<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:2801</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-18T09:23:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">: 13/751633-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:2801">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:2801</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-17T13:25:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:2801 Rechtbank Amsterdam , 16-04-2019 / : 13/751633-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:2801:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pools overleveringsverzoek wordt aangehouden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:2801:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751633-18</para>
      <para>RK nummer: 18/5479</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 16 april 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSENUITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 augustus 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 26 april 2018 en aangevuld op 10 mei 2018 door de <emphasis role="italic">Regional Court in Bydgoszcz, 3rd Penal Division</emphasis> (Polen) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, 	</para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 4 oktober 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. </para>
      <para>De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman mr. B.J.H. Sijbom, advocaat te Almere (als waarnemer voor mr. O. Bolluyt, advocaat te Almere) en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Tussenuitspraak 18 oktober 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 18 oktober 2018 het onderzoek heropend, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de vragen als gesteld bij een tussenuitspraak van deze rechtbank in een andere overleveringszaak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032), ook in het kader van onderhavige zaak - althans voor zover het EAB ziet op de vervolging van de opgeëiste persoon in Polen - aan de uitvaardigende autoriteit voor te leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat - voor zover het EAB ziet op de executie van vier vrijheidsstraffen op basis van vier vonnissen - de overlevering van de opgeëiste persoon moet worden geweigerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 7 december 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 7 december 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie <?linebreak?>mr. U.E.A. Weitzel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman mr. O. Bolluyt, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Sluiting onderzoek 21 december 2018</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>De rechtbank heeft op 21 december 2018 het onderzoek gesloten, met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid. De uitspraak is bepaald op 4 januari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Tussenuitspraak 4 januari 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 4 januari 2019 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gewezen waarin zij aan de officier van justitie heeft verzocht nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit (ECLI:NL:RBAMS:2019:51). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 1 maart 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 1 maart 2019 is het onderzoek, met instemming van partijen, voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing bij tussenuitspraak van 4 januari 2019 bevond. Gehoord zijn de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes en de opgeëiste persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. E.I.B. Hoffman, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Sluiting onderzoek</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 16 april 2019 het onderzoek ter zitting gesloten en direct uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon</para>
      <para>heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse</para>
      <para>nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Tussenuitspraak van 18 oktober 2018</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Voor zover het EAB ziet op de vervolging van de opgeëiste persoon in Polen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 18 oktober 2018 waarin de grondslag van het EAB en de strafbaarheid van de feiten reeds zijn beoordeeld. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze onderwerpen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Voor zover het EAB ziet op de executie van vier vrijheidsstraffen op basis van vier vonnissen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 18 oktober 2018 waarin de overlevering ten behoeve van de executie van vier vrijheidsstraffen op basis van vier vonnissen, reeds is beoordeeld. De rechtbank heeft geoordeeld dat de overlevering voor alle vonnissen moet worden geweigerd. Dit oordeel en de daartoe leidende overweging (r.o. 3) dient als herhaald en ingelast te worden beschouwd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018 (ECLI:RBAMS:2018:5925) een uitleg gegeven van het toetsingskader, gegeven bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (<emphasis role="italic">hierna: HvJ</emphasis>) van 25 juli 2018 inzake LM, C-216/18 PPU (<emphasis role="italic">hierna: het arrest</emphasis>). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In vervolg daarop heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) vastgesteld:</para>
      </parablock>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen;<?linebreak?></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast;<?linebreak?></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat om die reden concreet en nauwkeurig moet worden beoordeeld of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen;<?linebreak?></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom wordt uitgenodigd tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78, teneinde een actueel en concreet beeld te krijgen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het licht van die vaststellingen heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 18 oktober 2018 een aantal vragen geformuleerd en de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om deze te beantwoorden in het kader van de te voeren dialoog en het verstrekken van de benodigde informatie. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze vragen zijn ook in de onderhavige zaak ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd en bij brief van 31 oktober 2018 heeft <emphasis role="italic">the Vice-Presiding Judge of the District Court in Bydgoszcz </emphasis>de vragen beantwoord. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij tussenuitspraak van 4 januari 2091 heeft deze rechtbank nadere vragen gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 22 januari 2019 heeft <emphasis role="italic">the Judge of the Regional Court in Bydgoszcz </emphasis>de vragen beantwoord. </para>
        <para>In deze brief is onder andere vermeld: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">In case of lodging the appeal, the Regional Court in Bydgoszcz shall be the competent Court to recognize the case.</emphasis>”   </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft voorts ter zitting van 1 maart 2019 informatie van 15 februari 2019 overgelegd van het Poolse Hooggerechtshof, naar aanleiding van de dialoog die met andere Poolse rechterlijke colleges is gevoerd, waaruit blijkt dat er intussen drie ‘buitengewoon beroep’-procedures aanhangig zijn gemaakt door de Minister van Justitie en de Ombudsman. Hierin is door het Hooggerechtshof echter nog geen beslissing genomen.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De overlevering moet worden geweigerd want de vragen zijn niet voldoende beantwoord. De rechtbank heeft om nadere informatie verzocht bij tussenuitspraak van 4 januari 2019 en de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft gesteld dat alle antwoorden al zijn gegeven. Daarom zijn de vragen nog steeds niet afdoende beantwoord. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd ten aanzien van de tweede stap van het toetsingskader, namelijk de vraag of de vastgestelde structurele gebreken negatieve gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet aan de derde stap van het toetsingskader voldoet. Dit houdt in dat hij geen specifieke zorgen tot uitdrukking heeft gebracht, dan wel inlichtingen heeft verstrekt, die kunnen leiden tot het oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het EAB ten grondslag ligt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De overlevering van de opgeëiste persoon kan dan ook worden toegestaan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is na sluiting van het onderzoek ter zitting tot de conclusie gekomen dat het wenselijk is dat de dialoog met de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt voortgezet.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank beschikt op dit moment nog over onvoldoende informatie om zich een afdoende actueel en concreet beeld te kunnen vormen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In haar tussenuitspraak van 4 januari 2019 heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">“</emphasis>
          <emphasis role="underline italic">Alleen antwoord door/over één instantie</emphasis>
          <emphasis role="italic">: </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De verstrekte informatie met betrekking tot de vragen A1, A2, A3, A4, C1 en C3 ziet op de District Court die de zaak zal gaan behandelen. Zijn er meerdere rechterlijke instanties bevoegd om te oordelen over de zaak van deze opgeëiste persoon, bijvoorbeeld na het instellen van beroep? Zo ja, dan verzoekt de rechtbank ook voor deze instantie(s) de gestelde vragen te (doen) beantwoorden.</emphasis>” <?linebreak?></para>
        <para>De rechtbank heeft derhalve duidelijk vermeld dat zij niet alleen een antwoord op de voornoemde vragen zou willen krijgen met betrekking tot de rechterlijke instantie die in eerste aanleg bevoegd is, maar ook met betrekking tot de rechterlijke instantie die bevoegd is een eventueel ingesteld hoger beroep te beoordelen, in casu <emphasis role="italic">the Regional Court in Bydgoszcz</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank hecht nog steeds waarde aan de beantwoording van de vragen door deze gerechtelijke instantie, in verband met de inhoud van de reeds bij haar tussenuitspraak van <?linebreak?>4 oktober 2018 genoemde rapportages en voorstellen, alsmede de volgende, recente, rapportages betreffende de ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat in Polen:</para>
      </parablock>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Association of Judges “Themis”: <emphasis role="italic">Judges under special supervision, that is “the great reform” of the Polish justice system</emphasis>, 5 maart 2019;<?linebreak?></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>KOS (The Justice Defence Committee): <emphasis role="italic">A country that punishes. Pressure and repression of Polish judges and prosecutors</emphasis>, Warsaw 2019.   </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>De inhoud van deze publicaties bevestigen en versterken de zorgen die er heersen over de gevolgen van de wetswijzigingen voor de Poolse rechtsstaat en daaruit voortvloeiend het recht op een eerlijk proces van de opgeëiste persoon.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat de tweede vraag, namelijk of de vastgestelde structurele gebreken negatieve gevolgen <emphasis role="italic">kunnen</emphasis> hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen, bevestigend kan worden beantwoord.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Overeenkomstig het toetsingskader, gegeven bij het eerder genoemde arrest van het HvJ, dient de rechtbank bij deze stand van zaken ook nog de derde vraag te beantwoorden, namelijk of er - in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen - zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft de eerder genoemde vragen ook met het oog op de beantwoording van deze (derde) vraag gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij brief van 22 januari 2019 is door de uitvaardigende justitiële autoriteit aangegeven dat <emphasis role="italic">the Regional Court in Bydgoszcz</emphasis> over een eventueel hoger beroep zal oordelen. Daarom moet deze instantie worden benaderd om de vragen te beantwoorden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De vraag dringt zich op, of de uitvaardigende justitiële autoriteit kennis heeft genomen van het door de rechtbank bij haar eerdere tussenuitspraak geformuleerde verzoek om de vragen door te geleiden naar een bevoegd(e) persoon of instantie, indien dit voor de beantwoording daarvan noodzakelijk is, in het kader van de dialoog die in het arrest van het HvJ is beschreven in paragraaf 76 tot en met 78. Het komt de rechtbank voor dat die noodzaak bestaat.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank wijst hieromtrent op punt 97 van het arrest van het HvJ van 5 april 2016 ( [naam 1] en [naam 2] , C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198). Hieruit volgt het verplichtend karakter van deze dialoog in het kader van artikel 15 lid 2 van het kaderbesluit.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Om die reden verzoekt de rechtbank de uitvaardigende justitiële autoriteit om de vragen A1, A2, A3, A4, C1, C2 en C3 alsnog door te geleiden naar <emphasis role="italic">the Regional Court in Bydgoszcz </emphasis>teneinde deze vragen door <emphasis role="italic">the Regional Court in Bydgoszcz </emphasis>te laten beantwoorden. De rechtbank ziet op dit moment geen ruimte om, zoals door de verdediging is bepleit, het opnieuw stellen van de vragen achterwege te laten en de overlevering te weigeren.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van vraag E1 is, zoals hiervoor reeds overwogen, uit de door de officier van justitie verstrekte informatie gebleken dat op 15 februari 2019 drie ‘buitengewoon beroep’-procedures aanhangig waren gemaakt, waarop het Hooggerechtshof nog niet had beslist. De rechtbank verzoekt ten aanzien van deze vraag haar te laten weten of er zich recentelijk, sinds 15 februari 2019, nog nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tenslotte herhaalt de rechtbank nogmaals haar uitnodiging aan de uitvaardigende justitiële autoriteit tot het verschaffen van andere gegevens die zij voor de door deze rechtbank te nemen beslissing van belang acht.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen en voor onbepaalde tijd schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen, zodat deze kunnen worden doorgeleid naar <emphasis role="italic">the Regional Court in Bydgoszcz </emphasis>om te worden beantwoord: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">A. Wijzigingen personele bezetting</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken (vice)voorzitters en rechters ontslagen? Zo ja, op welke datum is het ontslag aangezegd en wat is de grond die hiervoor is gegeven?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Zijn er (vice)voorzitters en rechters gepensioneerd als gevolg van de gewijzigde pensioenleeftijd? Zo ja, hoe veel, afgezet tegen het aantal rechters en (vice)voorzitters binnen de rechterlijke instantie?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Is het voorgekomen dat het mandaat van deze (vice)voorzitters en rechters na het bereiken van de pensioenleeftijd is verlengd? </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wet inzake de Nationale School voor de rechterlijke macht assistent-rechters benoemd en zo ja, behandelen zij strafzaken en zo ja, als unus of binnen een rechterlijke college? </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">C. Tuchtzaken of andere (disciplinaire) maatregelen </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>Zijn er sinds voormelde wetswijzigingen tuchtzaken tegen rechters en/of (vice)voorzitters geweest? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding en wat was de uitkomst?<?linebreak?></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Hebben er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken wijzigingen plaatsgevonden in de bezoldiging van (vice)voorzitters en rechters? Zo ja, wat was hiervoor de reden?<?linebreak?></para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para>3 Zijn er andere maatregelen betreffende (vice)voorzitters genomen, zoals het<?linebreak?>verstrekken van ‘<emphasis role="italic">written remarks’</emphasis> door de Minister van Justitie? Zo ja, wat was <?linebreak?>hiervoor de aanleiding? <?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="bold">E. Buitengewoon beroep </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Hebben er zich sinds 15 februari 2019, toen drie ‘buitengewoon beroep’-procedures aanhangig waren gemaakt waarop het Hooggerechtshof nog niet had beslist, nog nieuwe ontwikkelingen voorgedaan ten aanzien van de procedure van ‘buitengewoon beroep’ bij het Hooggerechtshof? <?linebreak?>Zo ja, op welke grond en met welke uitkomst? </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>en <emphasis role="bold">SCHORST</emphasis> het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van een tolk Pools tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. A.K. Glerum,	                                              			                     voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.R.P.J. Davids en R.A.J. Hübel,                                    		                     rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens,      	                        		         griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 16 april 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>