<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:1242</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-02-26T13:57:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-02-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751906-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:1242">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:1242</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-02-26T13:08:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-02-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:1242 Rechtbank Amsterdam , 12-02-2019 / 13/751906-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:1242:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De opgeeëiste persoon is transgender. De raadsman stelt dat de opgeëiste persoon in Iederland - hierdoor - onmenselijk zal worden behandeld. De rechtbank verwerpt dit verweer. Ook het verweer dat het feit niet dubbel strafbaar is, wordt verworpen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:1242:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751906-18</para>
      <para>RK nummer: 18/7416</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 12 februari 2019 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet, ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 26 oktober 2018. De vordering strekt tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 12 september 2018 door <emphasis role="italic">the High Court, Dublin </emphasis>(Ierland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:<?linebreak?>[GBP-adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 30 november 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting is aangevangen op de openbare zitting van 30 november 2018 in aanwezigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. Na opening van het onderzoek ter zitting is de behandeling voor onbepaalde tijd aangehouden op basis van een daartoe strekkend verzoek van de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 3 januari 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 3 januari 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink en bovengenoemde raadsman. De opgeëiste persoon is niet verschenen. De raadsman heeft verklaard door de opgeëiste persoon niet uitdrukkelijk gemachtigd te zijn namens haar het woord te voeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek op die zitting geschorst tot 29 januari 2019 om 14.00 uur omdat – kort gezegd – niet is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon op de hoogte is geraakt van de zittingsdatum.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zitting 29 januari 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 29 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel en bovengenoemde raadsman. De opgeëiste persoon is niet verschenen. De raadsman heeft verklaard uitdrukkelijk gemachtigd te zijn namens de opgeëiste persoon het woord te voeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van <emphasis role="italic">two warrants to arrest the requested person </emphasis>uitgevaardigd op 18 juni 2018 door <emphasis role="italic">a Judge of the District Court Area of Dublin Metropolitan District</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar het recht van Ierland strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft betoogd dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat de gekwalificeerde dubbele strafbaarheid ontbreekt. De feiten zijn naar Nederlands recht niet strafbaar gesteld in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht. Uit de feitsomschrijving blijkt immers niet dat er kan worden gesproken van dwang in de zin van dit artikel, aldus de raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat aan voornoemde kaderbesluitconform uitgelegde eisen is voldaan en overweegt hiertoe als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de feitsomschrijving staat onder meer vermeld dat de opgeëiste persoon <emphasis role="italic">"forcefully pushed his hand up her leg"</emphasis>. Hiermee is genoegzaam tot uitdrukking gebracht dat kan worden gesproken van dwang in de zin van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht. Zodoende is het mogelijk dat de feiten naar Nederlands recht op grond van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht vervolgd en strafrechtelijk bestraft kunnen worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verweer wordt verworpen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Haar overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als zij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, zij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De <emphasis role="italic">Senior Prosecutor, International Unit</emphasis>, bij de <emphasis role="italic">Office of the Director of Public Prosecutions</emphasis> heeft bij schrijven van 17 respectievelijk 20 december 2018 de volgende garantie gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“(…) <emphasis role="italic">in the circumstances of an extradition order or consent in the Member State </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	relating to this warrant the following legislation will apply accordingly:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	S45B (1): Where a national or resident of another state from which he or she is </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	surrendered</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(a). is surrendered to the State pursuant to a European Arrest Warrant with a view to</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic"> 	being prosecuted in the State and;</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">	(b). whose surrender is subject to the condition that he or she, after being so prosecuted,</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">	is returned if he or she so consents to that other state in order to serve any custodial</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">	sentence or detention order imposed upon him or her in the State,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">the Minister shall, following the final determination of the proceedings and if the person</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">consents, issue a warrant for the transfer of the person from the State to that other state</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">in order to serve there any custodial sentence or detention order so imposed.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">The practicalities of removing a requested person and delivering him/her to another</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Member State is not a matter for this office, rather it is a matter for the Department of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Justice in Ireland and the similar authority in the Netherlands, to determine how best </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">this can be arranged.” </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">We have been informed by the Department of Justice and Equality on the 20th of December, 2018 that the return of the Requested Person to the Netherlands can be facilitated subject to the following conditions: </emphasis></para>
      <para>1. <emphasis role="italic">The Requested Person, if sentenced, consents to be returned to the Netherlands to serve any sentence imposed; </emphasis></para>
      <para>2. <emphasis role="italic">The Dutch Authorities will then make arrangements to send representatives to Ireland to collect him;”</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.</para>
      <para>Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan deze voorwaarden is voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Detentieomstandigheden in Ierland</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon heeft een verweerschrift overgelegd. Kern van het verweerschrift is dat de opgeëiste persoon mogelijk een onmenselijke behandeling in de Ierse penitentiaire instelling wacht. De raadsman heeft het verweer ter zitting, onder verwijzing naar hetgeen door de opgeëiste persoon in haar verweerschrift heeft verwoord, als volgt toegelicht. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon is transgender en heeft daarom een speciale behandeling nodig. Of zij in de Ierse penitentiaire instelling een speciale behandeling kan krijgen, is afhankelijk van het beleid van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft desgevraagd aangegeven dat zij het geboortegeslacht als uitgangspunt nemen, met als gevolg dat de opgeëiste persoon in Ierland in een mannelijke penitentiaire instelling zal worden geplaatst. Uit het rapport <emphasis role="italic">Human Rights violations in Ireland on the basis of gender identity and intersex identity</emphasis> van oktober/november 2013 blijkt dat beleid met betrekking tot transgenders ontbreekt. Gelet hierop, daarbij in aanmerking genomen de medische gesteldheid van de opgeëiste persoon, wacht de opgeëiste persoon mogelijk een onmenselijke behandeling in de Ierse penitentiaire instelling en moet de overlevering worden geweigerd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van het verweer en zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>In zijn arrest van 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 78) heeft het Europese Hof van Justitie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen (Aranyosi en Căldăraru, punten 88-89).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het rapport <emphasis role="italic">Human Rights violations in Ireland on the basis of gender identity and intersex identity</emphasis> van 2013 waar de raadsman ter onderbouwing van zijn verweer naar heeft verwezen, geeft aan dat er zorgen bestaan over de positie en het welzijn van transgenders in de Ierse penitentiaire instellingen. Uit het rapport volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat er een reëel gevaar bestaat dat transgenders die in Ierland zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. Hierbij is van belang dat het rapport niet als actuele informatie (“naar behoren bijgewerkt”) kan gelden, nu inmiddels ruim 5 jaar is verstreken na de datum van dit rapport. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ambtshalve is de rechtbank evenmin gebleken van bewijzen als genoemd in de aangehaalde overwegingen in het arrest Aranyosi en Căldăraru waaruit een dergelijk algemeen gevaar blijkt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank verwerpt het verweer.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Een en ander laat vanzelfsprekend onverlet dat de medische gesteldheid van de opgeëiste persoon een rol zou kunnen spelen bij de beslissing omtrent de feitelijke overlevering op grond van artikel 35, derde lid, OLW. Deze beslissing is echter voorbehouden aan de officier van justitie.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Overige verweren</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich in haar verweerschrift op het standpunt gesteld dat het Ierse strafdossier aan het overleveringsdossier dient te worden toegevoegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt het volgende.</para>
      <para>De Overleveringswet geeft de overleveringsrechter een beperkt toetsingskader. De overleveringsrechter dient voor het oordeel of een overlevering kan worden toegestaan, onder meer na te gaan of het EAB voldoet aan de in artikel 2 OLW neergelegde criteria. Volgens deze bepaling behoeven de onderliggende stukken van een strafzaak niet aan de uitvoerende lidstaat te worden overgelegd. De rechtbank wijst het verzoek af.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 246 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the High Court, Dublin</emphasis> ten behoeve van het in Ierland tegen haar gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor haar overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. C. Klomp,			  				                         voorzitter,</para>
      <para>mrs. C.A. van Dijk en H.G. van der Wilt,                     				   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. T. Smit,		            			                  griffier</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 12 februari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De jongste rechter en oudste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>