<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2019:10058</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T09:30:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-845208-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2020-0474</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2020021201</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:10058">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:10058</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-11T11:15:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:10058 Rechtbank Amsterdam , 24-12-2019 / 13-845208-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2019:10058:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>opzet bij onjuiste belastingaangifte</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2019:10058:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">VONNIS</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/845208-18</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 24 december 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de politierechter te Amsterdam, in de strafzaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte]
        </emphasis>,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,</para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 13 december 2019 heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden. Verdachte was daarbij aanwezig. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.I.M. Geertsema en van wat verdachte naar voren heeft gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk onjuist doen van zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2007 tot en met 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Waardering van het bewijs</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie vindt dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen. Verdachte is een man die lange tijd op goede posities, vaak in het buitenland, heeft gewerkt bij het bedrijf Philip Morris. De Belastingdienst heeft in 2016 uit Amerika financiële gegevens ontvangen over verdachte. Verdachte bleek daar twee rekeningen te hebben: de ene rekening vertegenwoordigde eind 2016 een waarde van ongeveer 800.000 Amerikaanse dollars en de andere rekening vertegenwoordigde op dat moment een waarde van ongeveer 5 miljoen Amerikaanse dollars.  De Belastingdienst en de FIOD hebben verdachte over deze rekeningen bevraagd. Verdachte bekent dat hij de eerstgenoemde rekening bewust niet heeft opgegeven. Over de rekening die een waarde van 5 miljoen dollar vertegenwoordigde, verklaart verdachte dat hij die is vergeten. Dat is ongeloofwaardig. Verdachte had toegang tot internetbankieren en de Amerikaanse rekeningen waren dus inzichtelijk. Daarnaast is in Amerika in plaats van de gebruikelijke 30%, het gereduceerde tarief van 15% aan belasting ingehouden. Een persoon kan daartoe een verzoek doen als hij niet woonachtig is in Amerika en verblijft in een voor dit gereduceerde belastingtarief in aanmerking komend land. Dit was het geval bij verdachte en dus bestaat het vermoeden dat verdachte een dergelijk verzoek heeft ingediend. Kortom: verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangiften inkomstenbelasting onjuist dan wel onvolledig zijn en heeft daarmee opzettelijk gehandeld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het standpunt van verdachte</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rekening die een waarde vertegenwoordigde van 800.000 dollar heeft verdachte bewust niet aangegeven. Hij wist wel dat dit had gemoeten, maar heeft het niet gedaan. Dat was uit slordigheid en dommigheid. Verdachte erkent dat hij bepaalde kunde en kennis heeft, gelet op de hoge posities die hij bij Philip Morris heeft vervuld, maar geeft aan dat dit niet geldt op het gebied van belastingrecht/-aangiften. Zijn belastingzaken besteedt hij al jarenlang uit aan een administratiekantoor. De partner van een ex-medewerker doet zijn aangiften. Hij heeft deze persoon niet ingelicht over de voornoemde Amerikaanse rekening, omdat hij het niet nodig vond dat die persoon alles van hem zou weten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Over de rekening die een waarde vertegenwoordigde van 5 miljoen dollar, heeft verdachte verklaard dat hij die rekening was vergeten. Na contact met de bank eind 2016 kwam hij tot zijn ‘verbijstering’ achter het bestaan van die rekening. De rekening zal indertijd zijn geopend door Philip Morris. Het ging om een optieregeling, welke na tien jaar automatisch zou komen te vervallen. Verdachte kan zich niet herinneren of hij aan Philip Morris toestemming heeft verleend voor het openen van die rekening.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft verklaard dat hij voor de rekening die een waarde van 800.000 dollar vertegenwoordigde waarschijnlijk in het verleden een verzoek heeft gedaan om het gereduceerde tarief van 15% aan belasting te betalen in Amerika. Waarschijnlijk is dat verzoek automatisch doorgevoerd voor de rekening die een waarde van 5 miljoen dollar vertegenwoordigde.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de politierechter</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">‘800.000 dollar’-rekening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft bekend dat hij de Amerikaanse rekening die eind 2016 een waarde vertegenwoordigde van ongeveer 800.000 dollar niet heeft aangegeven bij de Belastingdienst. Hij heeft het administratiekantoor, dat normaal gesproken zijn aangiften inkomstenbelasting voor hem doet, bewust niet ingelicht over die rekening. Verdachte vond het niet nodig dat de partner van zijn ex-medewerker, zijn boekhouder, alles van hem wist. Echter, dat heeft tot gevolg gehad dat ook de Belastingdienst niet van het bestaan van deze rekening wist en er is daarom te weinig belasting geheven bij verdachte. Verdachte wist dat en heeft toch nagelaten de rekening te vermelden. Uit het dossier blijkt dat deze rekening vanaf 2009 een bepaalde waarde vertegenwoordigde, daarvoor stond er niks op. Op basis van de verklaring van verdachte en de overige inhoud van het dossier acht de politierechter bewezen dat verdachte opzettelijk onvolledige aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2009 tot en met 2015 heeft laten doen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">‘5 miljoen dollar’-rekening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De politierechter acht niet bewezen dat verdachte opzettelijk de rekening die uiteindelijk, begin 2017, een waarde van ongeveer 5 miljoen dollar vertegenwoordigde niet heeft opgegeven aan de Belastingdienst, al dan niet via het administratiekantoor. Er bevindt zich in het dossier geen bewijs dat verdachte dit willens en wetens heeft nagelaten. Het enkele feit dat een belastingaangifte onjuist of onvolledig is, brengt namelijk nog niet mee dat verdachte daarop van meet af aan opzet heeft gehad. Dit betekent dat concreet bewijs voor opzet moet worden geleverd. Verdachte heeft gesteld dat hij het bestaan van die rekening is vergeten en daarom dus ook geen aangifte daarvan bij de Belastingdienst heeft gedaan. Zonder nader bewijs (voorwaardelijk) opzet kan dit verdachte niet zonder meer worden aangerekend. Dit ondanks het gegeven dat het moeilijk voorstelbaar is dat een particulier vergeet dat hij een bankrekening heeft die een waarde van ongeveer 5 miljoen dollar vertegenwoordigt. Onmogelijk is dat niet. Verdachte heeft op zitting uitgelegd dat het geen ‘gewone’ rekening betrof, maar een rekening waarop opties en eventuele aandelen staan, die volgens hem door zijn voormalig werkgever is geopend. Daarnaast heeft verdachte uiteen gezet dat hij in de jaren rondom zijn pensionering in 2006 zware jaren heeft gehad en ten gevolge daarvan wellicht die rekening is vergeten. Verdachte maakte een geloofwaardige indruk met zijn verhaal. Dat verdachte toegang had tot internetbankieren, maakt dit alles niet anders. De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte de rekening die het bedrag van 5 miljoen vertegenwoordigde moet hebben gezien als hij op zijn Amerikaanse bankrekening inlogde. Van deze stelling blijkt echter niets op grond van het dossier. Ook het enkele feit dat er over deze rekening een gereduceerd belastingtarief van 15% werd geheven, is onvoldoende om aan te nemen dat verdachte het verzoek daartoe heeft gedaan en  heeft geweten van het bestaan van de rekening. Verdachte heeft gesteld dat hij in de veronderstelling was dat hij de rekening die een waarde vertegenwoordigde van ongeveer 800.000 dollar had opgegeven en dat toen mogelijk ook belasting is geheven over de andere rekening. In het dossier bevinden zich geen stukken waaruit anders zou moeten blijken, wat betekent dat verdachte in dezen het voordeel van de twijfel krijgt en de economische politierechter uitgaat van het door verdachte geschetste scenario. Verdachte wordt daarom van dit deel van de tenlastelegging vrijgesproken.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Bewezenverklaring</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De politierechter acht bewezen dat verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de periode van 30 augustus 2010 tot en met 5 december 2016 te Nederland,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de inkomstenbelastingen ten name van verdachte over de jaren 2009 en 2010 en 2011 en 2012 en 2013 en 2014 en 2015,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>telkens opzettelijk onvolledig heeft laten doen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>immers heeft hij, verdachte, een over genoemde jaren telkens een te laag bedrag aan belastbaar inkomen en een te laag bedrag aan vermogen in een ander land dan Nederland doen opgeven (BOX 3), terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Het bewijs</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De politierechter baseert zijn overtuiging dat verdachte het bewezen feit heeft begaan op de feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen zijn opgenomen in bijlage II bij dit vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>6</nr>Motivering van de straf</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">De eis van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie vordert een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaar. Ook vordert de officier van justitie een taakstraf van 120 uur. Tot slot vordert de officier van justitie een geldboete van EUR 50.000,-.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het strafmaatverweer van de verdachte</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft geen verweer gevoerd over de strafmaat.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de politierechter</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De politierechter legt aan verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf op van 150 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude door structureel opzettelijk vermogen in het buitenland te laten verzwijgen voor de Belastingdienst. Verdachte heeft de verantwoordelijkheden die de wet aan het doen van belastingaangifte stelt niet serieus genomen. Hij heeft het door de Belastingdienst gehanteerde systeem, dat erop berust dat steeds op de juistheid van de gedane aangiften en onderliggende administratie moet kunnen worden vertrouwd, ondergraven. Daarnaast heeft hij de integriteit van het financiële en economische verkeer en het vertrouwen dat in hem mocht en moest worden gesteld, in de kern geschonden. Juist ook gelet op het feit dat hij, voordat hij met pensioen ging, een hoge positie bij een groot internationaal bedrijf vervulde. Door het voorgaande is de overheid, en daarmee de gehele samenleving, benadeeld en de algemene belastingmoraal ondermijnd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met het begaan van belastingfraude zijn grote financiële belangen gemoeid. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit type strafbare feiten lastig op te sporen is en leidt tot fiscaal nadeel. De politierechter gaat bij het bepalen van de strafmaat niet uit van het door het Openbaar Ministerie en de FIOD aangeleverde benadelingsbedrag, nu de berekening daarvan ontbreekt in het dossier en de politierechter verdachte deels vrijspreekt. Het is voor de politierechter niet mogelijk om het exacte benadelingsbedrag vast te stellen nu hij niet beschikt over alle daarvoor benodigde gegevens. De politierechter zal daarom het nadeel schatten en schat het op een bedrag van enkele tienduizenden euro’s. Gelet op het oriëntatiepunt Fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige tijd daarom gerechtvaardigd zijn. De politierechter ziet echter aanleiding om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De politierechter heeft ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die zijn gebleken uit het dossier en het verhandelde op de zitting. De politierechter houdt rekening met de leeftijd van verdachte en zijn fysieke beperkingen. Daarnaast blijkt uit een verdachte betreffend uittreksel van justitiële documentatie van 10 oktober 2019 dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Dit heeft de politierechter in het voordeel van verdachte bij de straftoemeting betrokken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Alles afwegende is de politierechter van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijk gevangenisstraf niet passend zou zijn. De politierechter komt daarom tot oplegging van een geheel voorwaardelijk gevangenisstraf en een forse taakstraf. Op de zitting is ter sprake gekomen dat verdachte, ondanks zijn fysieke beperkingen, best in staat zou zijn te werken. De reclassering beschikt over speciale groepen voor personen met beperkingen en kan met verdachte bespreken waar hij het beste op zijn plek is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De politierechter zal in afwijking van de eis van de officier van justitie aan verdachte geen geldboete opleggen. Dit omdat de politierechter tot een gedeeltelijke vrijspraak beslist.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte feit.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen verklaarde levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het bewezene strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot een <emphasis role="bold">taakstraf</emphasis> van <emphasis role="bold">150 (honderdvijftig) uren</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen zal worden toegepast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot een <emphasis role="bold">gevangenisstraf </emphasis>van <emphasis role="bold">1 (één) maand.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maak taan een strafbaar feit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door:</para>
      <para>mr. P.P.C.M. Waarts,								politierechter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. I. Struijkenkamp				griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 december 2019.	</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bijlage I</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenlastelegging [verdachte] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte, [verdachte] , is ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 januari 2010 tot en met 5 december 2016 te Bloemendaal en/of Breda en/of Amstelveen en/of Noordwijk en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale) aangifte(n) voor de inkomstenbelastingen/premie volksverzekeringen ten name van verdachte over het/de jaar/jaren 2007 en/of 2008 en/of 2009 en/of 2010 en/of 2011 en/of 2012 en/of 2013 en/of 2014 en/of 2015 (DOC-009),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(telkens) opzettelijk onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/of heeft laten doen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>immers heeft hij, verdachte, een over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te laag bedrag aan belastbaar inkomen en/of een te laag bedrag aan vermogen in een ander land dan Nederland opgegeven en/of doen opgeven (BOX 3), althans een onjuist bedrag aan belastbaar inkomen, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bijlage II</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De bewijsmiddelen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De politierechter volstaat ten aanzien van het bewezenverklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd.</title>
    <para />
    <para>2. <emphasis role="bold">Een overzichtsproces-verbaal met nummer 63063, van 31 oktober 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verdachte] , ongenummerd.</emphasis></para>
    <para />
    <para>3. <emphasis role="bold">Een geschrift, zijnde een ambtsedige verklaring van 23 mei 2018, opgesteld door J.W.E. Lijnsvelt-Hofman, met als bijlagen onder meer aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2009-2015, DOC-009.</emphasis></para>
    <para />
    <para>4. <emphasis role="bold"> Een geschrift, zijnde een overzicht van het saldo van bankrekening WP 2601 ML, ten name van verdachte, DOC-007.</emphasis></para>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>