<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:3102</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-11T13:14:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.751.152-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3102">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3102</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-11T13:14:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:3102 Rechtbank Amsterdam , 30-04-2019 / 13.751.152-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3102:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB VV, Frankrijk</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3102:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">		                    RECHTBANK AMSTERDAM	</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.751.152-19</para>
      <para>RK-nummer: 19/1276 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 30 april 2019 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 februari 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 5 december 2018 en aangevuld op 21 februari 2019 door de <emphasis role="italic">Procureur de la République du Tribunal de Grande Instance de Rennes </emphasis>(Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:</para>
      <para>
        [adres 1] ,</para>
      <para>	gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 april 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadslieden, mrs. B.J. Polman en W.R. Jonk, advocaat te respectievelijk Amsterdam en Almere. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">aanhoudingsbevel </emphasis>van 21 november 2018, uitgevaardigd door<emphasis role="italic"> de eerste vicevoorzitter belast met het onderzoek bij de Arrondissementrechtbank van Rennes</emphasis>, met parketnummer 18086000088.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Frankrijk strafbare feiten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Genoegzaamheid  </emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.1.1</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Door de raadslieden is - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdenking niet genoegzaam is omschreven. Ten aanzien van het feit witwassen wordt in de aanvullende informatie die is verstrekt een bedrag genoemd, maar verder wordt er geen informatie over dit feit gegeven. Bovendien merken de Franse justitiële autoriteiten op dat zij op dit moment nog niet over veel informatie betreffende het feit witwassen beschikken. Over de verdenking van witwassen is, kortom, niets bekend. Dit geldt eveneens voor verdenking van deelname aan een criminele organisatie. Er worden geen gegevens verstrekt over een samenwerkingsverband, een organisatie of een onderlinge structuur.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet hierop is het volgens de raadslieden voor de rechtbank onmogelijk om te toetsen of het overleveringsverzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daarom dient nadere informatie met betrekking tot de feiten in het EAB te worden opgevraagd en moet het onderzoek worden aangehouden.  </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.2</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De officier van justitie heeft gemotiveerd tot verwerping van het verweer geconcludeerd, want de omschrijving van de feiten waarvan de opgeëiste persoon in Frankrijk wordt verdacht is genoegzaam.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.3</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>In deze zaak luidt de omschrijving in het EAB van de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht als volgt:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>“<emphasis role="italic">In februari 2018 is de politie van het Centraal bureau voor de bestrijding van verdovende middelen van Bordeaux een onderzoek gestart naar aanleiding van een melding die zij ontvangen had over een belangrijke heroïnehandel in het departement Charentes-Maritimes in Frankrijk waar de persoon die geïdentificeerd werd als [persoon 1] zich ermee bezig zou houden. Deze heeft contact gehad met diverse Nederlandse telefoonnummers, waaronder zijn leverancier in verdovende middelen in Nederland en die het nummer (…) gebruikte. </emphasis></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Op 2 mei 2018 stuurde de gebruiker van dit telefoonnummer via een sms twee Nederlandse adressen naar [persoon 1] : [adres 2] en [adres 1] . </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">
              [persoon 1] en zijn vader zijn twee keer naar [plaatsnaam 1] , ten noorden van Rotterdam , gegaan, tussen de straten [adres 2] en [adres 1] . Dit laat vermoeden dat er verdovende middelen werden opgehaald.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Uit onderzoek dat de Nederlandse autoriteiten naar deze twee adressen gedaan hebben, kwam naar voren dat de zogeheten [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1990 te Rotterdam , woonachtig te [adres 1] in [plaatsnaam 1] , de gebruiker was van het telefoonnummer (…) die in verband gebracht werd met de leverancier van [persoon 1] . Aan de hand van onderzoek konden eveneens op de plaats van de transacties [persoon 2] en [persoon 3] geïdentificeerd worden.</emphasis>” </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Bij brief van 21 maart 2019 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt: </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>“ <emphasis role="italic">(…) At this time, we do not have much elements regarding the money laundering offence. The dealers arrested in France explained that they paid between 250 000 and 300 000 € to their Dutch contact in order to acquire the heroine. The future investigations will mainly aim at understanding where the money went and how it was laundered.</emphasis></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">regarding the drug seized in France, precisely in a small city called " [plaatsnaam 2] ", I can confirm you that 11 kg of heroin and 19 kg of cut product were found hidden in the vehicle used by the dealers to come back from the Netherlands on February 22nd. The main suspect (called [persoon 4] ) admitted during his last two examinations that he was supposed to bring back an additional 15 kg of cut product but did not have enough place in the car to do so. (…)</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">In addition, the bags found in France were sent for forensic examination but we do not have the result of it yet, (…).</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">More precisely, on the three EAW that were issued:</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">regarding [opgeëiste persoon] : he appeared in phone communications with our French dealers and seems to be the key correspondent between French dealers and drug suppliers. (…)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">regarding [persoon 3] : he was found in the exact premises where the deal took place, is described by the French dealers as the one in charge of giving them instructions that day in order to set up the meeting. In addition, he was found with cut product corresponding to the alleged quantity left by the French dealers. (…)</emphasis>”</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Ten slotte heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in het EAB aangegeven dat de opgeëiste persoon in Frankrijk concreet wordt verdacht van de volgende strafbare feiten:</para>
        </parablock>
        <para />
        <itemizedlist mark="-">
          <listitem>
            <para>onrechtmatige invoer van verdovende middelen in groepsverband, tussen 1 januari 2018 en 21 november 2018;</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>onrechtmatige verwerving van verdovende middelen, tussen 1 januari 2018 en <?linebreak?>21 november 2018;</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>onrechtmatig bezit van verdovende middelen, tussen 1 januari 2018 en 21 november 2018;</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>onrechtmatig vervoer van verdovende middelen, tussen 1 januari 2018 en 21 november 2018;</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>onrechtmatig aanbieden of doorverkopen van verdovende middelen, tussen 1 januari 2018 en 21 november 2018;</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>deelname aan een georganiseerde bende ter voorbereiding van een delict waarvoor een gevangenisstraf van 10 jaar opgelegd wordt, tussen 1 januari 2018 en 21 november 2018;</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>deelname aan een georganiseerde bende ter voorbereiding van een misdaad, tussen <?linebreak?>1 januari 2018 en 21 november 2018;</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>witwasserij: deelname aan een transactie van belegging, van versluiering of van transformatie van de opbrengsten van het misdrijf van illegale handel in verdovende middelen, tussen 1 januari 2018 en 21 november 2018.   </para>
          </listitem>
        </itemizedlist>
        <para />
        <parablock>
          <para>Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat de feiten in Frankrijk en Nederland hebben plaatsgevonden tussen 1 januari en 21 november 2018. Verder ziet de verdenking er op dat de opgeëiste persoon samen met zijn broer, in georganiseerd verband, verdovende middelen in zijn bezit heeft gehad en heeft verhandeld. Volgens de afnemers lijkt de opgeëiste persoon de “<emphasis role="italic">key correspondent between French dealers and drug suppliers</emphasis>” te zijn en wordt zijn broer en medeverdachte door de Franse afnemers omschreven als “<emphasis role="italic">the one in charge of giving them instructions that day in order to set up the meeting</emphasis>”<emphasis role="italic">.  </emphasis></para>
          <para>De verdovende middelen zijn door de afnemers opgehaald en naar Frankrijk gebracht, alwaar zij weer zijn verspreid en verkocht. Verder hebben de afnemers een bedrag van tussen de 250.000 en 300.000 euro voor de verdovende middelen betaald aan de opgeëiste persoon en zijn broer. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Naar het oordeel van de rechtbank is het op basis van de omschrijving van de feiten voor de opgeëiste persoon duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Tevens kan de rechtbank toetsen of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten en wordt de naleving van het specialiteitsbeginsel gewaarborgd. Dit geldt ook voor de verdenking van witwassen en van deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het EAB ziet op een vervolging in Frankrijk en dat het onderzoek daar nog loopt. De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding, om nadere stukken op te vragen, af.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1, 5 en 9, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Deelneming aan een criminele organisatie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Witwassen van opbrengsten van misdrijven</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De <emphasis role="italic">Substitut du Procureur - JIRS, Tribunal de Grande Instance de Rennes</emphasis> heeft bij e-mail van 15 april 2019 de volgende garantie gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">To complete my request of extradition of the [achternaam persoon 2 en 3] brothers, I, the undersigned, hereby state that [opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] 1990 (…) </emphasis>[and his brother] <emphasis role="italic">both Dutch national, will be entitled, in case they are sentenced to a custodial sentence by a final judgment, to serve their prison term in the Netherlands pursuant to the provisions of Council Framework Decision 2008/909/JHA of 27 November 2008 on the application of the principle of mutual recognition to judgments in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving deprivation of liberty for the purpose of their enforcement in the European Union.</emphasis>”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan deze voorwaarde is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Opiumwet gegeven verbod;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Opiumwet gegeven verbod;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Opiumwet gegeven verbod;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Medeplegen van witwassen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Franse autoriteiten plaats te vinden. De volgende argumenten zijn aangevoerd: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de drugs waren bestemd voor doorverkoop op de Franse markt waardoor de rechtsorde in Frankrijk is aangetast;</para>
      <para>de opsporing en vervolging van medeverdachten zijn reeds aangevangen in Frankrijk;</para>
      <para>de stukken en het bewijs bevinden zich in Frankrijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadslieden hebben de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat de afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten de voorkeur zou verdienen. Zij hebben daartoe aangevoerd dat het de vraag is of de door de officier van justitie naar voren gebrachte omstandigheden de vordering ex artikel 13, tweede lid, OLW rechtvaardigen. Het enkele feit dat een onderzoek in een land is aangevangen maakt nog niet dat de goede rechtsbedeling moet uitvallen in het voordeel van dat land. Strafzaken kunnen immers tussen landen worden overgedragen. Daarnaast is Frankrijk voor de vervolging van cliënt afhankelijk van de Nederlandse autoriteiten, bijvoorbeeld voor het verkrijgen van bewijs. Het is in het licht van de rechtsbedeling dan ook redelijk om af te zien van de vordering en de overlevering te weigeren zodat berechting in Nederland kan plaatsvinden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier van justitie opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de informatie in het EAB over de feiten waarvan de Franse autoriteiten de opgeëiste persoon verdenken, heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Hieruit blijkt immers dat de verdenking inhoudt dat de opgeëiste persoon (mede) als leverancier van verdovende middelen fungeerde, die – naar hij wist of moest vermoeden – na aankoop naar Frankrijk werden gebracht en daar werden verkocht aan, naar alle waarschijnlijkheid, Franse afnemers. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat de feiten deels in Nederland zouden zijn gepleegd en Nederland - op basis van een daartoe strekkend Frans rechtshulpverzoek - onderzoek ten behoeve van de Franse justitiële autoriteiten moet verrichten in het kader van de bewijsgaring, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Detentieomstandigheden in Frankrijk</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn arrest van 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru, punt 78) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen (Aranyosi en Căldăraru, punten 88-89).</para>
      <para>De rechtbank heeft ten aanzien van de detentiecentra van Nîmes en Bordeaux-Gradignan eerder vastgesteld dat overeenkomstig het hiervoor weergegeven beoordelingskader blijkt dat daar sprake is van het genoemde reële gevaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij e-mail van 15 april 2019 heeft de <emphasis role="italic">Substitut du Procureur - JIRS, Tribunal de Grande Instance de Rennes</emphasis> de volgende garantie gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“I, the undersigned, hereby state that if  [opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] 1990(…)</emphasis> [and his brother]<emphasis role="italic">, both Dutch national, were to be transferred to French authorities following their EAW, they will under no circumstances be detained in BORDEAUX GRADIGNAN nor NÎMES .” </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank kan zodoende worden vastgesteld dat in het geval van de opgeëiste persoon geen sprake zal zijn van een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie strijdige situatie.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 47, 140 en 420bis Wetboek van Strafrecht, 2, 10 en 11b Opiumwet en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de <emphasis role="italic">Procureur de la République du Tribunal de Grande Instance de Rennes</emphasis> ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. R.A.J. Hübel, 		  					                         voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.K. Glerum en M.T.C. de Vries,                          				   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens,			 	                              griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 30 april 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>