<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:3003</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-16T10:31:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751186-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3003">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3003</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-29T12:35:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:3003 Rechtbank Amsterdam , 25-04-2019 / 13/751186-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3003:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Polen Executier</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:3003:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM	</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751186-19</para>
      <para>RK nummer: 19/1614</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: </emphasis>25 april 2019 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 maart 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 13 juli 2018 door de Arrondissementsrechtbank te Płock (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1984 </para>
      <para>	adres: [adres] , [plaats]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 april 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. </para>
      <para>De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te  Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een drietal vonnissen:</para>
      <para />
      <para>- Vonnis<emphasis role="bold"> VII K 411/14</emphasis> van 23 september 2014 waarbij de opgeëiste persoon door de Regionale Rechtbank te Płock is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van </para>
      <para>2 jaar. De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid. Deze straf is bij besluit door de Regionale Rechtbank te Płock op 30 augustus 2016 omgezet in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar en 6 maanden waarvan de gehele straf resteert. </para>
      <para>- Vonnis <emphasis role="bold">VII K 246/14</emphasis> van 24 juni 2015 waarbij de opgeëiste persoon door de Regionale Rechtbank te Płock is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden. De opgeëiste persoon is in persoon verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid. </para>
      <para>Deze straf is bij besluit van de Regionale rechtbank te Płock op 23 mei 2017 omgezet in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar en 6 maanden waarvan de gehele straf resteert. <?linebreak?></para>
      <para>- Vonnis <emphasis role="bold">VII K 918/14</emphasis> van 9 maart 2016 waarin de opgeëiste persoon door de Regionale Rechtbank te Płock is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar. De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid. Deze straf is bij besluit van de Regionale rechtbank te Płock op 23 mei 2017 omgezet in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar. Hiervan resteren nog 11 maanden en 29 dagen resteren. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze vonnissen betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
        <para>Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van de vonnissen </para>
        <para>VII K 411/14 en VII K 918/14, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot deze vonnissen heeft geleid, en die - kort gezegd – zijn  gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten,  die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en</para>
      <para />
      <para>( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het EAB onder d) het volgende verklaard ten aanzien van de vonnissen VII K 411/14 en VII K 918/14:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">" Nee, deze persoon verscheen niet persoonlijk op de zitting waarop de uitspraak werd gedaan”.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">1. Indien antwoord ‘nee’ werd aangegeven, gelieve aan te geven van welke van volgende omstandigheden sprake was:</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">e. aan deze persoon is geen uitspraak betekend, maar:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- de uitspraak zal persoonlijk worden betekend, onmiddellijk na afgifte</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">EN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- samen met de betekening van de uitspraak wordt de persoon ingelicht over het recht op een hernieuwde behandeling van de zaak of het indienen van een bezwaarschrift, in welke procedures de persoon kan deelnemen en die het mogelijk maken de zaak opnieuw te behandelen op inhoudelijk gebied en met in aanmerking nemen van nieuwe bewijzen, die kunnen leiden tot seponering of wijziging van de oorspronkelijke uitspraak</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">EN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- de persoon zal worden ingelicht over de termijn, waarbinnen een dergelijke hernieuwde behandeling van de zaak of het indienen van een bezwaarschrift zal dienen te geschieden en die 30 dagen bedraagt."</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij brief van 30 maart 2019 heeft de Poolse autoriteit verder het volgende vermeld:. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">"</emphasis>
          <emphasis role="bold italic">Ref. VII K 411/14 and VII K 918/14 and the possibility of reconsideration of the case. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Regarding both matters, the possibility of their reconsideration is not unconditional. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">According to art. 540b § 1 of the Code of Criminal Procedure, judicial proceedings terminated by a final judgment can be resumed at the request of the accused, filed within one month from the date in which he found out about the judgment issued against him, if the case was heard in the absence of the accused who was not notified of the date of the hearing or trial or hearing or served in a different way than in person, when he/she shows that he did not know about the date and the possibility of issuing the judgment in his absence.</emphasis>"</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank voldoen deze verklaringen niet aan de eisen van artikel </para>
        <para>12, sub d, OLW. Weliswaar kan de opgeëiste persoon een verzoek indienen voor een hernieuwde behandeling van zijn strafzaak, maar of hij daadwerkelijk in aanmerking komt voor een hernieuwde behandeling van de zaak blijft ongewis.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de voornoemde verzetgarantie ontoereikend is en zal de overlevering geweigerd worden ten aanzien van de vonnissen VII K 411/14 en VII K 918/14. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis VII K 246/14:</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 1: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 2:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 3:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Diefstal door twee of meer verenigde personen;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 4:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feiten 5 en 6:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 7:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu ten aanzien van de feiten van het vonnis VII K 246/14 waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor de feiten van de vonnissen VII K 411/14 en VII K 918/14 moet zij worden geweigerd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 45 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] </emphasis>aan de Arrondissementsrechtbank te Płock (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, voor de feiten van vonnis VII K 246/14 waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT </emphasis>de overlevering voor zover het EAB betrekking heeft op de vrijheidsstraf, danwel het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd wegens de feiten van de vonnissen VII K 411/14 en VII K 918/14.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,  	      		                         			         voorzitter,</para>
      <para>mrs. W.A.P.J. van den Reek en R. Godthelp,             				   	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van L.C. Werkman,		                         		 griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 25 april 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Mr. M. van Mourik is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ł</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>