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en medegedeeld dat uitspraak zal worden gedaan op 27 november 2018. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Tussenuitspraak 27 november 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank aanleiding gezien het onderzoek te heropenen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit te verzoeken de hierna opgenomen vragen met betrekking tot – kort gezegd – het vonnis dat aan het EAB ten grondslag ligt, te beantwoorden:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. <emphasis role="italic">Is de opgeëiste persoon bij vonnis van 24.08.2016 door de rechtbank Hannover veroordeeld tot een voorwaardelijke, een onvoorwaardelijke of een deels voorwaardelijke en deels onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf?</emphasis></para>
      <para>2. <emphasis role="italic">Welke beslissing ligt ten grondslag aan het aanhoudingsbevel van 23.04.2018 (6031 Js 98447/15)? </emphasis></para>
      <para>3. <emphasis role="italic">Door welke autoriteit en op welke datum is de beslissing, bedoeld vraag 2, genomen?   </emphasis></para>
      <para>4. <emphasis role="italic">a. Zijn in de beslissing, bedoeld in vraag 2, de aard en/of duur van de bij vonnis van 24.08.2018 uitgesproken straf gewijzigd, en:</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">b. Beschikte de bevoegde autoriteit daarbij over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid?</emphasis>
      </para>
      <para>5. <emphasis role="italic">Indien het antwoord op vraag 4 bevestigend luidt, was de opgeëiste persoon, conform artikel 4 bis van het Kaderbesluit EAB, lid 1 a tot en met d, in persoon gedagvaard om ter zitting te verschijnen, dan wel in persoon aanwezig tijdens de behandeling, dan wel vertegenwoordigd door een advocaat ter zitting die tot die beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid, en/of geïnformeerd omtrent de hem ten dienste staande rechten van verzet of hoger beroep? </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 12 maart 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 12 maart 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. </para>
      <para>De opgeëiste persoon is opnieuw bijgestaan door zijn raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon 		</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de nationaliteit van Sierra Leone heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een Aanhoudingsbevel ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf uitgevaardigd door het Openbaar Ministerie Hannover van 23 april 2018 (dossiernummer 6031 Js 98447/15) en een vonnis van de Arrondissementsrechtbank Hannover (Landgericht Hannover) van 24 augustus 2016 (70 KLs Js 98447/15.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De <emphasis role="italic">Staatsanwaltschaft Hannover</emphasis> heeft bij e-mail van 5 februari 2019 de hiervoor genoemde vragen van de rechtbank beantwoord:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. <emphasis role="italic">The court of Hannover on 24th of August 2016 issued a conditional prison sentence (suspended sentence) (only) </emphasis></para>
      <para>2. <emphasis role="italic">The conditional suspension has been revoked by the same court of Hannover on 2nd November 2017</emphasis></para>
      <para>3. <emphasis role="italic">See question 2</emphasis></para>
      <para>4. <emphasis role="italic">a. The conditional suspension of the prison sentence has been revoked. The duration of the prison sentence (originally: 1 year 10 month) has not been changed. </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">b. The decision of the revocation is obligatory in three enumerated cases (here: violation of the conditions of the probation)</emphasis></para>
      <para>5. <emphasis role="italic">---</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 10 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Volgens het EAB dient de opgelegde straf nog in het geheel te worden uitgezeten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Echter, op verzoek van de officier van justitie heeft de <emphasis role="italic">Staatsanwaltschaft Hannover</emphasis> bij e-mail van 1 november 2018 onder meer medegedeeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">The time of imprisonment (225 days) will automatically reduce his remaining sentence once he is imprisoned again to about 1 year and two month. The exact calculating of the remaining sentence in days depend on the month of the arrest (30 or 31 days) and cannot yet be provided. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.1.1.</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inhoud van de stukken</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer het volgende in:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Gelieve te vermelden of de betrokkene in persoon is verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing:</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">[X] Ja, de betrokkene is in persoon verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.2.</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De raadsman heeft betoogd dat de onder 3 opgenomen e-mail van de <emphasis role="italic">Staatsanwaltschaft Hannover</emphasis> van 5 februari 2019 weliswaar voor enige duidelijkheid heeft gezorgd, maar dat nog steeds niet blijkt op grond waarvan en op welke wijze de omzetting heeft plaatsgevonden. Aldus dient de overlevering te worden geweigerd.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.3.</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank is van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW – gelet op de hiervoor vermelde informatie uit het EAB die overeenkomt met de verklaring die de opgeëiste persoon bij zijn voorgeleiding op dit punt heeft afgelegd – niet aan de orde is. </para>
          <para>Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is ten aanzien van de uitspraak waarbij de voorwaardelijke straf is omgezet in een onvoorwaardelijke straf, volgt de rechtbank hem daarin niet. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) heeft in een uitspraak van 22 december 2017 (C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026, Ardic) bepaald dat beslissingen tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf niet onder de reikwijdte van artikel 6, eerste lid, EVRM en evenmin onder de reikwijdte van art. 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ vallen, voor zover noch de aard noch de maat van de aanvankelijk uitgesproken straf is gewijzigd. Uit de mededelingen van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat noch de aard noch de duur van de oorspronkelijke straf is gewijzigd. De rechtbank verwerpt het verweer.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] </emphasis>aan de <emphasis role="italic">Staatsanwaltschaft Hannover</emphasis> ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. </para>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. A.K. Glerum,	 				                         voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.W.C.M. van Emmerik en E. Laanen,              			rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman,		                         griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 26 maart 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>