<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:2891</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-10T12:11:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBAMS:2019:3573</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 18/2861</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:2891">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:2891</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-10T11:31:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:2891 Rechtbank Amsterdam , 18-04-2019 / AMS 18/2861</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:2891:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Niet-verzekerde periode AOW-pensioen in verband met verhuizing naar België. Verweerder heeft terecht een korting toegepast op het AOW-pensioen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:2891:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 18/2861 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2019 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] (België), eiser,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: M. Sturmans).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 januari 2018 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij van 11 maart 2011 tot en met 18 januari 2018 geen AOW-pensioen heeft opgebouwd. De korting op zijn AOW-uitkering bedraagt daardoor 14%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 16 februari 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de niet-verzekerde periode aangepast naar 1 september 2013 tot en met 18 januari 2018. De korting op het AOW-pensioen is vastgesteld op 10%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 juli 2018 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij (ook) verzekerd is voor de periode van 1 september 2013 tot en met 31 december 2013 en dat de korting op zijn AOW-pensioen 8% bedraagt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 5 februari 2019 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de niet-verzekerde periode loopt van 1 januari 2015 tot en met 27 november 2018. De korting op het AOW-pensioen is vastgesteld op 6%. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <parablock>
        <para>Eiser woont sinds 11 maart 2011 in België. Op 28 november 2018 heeft hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Eiser heeft lange tijd in zijn [woonplaats] in Den Haag gewerkt. Vanaf september 2013 is eiser als zelfstandige gaan werken. </para>
        <para />
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Eiser is van mening dat verweerder ten onrechte een korting toepast op zijn AOW-pensioen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beoordeling door de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De besluiten van 19 juli 2018 en 5 februari 2019 brengen een wijziging aan in het besluit van 16 februari 2018. Het besluit van 5 februari 2019 heeft de niet verzekerde periode ten opzichte van het besluit van 19 juli 2018 nader ingeperkt. In de besluiten van 19 juli 2018 en 5 februari 2019 wordt eiser nog niet geheel tegemoet gekomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richt het beroep zich daarom ook tegen deze besluiten. Zoals ook op zitting is besproken, beoordeelt de rechtbank of verweerder eiser voor de periode 1 januari 2015 tot en met 18 januari 2018 terecht als niet verzekerd heeft aangemerkt ingevolge de AOW. Nu niet is gebleken dat eiser nog belang heeft bij zijn beroep tegen de besluiten van 16 februari 2018 en 19 juli 2018 zal de rechtbank deze beroepen niet-ontvankelijk verklaren. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is eiser verzekerd voor de AOW?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Eiser voert aan dat hij zowel in België als in Nederland werkte. Eiser vindt dat hij in Nederland verzekerd is gebleven voor de AOW, omdat hij het grootste gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland is blijven verrichten. Volgens hem is ook relevant dat hij in Nederland inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betaalde.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De rechtbank begrijpt het betoog van eiser zo, dat hij een beroep doet op artikel 13, tweede lid, onder b, van Verordening (EG) nr. 883/2004. Dit artikel bepaalt dat op degene die werkt in twee of meer lidstaten en niet woont in een van de lidstaten waar hij een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht, de wetgeving van toepassing is van de lidstaat waar hij het centrum van zijn belangen heeft. De rechtbank beoordeelt eerst of eiser een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland, het land waar hij in 2015 tot en met 2018 niet woonde, verrichtte.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank vindt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland verrichtte. Eiser heeft aangegeven dat hij niet over stukken beschikt waaruit blijkt dat hij als zelfstandige vooral in Nederland werkte. Het zouden juist aanvullende gegevens kunnen zijn die het standpunt van eiser zouden kunnen onderbouwen. Op zitting is besproken dat eiser bijvoorbeeld benzine- of lunchbonnetjes had kunnen overleggen, waaruit valt af te leiden dat eiser, zoals hij stelt, vaak in Nederland op de weg was om (potentiële) klanten te bezoeken. Voor zover eiser betoogt dat hij verzekering ontleent aan de betaling van premies volksverzekering oordeelt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat eiser premie heeft betaald over de jaren 2015 tot en met 2018.</para>
        <para>Eiser kan voorts geen verzekering ontlenen aan de enkele omstandigheid dat hij inkomstenbelasting betaalde in Nederland. Die omstandigheid zegt namelijk niets over waar eiser een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat eiser in de periode van 1 januari 2015 tot en met 18 januari 2018 niet verzekerd was voor de AOW en dus geen AOW-pensioen heeft opgebouwd. Verweerder heeft daarom terecht een korting van 6% toegepast op het AOW-pensioen van eiser.<footnote-ref linkend="_1113c68f-3f42-44d6-b156-ff7fdd6fbc3e" /></para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen de besluiten van 16 februari 2018 en 19 juli 2018 niet-ontvankelijk. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het besluit van 5 februari 2019 ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Wel bestaat aanleiding, gezien de nadere besluiten waarmee deels aan de bezwaren van eiser tegemoetgekomen is, te bepalen dat verweerder aan eiser het griffierecht vergoedt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de besluiten van 16 februari 2018 en 19 juli 2018;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen het besluit van 5 februari 2019;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht tot een bedrag van € 46,- vergoedt.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breugem, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier </para>
      <para>rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. </para>
      <para>Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_1113c68f-3f42-44d6-b156-ff7fdd6fbc3e" label="1">
    <para> Zie artikel 13, eerste lid, onder a, van de Algemene Ouderdomswet.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>