<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:1181</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-02-22T14:01:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-02-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-02-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-752039-18       18-8541</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:1181">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:1181</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-02-22T11:15:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-02-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:1181 Rechtbank Amsterdam , 21-02-2019 / 13-752039-18       18-8541</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:1181:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Tsjechië. In eerste aanleg aanwezig geweest. In hoger beroep heeft gemachtigd raadsman de verdediging gevoerd. Geen weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:1181:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">		                    RECHTBANK AMSTERDAM	</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">		      INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/752039-18</para>
      <para>RK nummer: 18/8541</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 21 februari 2019 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 december 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 29 mei 2018 door <emphasis role="italic">the District Court for Prague 2</emphasis>, Republiek Tsjechië, en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[naam opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] , voormalig Tsjecho-Slowakije op [geboortedag] 1978, </para>
      <para>niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen maar volgens eigen zeggen verblijvend op het [adres] ,</para>
      <para>gedetineerd in het [plaats detentie] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 februari 2019. <?linebreak?>Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie </para>
      <para>mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. Burmeister, advocaat te Amsterdam en met instemming van de opgeëiste persoon en zijn raadsman door een tolk in de Poolse taal. Abusievelijk was geen tolk Tsjechisch aanwezig maar een tolk Pools. <?linebreak?>De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon de Poolse taal voldoende beheerst en dat de tolk en hij elkaar goed konden begrijpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Tsjechische nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>een <emphasis role="italic">judgment</emphasis>, gewezen door <emphasis role="italic">the District Court for Prague 2,</emphasis>gedateerd 2 november 2016, zaaksnummer 5 T 174/2016.<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een <emphasis role="italic">resolution</emphasis> van <emphasis role="italic">the Municipal Court in Prague</emphasis>, gedateerd 8 februari 2017, waarbij het door de veroordeelde ingestelde rechtsmiddel ongegrond werd verklaard <emphasis role="italic">(‘which dismissed the appeal of the convicted’).</emphasis></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>Zaaksnummer 9To 18/2017.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis van <emphasis role="italic">the District Court for Prague 2</emphasis> heeft geleid. </para>
      <para>Op de in het EAB onder d) geformuleerde vraag is het antwoord: </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘yes, the person appeared in person at the trial resulting in the decision’.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft desgevraagd bevestigd dat hij de zitting bij <emphasis role="italic">the District Court for Prague</emphasis> heeft bijgewoond en dat hij voor de behandeling van zijn zaak in hoger beroep een advocaat had gemachtigd zijn verdediging te voeren en dat die advocaat ter terechtzitting in hoger beroep zijn verdediging heeft gevoerd. De uitspraak is hem bekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de in artikel 12 OLW bedoelde weigeringsgrond zich niet voordoet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van <emphasis role="bold">vier jaren</emphasis>, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis en is in hoger beroep in stand gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de twee feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. <?linebreak?>Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten, waarvoor de overlevering is verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 14, te weten: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">moord en doodslag; zware mishandeling.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, moet de overlevering worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van<emphasis role="bold"> [naam opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the District Court for Prague 2</emphasis>, Republiek Tsjechië.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. V.V. Essenburg en M.J. Alink,                         				   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van L.C. Werkman,		                              	   griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 21 februari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>