<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:3156</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-02T14:35:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751148-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3156">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3156</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-01T16:58:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:3156 Rechtbank Amsterdam , 30-04-2019 / 13/751148-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3156:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB Polen. Verweer t.a.v. artikel 12 OLW - met beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 december 2017 in de zaak Ardic - verworpen. Overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3156:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">		                    RECHTBANK AMSTERDAM	</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">		      INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751148-19</para>
      <para>RK nummer: 19/1376</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 30 april 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 februari 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 25 januari 2019 door<emphasis role="italic"> the District Court of Legnica – III Criminal Department</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986, </para>
      <para>wonende op het adres: </para>
      <para>	[adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 april 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van 20 november 2015 van <emphasis role="italic">the Regional Court of Gliwice</emphasis>, met kenmerk: IX K 1082/15.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf staat volgens het EAB nog geheel open. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 18 maart 2019 volgt dat bij de uitspraak van 20 november 2015 de tenuitvoerlegging van de hiervoor genoemde gevangenisstraf voorwaardelijk is opgeschort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beslissing van 9 augustus 2018 van <emphasis role="italic">the Regional Court of Lublin</emphasis> (kenmerk: II Ko 1315/18) is de tenuitvoerlegging bevolen van de oorspronkelijk voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf (hierna: de omzettingsbeslissing).     </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich niet voordoet  ten aanzien van het vonnis van 20 november 2015. Uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 18 maart 2019 volgt immers dat de situatie van artikel 12 onder a OLW zich voordoet, nu de opgeëiste persoon de dagvaarding voor de zitting van 20 november 2015 persoonlijk heeft ontvangen en ervan in kennis is gesteld dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt.</para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat de omzettingsbeslissing van 9 augustus 2018 ook moet worden getoetst aan artikel 12 OLW. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 december 2017 in de zaak Ardic<footnote-ref linkend="_b366f84d-f44e-4254-9176-d2cb4388a428" /> heeft de raadsman gesteld dat bij de omzettingsbeslissing weliswaar geen andere straf is opgelegd, maar dat er wel een andere straf opgelegd had kúnnen worden. De bevoegdheid om de aard of de maat van de straf te wijzigen bij een omzettingsbeslissing, volgt volgens de raadsman uit artikel 74 van het Poolse wetboek van strafrecht; de raadsman heeft dit artikel voorgehouden zoals in zijn pleitaantekeningen is vermeld:  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Article 74. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">§ 1. The time and manner of execution of the imposed obligations, specified in Article 72 shall be determined by the court after hearing from the sentenced person; the imposition of the obligation specified in Article 72 § 1 section 6 shall require the additional consent from the sentenced person.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">§2. If educational or general care considerations warrant this, the court may, during the probation period, institute, extend or modify the obligations imposed on a person sentenced to a deprivation of liberty with a conditional suspension of its execution, as mentioned in Article 72 § 1 sections 3 through 8, or release him from these obligations (except the obligation specified in Article 72 § 2), and likewise either place the sentenced person under supervision or release him from the aforesaid Article. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ondanks het feit dat alle gegevens van de opgeëiste persoon bekend waren bij de autoriteiten, is de opgeëiste persoon niet op de hoogte gesteld van de zitting die heeft geleid tot de omzettingsbeslissing. Dit heeft dus geheel buiten zijn medeweten om plaatsgevonden. Ten aanzien van de zitting die tot de omzettingsbeslissing heeft geleid, wordt dan ook niet voldaan aan de vereisten van artikel 12 OLW, zodat de overlevering op basis van dit artikel moet worden geweigerd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, zodat de opgeëiste persoon in de gelegenheid wordt gesteld om stukken over te leggen waaruit de afspraken volgen tussen de opgeëiste persoon en de Poolse reclassering. Deze afspraken kunnen aantonen dat de opgeëiste persoon van zijn reclasseringsambtenaar de garantie heeft gekregen, dat – bij naleving van de voorwaarden – de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet zou worden omgezet. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van officier van justitie </emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de omzettingsbeslissing niet onder het bereik van artikel 12 OLW valt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>Rechtsoverwegingen 75 tot en met 77 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 december 2017 in de zaak Ardic luiden als volgt: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Hoewel de onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij de betrokkene wordt veroordeeld, met inbegrip van die tot vaststelling van de vrijheidsstraf die de betrokkene moet ondergaan, duidelijk onder artikel 6 van het EVRM valt, volgt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat die bepaling daarentegen niet van toepassing is op kwesties inzake de tenuitvoerlegging of de toepassing van een dergelijke vrijheidsstraf (…).</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dat is slechts anders wanneer na een beslissing waarin uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en de betrokkene tot een vrijheidsstraf is veroordeeld, een nieuwe rechterlijke beslissing wordt gegeven waarbij de aard of de maat van de eerder uitgesproken straf wordt gewijzigd, hetgeen het geval is wanneer een gevangenisstraf wordt vervangen door uitzetting (…).</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In het licht van het bovenstaande moet dus worden geoordeeld dat het in artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 voorkomende begrip „beslissing” voor de doelstellingen van dat artikel niet ziet op een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf, behalve wanneer die beslissing ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de aard of maat van die straf wordt gewijzigd en de autoriteit die deze beslissing heeft gegeven, op dat punt over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid beschikte (…).</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op basis van dit arrest is het vaste jurisprudentie dat een omzettingsbeslissing waarbij is bepaald dat een opgeëiste persoon een aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf alsnog moet ondergaan, niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt, omdat hierbij de aard noch de maat van de aanvankelijk uitgesproken straf is gewijzigd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding hiervan af te wijken. Allereerst kan worden vastgesteld dat bij de omzettingsbeslissing van 9 augustus 2018 de aanvankelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 jaar, niet is gewijzigd. De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn verweer dat bij de onderhavige omzettingsbeslissing de straf wel gewijzigd had kúnnen worden. Het Poolse artikel 74 dat de raadsman heeft voorgehouden – voor zover deze bepaling op dit moment geldend recht is in Polen – ziet slechts op de mogelijkheid om <emphasis role="italic">de voorwaarden</emphasis> waar de veroordeelde aan moet voldoen in het kader van de opgeschorte tenuitvoerlegging van de straf, te wijzigen of aan te passen. Het primaire verweer wordt daarom verworpen. </para>
        <para>
          <?linebreak?>Nu de omzettingsbeslissing van 9 augustus 2018 niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt, zijn de gestelde afspraken die de opgeëiste persoon met de Poolse reclassering heeft gemaakt, in deze overleveringsprocedure niet relevant. Het aanhoudingsverzoek wordt daarom afgewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feit I, zoals omschreven in onderdeel E van het EAB, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit dit strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 20, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	oplichting </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit II, zoals omschreven in onderdeel E van het EAB, niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit feit levert naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 225 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the District Court of Legnica – III Criminal Department </emphasis>ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. R.A.J. Hübel,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. E. de Rooij en A.K. Glerum,				   			   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster,	                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 30 april 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_b366f84d-f44e-4254-9176-d2cb4388a428" label="1">
    <para> C‑571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>