<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:9062</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-21T09:54:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-11-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751539-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:9062">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:9062</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-20T15:18:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:9062 Rechtbank Amsterdam , 16-11-2018 / 13/751539-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:9062:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolgings-EAB Frankrijk, heropening onderzoek ter zitting i.v.m. artikel 9 lid 1 onder a OLW (ne bis in idem)</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:9062:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM,</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751539-18 </para>
      <para>RK-nummer: 18/6264</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 16 november 2018   </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    TUSSENUITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 september 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juli 2018 door <emphasis role="italic">le Procureur de la République près le Tribunal de Grande Instance de Lille</emphasis> (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>  </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres </para>
      <para>
        [BRP-adres] ,</para>
      <para>thans gedetineerd in het [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 2 november 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door zijn raadsman, mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel uitgevaardigd door Sophie ALEKSIC, vicevoorzitter belast met rechterlijke vooronderzoeken aan de Arrondissementsrechtbank te Lille van 3 juli 2018, parketnummer: 18/053/235 – onderzoeksnummer: JIRSAC/18/2.</para>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Frankrijk strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 1, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	deelneming aan een criminele organisatie;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en onder nummer 5, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De <emphasis role="italic">Deputy public prosecutor</emphasis> van de <emphasis role="italic">organized crime inter regional court – Lille</emphasis> heeft bij e-mail van 26 oktober 2018 de volgende garantie gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">I therefore can guarantee you that [opgeëiste persoon] will be granted the right to carry out his prison sentence in the Netherlands, if convicted so.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.  </para>
      <para>Aan deze voorwaarde is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De onder 4 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. </emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a OLW </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het EAB onder rubriek e) is het volgende weergegeven: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dit bevel heeft betrekking op in totaal zeven (7) strafbare feiten. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Op 18 januari 2018 voerde de DIPJ van Lille in de omgeving van de rue Alexandra en David Neel te Lille onderzoek uit naar een verkooppunt van cocaïne en heroïne, dat door een zekere “ [bijnaam 1] ” was opgesteld. Dit verkooppunt werd direct bevoorraad door een in Rotterdam in Nederland gevestigd laboratorium door “ [bijnaam 1] ” en een Nederlandse partner bijgenaamd “ [bijnaam 2] ”. In het onderzoek werd vastgesteld dat de cocaïne en heroïne verpakt werden om aan klanten in de regio van Lille verkocht te worden, Ook kwamen er Franse half-groothandelaarsklanten uit het Oosten en Westen van Frankrijk, Duitse en Belgische klanten aan het licht. De organisatoren van het laboratorium gebruikten een voor het laboratorium bestemd telefoonnummer en een voertuig Audi A3 en volgens een Kia om de leveringen mee uit te voeren. Het laboratorium is meerdere keren verhuisd. Het afluisteren van telefoongesprekken en toezicht houden hebben het mogelijk gemaakt om duidelijk [opgeëiste persoon] als de zogenoemde [bijnaam 2] te identificeren, de partner van [bijnaam 1] , die werd geïdentificeerd als [naam medeverdachte] , als de organisatoren van deze smokkel vanuit het bewuste laboratorium.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Vervolgens heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit zeven strafbare feiten opgesomd, te weten: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">1- invoer van verdovende middelen door een criminele organisatie, (…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">2- verwerving van verdovende middelen, (…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">3- bezit van verdovende middelen, (…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">4- vervoer van verdovende middelen, (…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">5- aanbieden of overdracht van verdovende middelen, (…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">6- georganiseerde misdaad met het oog op het voorbereiden van misdrijven, (…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">7- georganiseerde misdaad met het oog op het voorbereiden van strafbare feiten strafbaar met 10 jaar gevangenisstraf, (…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij e-mail van 26 oktober 2018 is namens de uitvaardigende justitiële autoriteit meegedeeld dat de feiten in de periode van 1 januari 2018 tot 2 juli 2018 zouden zijn gepleegd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ter zitting is door de raadsman een vordering tot inbewaringstelling van het arrondissementsparket Rotterdam van 9 april 2018, overgelegd in de zaak met parketnummer 10/067445-18. Uit deze vordering blijkt dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht dat hij op 6 april 2018 in Rotterdam 1003,7 gram van een materiaal bevattende heroïne en 10,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne voorhanden heeft gehad. Voorts wordt hem witwassen van een bedrag van 102.942,85 euro verweten. </para>
        <para>De raadsman van de opgeëiste persoon heeft meegedeeld dat de opgeëiste persoon in verband met deze verdenking van 6 april tot 9 mei 2018 in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij e-mail van 1 november 2018 heeft de officier van justitie bij het Openbaar Ministerie Rotterdam het volgende meegedeeld: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Hieronder treft U aan het bericht van de Franse Liaison Officer in Nederland inhoudende de toezegging tot overname van de strafzaak met parketnummer 10/067445-18. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De overdracht zal op korte termijn officieel worden geformaliseerd.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft het volgende naar voren gebracht. Gelet op de dagvaarding en de e-mails die de officier van justitie heeft overgelegd, houdt de zaak in Rotterdam verband met de zaak waar het EAB op ziet. Daarom is sprake van schending van het ne bis in idem-beginsel en dient de overlevering te worden geweigerd. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat, indien de overlevering wordt toegestaan, de opgeëiste persoon niet kan worden overgeleverd voor de periode van 6 april tot en met 9 mei 2018. Gedurende deze periode zat hij in voorlopige hechtenis. Voor deze periode is zijn onschuld daarom aangetoond. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft het volgende betoogd. Voor het witwassen – waar de opgeëiste persoon in de Nederlandse strafzaak onder meer van wordt verdacht – is geen sprake van schending van het ne bis in idem-beginsel, omdat Frankrijk niet de overlevering vraagt voor een soortgelijk delict. Over de verdenking voor de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het drugsfeit heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de Nederlandse strafzaak en de zaak waarop het EAB ziet in ieder geval overlappen voor de datum van 6 april 2018, omdat deze datum in beide zaken in de pleegperiode is opgenomen. Om deze reden heeft de officier van justitie gevorderd dat de overlevering wordt toegestaan met uitzondering van 6 april 2018. De overlevering kan wel worden toegestaan voor de rest van de periode die de opgeëiste persoon in voorlopige hechtenis heeft verbleven, dit gelet op zijn rol. De uitvaardigende justitiële autoriteit verdenkt de opgeëiste persoon er namelijk van leiding te hebben gegeven aan de groep betrokken verdachten. Voor deze vorm van daderschap is geenszins vereist dat de verdachte ter plaatse aanwezig is; dit kan ook op afstand. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW wordt de overlevering van de opgeëiste persoon niet toegestaan voor een feit waarvoor tegen hem een strafvervolging in Nederland gaande is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De vraag die aan de rechtbank ter beoordeling voorligt is of in de onderhavige zaak sprake is van een lopende strafvervolging in Nederland voor een feit waarvoor Frankrijk de overlevering van de opgeëiste persoon vraagt. Beoordeeld moet daarom worden of sprake is van ‘een geheel van feiten (…) die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn naar tijd en plaats en wat het voorwerp ervan betreft’. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de feitsomschrijving in het EAB en de aanvullende informatie blijkt dat in Lille een verkooppunt van cocaïne en heroïne is gevestigd door ene “ [bijnaam 1] ”. Dit verkooppunt werd direct bevoorraad vanuit Rotterdam door genoemde “ [bijnaam 1] ” en een persoon die “ [bijnaam 2] ” werd genoemd. Uit onderzoek is volgens de Franse justitiële autoriteit gebleken dat de opgeëiste persoon “ [bijnaam 2] ” is. Dit zou tussen 1 januari 2018 en 2 juli 2018 hebben plaatsgevonden.    </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon wordt in Nederland vervolgd voor het op 6 april 2018 in Rotterdam aanwezig hebben van ruim één kilogram van een materiaal bevattende heroïne en ruim 10 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit feit valt onder de feitsomschrijving in het EAB dat door de Franse justitiële autoriteit is uitgevaardigd en het moet er voor worden gehouden dat de Franse justitiële autoriteiten de opgeëiste persoon in Frankrijk voor hetzelfde feit willen vervolgen als waarvoor hij nu in Nederland wordt vervolgd. De inhoud van voornoemde e-mail van 1 november 2018 wijst daar ook op. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In beginsel betekent dit dat de overlevering ten aanzien van het feit/de feiten op 6 april 2018, waarvoor tegen hem een strafvervolging in Nederland gaande is, moet worden geweigerd, tenzij Onze Minister ingevolge artikel 9, tweede lid, OLW na advies van het Openbaar Ministerie en voorafgaand aan de beslissing tot overlevering opdracht heeft gegeven de vervolging te staken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nu de Franse justitiële autoriteiten nadrukkelijk te kennen hebben gegeven dat zij de opgeëiste persoon ook voor het bezit van de heroïne en cocaïne en het witwassen op 6 april 2018 in Rotterdam willen vervolgen, ziet de rechtbank aanleiding om het onderzoek ter zitting te heropenen en gelijktijdig te schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de Minister van Justitie en Veiligheid te verzoeken om de opdracht te geven de vervolging in Nederland te staken. In het geval dat de officier van justitie van deze gelegenheid geen gebruik wil maken, dient dit zo spoedig mogelijk kenbaar te worden gemaakt aan de rechtbank.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>en <emphasis role="bold">SCHORST</emphasis> het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de Minister van Justitie en Veiligheid te verzoeken de opdracht te geven de vervolging in Nederland te staken; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. E.M.M. Gabel,	  				                 		voorzitter,</para>
      <para>mrs. C.A. van Dijk en R.A.J. Hübel,                         		   		rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman,		                         		griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 16 november 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>