<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:1818</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-03-15T13:05:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-03-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-03-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751832-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:1818">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:1818</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-03-15T13:03:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-03-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:1818 Rechtbank Amsterdam , 05-03-2019 / 13/751832-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:1818:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Europees Aanhoudingsbevel afkomstig van Luxemburg. Tussenuitspraak om de verdediging in de gelegenheid te stellen het gelijkstellingsverweer op grond van artikel 6, vijfde lid, OLW nader te onderbouwen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:1818:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751832-18</para>
      <para>RK nummer: 18/8385</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 5 maart 2019 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">TUSSENUITSPRAAK</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 december 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 24 september 2018 door het <emphasis role="italic">Cabinet du juge d’instruction près le Tribunal d’arrondissement de et à Luxembourg</emphasis> (Luxemburg) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[Opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] ( Polen ) op [geboortedag] 1999, </para>
      <para>	opgegeven adres: [BRP-adres] ,</para>
      <para>thans gedetineerd in het Justitieel Complex “ [detentieadres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 29 januari 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting is aangevangen op de openbare zitting van 29 januari 2019 in aanwezigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. Na opening van het onderzoek ter zitting is de behandeling voor bepaalde tijd aangehouden op basis van een daartoe strekkend verzoek van de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. S.J. Römer, advocaat te Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 1 februari 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 1 februari 2019. De opgeëiste persoon heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel en bovengenoemde raadsman. De raadsman heeft verklaard uitdrukkelijk gemachtigd te zijn namens de opgeëiste persoon het woord te voeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek op die zitting geschorst tot 26 februari 2019 om 9:00 uur teneinde – kort gezegd – de verdediging in de gelegenheid te stellen het gelijkstellingsberoep uiterlijk op 12 februari 2019 nader met stukken te onderbouwen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 26 februari 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen in de stand waarin dat zich op 1 februari 2019 bevond, voortgezet op de openbare zitting van 26 februari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door bovengenoemde raadsman. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.  <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel uitgevaardigd op 20 september 2018 door onderzoeksrechter Nadine Scheuren van het <emphasis role="italic">Cabinet du juge d’instruction près le Tribunal d’arrondissement de et à Luxembourg</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Luxemburg strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en in de e-mailberichten van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 17 en 23 januari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feiten waarvoor de overlevering verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten op deze lijst onder nummer 5, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens en de e-mail van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 21 januari 2019 is op deze feiten naar het recht van Luxemburg een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 6, lid 5, OLW; heropening onderzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Inleiding</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6, vijfde lid, van de OLW zijn voldaan aan drie vereisten, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>1. de opgeëiste persoon heeft een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;</para>
        <para>2. de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen en</para>
        <para>3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank voldoen EU-onderdanen ook aan de onder 1 vermeldde voorwaarde als is aangetoond dat wordt voldaan aan de materiële voorwaarden voor duurzaam verblijfsrecht, te weten – in de meeste gevallen – een onafgebroken verblijf van vijf jaar in Nederland. Als daarvan sprake is, is ook voldaan aan het rechtsmachtvereiste.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld, kort samengevat, dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, van de OLW en heeft daartoe stukken overgelegd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon komt volgens de officier van justitie niet in aanmerking voor gelijkstelling met een Nederlander. De raadsman heeft niet aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven zodat niet voldaan is aan de materiële uitleg van de voorwaarde dat de opgeëiste persoon in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tijdens het onderzoek ter zitting heeft – mede aan de hand van de door de raadsman overgelegde stukken – de discussie zich kortgezegd toegespitst op een tweetal vragen:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>a. Was er in de periode vanaf de binnenkomst in Nederland van moeder mevrouw [naam] en haar minderjarige kinderen, waaronder de opgeëiste persoon, vanaf 2009 (op enig moment) sprake van een duurzaam rechtmatig verblijfsrecht op grond waarvan een afgeleid verblijfsrecht van de opgeëiste persoon kan worden vastgesteld?</para>
        <para>b. Zo ja, beschikt de opgeëiste persoon nog steeds over dat, mogelijk inmiddels zelfstandige, verblijfsrecht of is dat - nu niet kan worden vastgesteld of de opgeëiste persoon daadwerkelijk steeds in Nederland heeft verbleven - mogelijk verloren gegaan?</para>
        <para>De rechtbank heeft in raadkamer vastgesteld dat deze vragen nader onderzoek behoeven en dat het verhandelde ter zitting daartoe onvoldoende basis vormt. Omdat het, mede gezien de leeftijd van de opgeëiste persoon, gaat om een bijzonder geval, zal de rechtbank de opgeëiste persoon en zijn raadsman nog éénmaal in de gelegenheid stellen het verweer met stukken te onderbouwen, in het bijzonder met de stukken aangaande de zorgverzekering van moeder mevrouw [naam] . Voorts kan de opgeëiste persoon dan nadere informatie overleggen omtrent zijn verblijf vanaf september 2016 en volgende.</para>
        <para>De rechtbank zal daartoe het onderzoek schorsen voor onbepaalde tijd, maar maximaal voor een termijn van één maand. Verder uitstel zal niet worden verleend. <?linebreak?></para>
      </parablock>
      <para>6. <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">HEROPENT en SCHORST </emphasis>het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, teneinde de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen zijn beroep op artikel 6, vijfde lid, OLW nader te onderbouwen zoals hiervoor overwogen in punt 5.4; de zaak zal op een termijn van uiterlijk <emphasis role="bold">één maand</emphasis> opnieuw op zitting worden gepland;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>dat het onderzoek zal worden hervat op een nog nader te bepalen zitting;<?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aldus gedaan door</para>
        <para>mr. C. Klomp,  					                         		voorzitter,</para>
        <para>mrs. J.A.A.G. de Vries en K.A. Brunner,                         			   rechters,</para>
        <para>in tegenwoordigheid van mr. T. Smit,		      	                   		    griffier,</para>
        <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 5 maart 2019.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De voorzitter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>