<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:8902</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-18T09:07:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-12-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-751600-18    RK 18-6726</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:8902">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:8902</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-18T09:05:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:8902 Rechtbank Amsterdam , 07-12-2018 / 13-751600-18    RK 18-6726</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:8902:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een beroep op artikel 7 Handvest niet kan slagen. Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 3 mei 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:2991) overweegt de rechtbank dat overlevering een toegestane beperking is in de uitoefening van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven. Gelet op de tijdelijke aard van de beperking, is de verhouding tussen de belangen die overlevering beoogt te dienen en de beperking in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven van de opgeëiste persoon, niet onevenredig. De inmenging in de uitoefening van het recht op “family-life” levert daarom geen beletsel op voor overlevering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:8902:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">		                    RECHTBANK AMSTERDAM	</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">		      INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751600-18 </para>
      <para>RK nummer: 18/6726</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 7 december 2018 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 oktober 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 24 juli 2018 door <emphasis role="italic">the Vienna Regional Criminal Court</emphasis>, Oostenrijk en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] , Duitsland, op [geboortedag 1] 1983, </para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,<?linebreak?>gedetineerd in het [detentieadres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 november 2018. <?linebreak?>De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel en de raadsman van de opgeëiste persoon mr. H.G. Kersting, advocaat te Amsterdam. De raadsman heeft verklaard dat hij uitdrukkelijk gemachtigd is verweer te voeren tegen de vordering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon 		</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Griekse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis, op 16 april 2015 gewezen door <emphasis role="italic">the Vienna Regional Criminal Court.</emphasis><?linebreak?>Referentienummer: 45 Hv 40/15b.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van <emphasis role="bold">tien maanden</emphasis>, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit informatie met bijlagen, afkomstig van Magister P. Sampt, <emphasis role="italic">Richter des Landesgerichtes für Strafsachen Wien</emphasis>, van 16 oktober 2018, blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de drie feiten (A, B en C) zoals die als volgt zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB:<?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [opgeëiste persoon] is guilty of having, in Vienna, unlawfully exported and imported, sold, and acquired and possessed narcotic drugs, namely herbal cannabis and cannabis resin (active ingredients Delta-9-THC and THCA), specifically:</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">A</emphasis>
        <emphasis role="italic">. on March 6, 2015 he exported at least 12 grams of cannabis resin from Germany and imported them to Austria;</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">B</emphasis>
        <emphasis role="italic">. on March 9, 2015 </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">1. he commercially sold</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>a. <emphasis role="italic">a) one packet with 1.1 gram to [persoon] , who was born on [geboortedag 2] , 1997 and thus a minor, at a price of € 10,-, making narcotic drugs available to a minor through the offence, and he himself was of legal age and more than two years older than [persoon] ;</emphasis></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">b) in three incidents at least five packets with 0.2 gram per packet to unknown customers at a price of € 10,- per packet;</emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <bridgehead role="italic">2. he commercially tried to sell (Section 15 StGB) one packet with 0.8 gram by keeping it with him, ready for selling at any moment, in a well-known drug dealing location;</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">C</emphasis>
        <emphasis role="italic">. in the period from March 6, 2015 until March 9, 2015 he acquired and possessed cocaine (active ingredient Cocaine) and cannabis resin for his personal use.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feit B a)</emphasis>
        <?linebreak?>De raadsman heeft aangevoerd dat Nederland, anders dan kennelijk de Oostenrijkse strafwet, geen separate strafbaarstelling kent met betrekking tot de verkoop van cannabis <emphasis role="italic">aan minderjarigen </emphasis>(feit B a). Het aankruisen van het lijstfeit van handel in verdovende middelen door de uitvaardigende justitiële autoriteit is in evidente tegenstelling met de feitsomschrijving. De raadsman heeft de rechtbank verzocht hier nadere vragen over te stellen aan <emphasis role="italic">the Vienna Regional Criminal Court.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot het onder B a) omschreven feit (de verkoop van cannabis <emphasis role="italic">aan een minderjarige</emphasis>) in redelijkheid het lijstfeit heeft kunnen aankruisen en dat er geen sprake is van een evidente tegenstelling tussen het onder B a) omschreven feit waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld en de op de lijst aangekruiste categorie. Dat verkoop van verdovende middelen aan een minderjarige in de Oostenrijkse wet apart strafbaar zou zijn gesteld doet daar niet aan af. Er is geen aanleiding om op dit punt nadere inlichtingen in te winnen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt dan ook vast dat onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van alle feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht achterwege moet blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW en dit ook in redelijkheid heeft kunnen doen. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten: <emphasis role="italic">illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in Form A (<emphasis role="italic">Supplementary information relating to an extradition</emphasis>) vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Oostenrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. Form A heeft betrekking op onderhavig EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Overige verweren<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Is overlevering onevenredig bezwarend?</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt raadsman</emphasis>
          <?linebreak?>De overlevering in onevenredig bezwarend. Daartoe is onder verwijzing naar artikel 11, zesde lid Opiumwet aangevoerd dat het hier om hoeveelheden soft drugs gaat waarvoor in Nederland geen vervolging zou plaatsvinden. Het bezit van een kleine hoeveelheid cocaïne voor eigen gebruik van een verslaafde verdachte wordt in Nederland evenmin vervolgd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel rechtbank</emphasis>
          <?linebreak?>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. <?linebreak?>De rechtbank verwijst naar haar in eerdere uitspraken gegeven oordeel (onder meer van 12 juni 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5119), dat gelet op de stelselevenredigheid van het Kaderbesluit een beroep op de onevenredigheid van een EAB slechts onder bijzondere omstandigheden kan slagen. In het onderhavige geval is de rechtbank niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat de overlevering dient te worden geweigerd, of dat de behandeling moet worden aangehouden teneinde te laten onderzoeken of er – voor de opgeëiste persoon minder ingrijpende – alternatieven mogelijk zijn. Dat de officier in justitie in Nederland de opgeëiste persoon mogelijk niet zou vervolgen voor de onder 3 genoemde strafbare feiten indien zij in Nederland zouden zijn gepleegd, kan niet tot een ander oordeel leiden. <?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Artikel 7 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest)</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt raadsman</emphasis>
          <?linebreak?>De raadsman heeft een beroep gedaan op artikel 8 Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat beoogt het gezinsleven te beschermen. <?linebreak?>De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het gezinsleven van de opgeëiste persoon bijkans wordt geruïneerd door een detentie van meer dan acht maanden die hem in Oostenrijk te wachten staat, ver weg van de woonplaats van zijn vrouw en kinderen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank begrijpt het betoog als een beroep op artikel 7 Handvest, dat – op grond van artikel 52, derde lid, Handvest – dezelfde inhoud en reikwijdte als artikel 8 EVRM heeft. <?linebreak?>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een beroep op artikel 7 Handvest niet kan slagen. Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 3 mei 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:2991) overweegt de rechtbank dat overlevering een toegestane beperking is in de uitoefening van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven. Gelet op de tijdelijke aard van de beperking, is de verhouding tussen de belangen die overlevering beoogt te dienen en de beperking in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven van de opgeëiste persoon, niet onevenredig. De inmenging in de uitoefening van het recht op “family-life” levert daarom geen beletsel op voor overlevering.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt raadsman</emphasis>
          <?linebreak?>De opgeëiste persoon stelt dat aan hem aanvankelijk een voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, met daaraan als voorwaarde verbonden dat hij zich zou laten behandelen voor zijn verslaving. Hij was er niet bekend mee dat zijn voorwaardelijke detentie kennelijk is omgezet in een onvoorwaardelijke straf van tien maanden. De Oostenrijkse rechter had bij de omzetting een beoordelingsvrijheid, aangezien de opgeëiste persoon het onvoorwaardelijke gedeelte van zijn straf had kunnen ontlopen indien hij zich alsnog onder behandeling had gesteld om van zijn drugsverslaving af te komen. Dit brengt met zich dat artikel 6 EVRM (<emphasis role="italic">de rechtbank begrijpt: artikel 47 Handvest</emphasis>) is geschonden.<?linebreak?></para>
      </parablock>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het EAB slechts dat aan de opgeëiste persoon een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden is opgelegd. Uit de bij e-mail van 16 oktober 2018 toegezonden informatie blijkt dat hij aanwezig is geweest bij de zitting die tot die beslissing heeft geleid. In de stellingen van de opgeëiste persoon ziet de rechtbank, gelet op het vertrouwensbeginsel, geen aanleiding te twijfelen aan deze informatie uit het EAB. Het verweer wordt dan ook verworpen en de rechtbank ziet geen aanleiding op dit punt vragen te stellen aan de Duitse autoriteiten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beroep op de termijn van artikel 22, eerste lid OLW</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt raadsman</emphasis>
          <?linebreak?>De opgeëiste persoon is op 16 september 2018 voorlopig aangehouden en definitief aangehouden op 3 oktober 2018. Dit betekent dat de termijn van zestig dagen (artikel 22, eerste lid OLW) niet wordt gehaald. Deze termijn verstrijkt namelijk op 2 december 2018. <?linebreak?>De raadsman heeft verzocht de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon al dan niet onder het stellen van voorwaarden te schorsen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel rechtbank</emphasis>
          <?linebreak?>Het verweer slaagt niet. De raadsman miskent dat artikel 22, derde lid OLW de mogelijkheid biedt om de in artikel 22, eerste lid OLW genoemde termijn met dertig dagen te verlengen. <?linebreak?>Van deze mogelijkheid maakt de rechtbank gebruik. Zij doet uitspraak op 7 december 2018 en blijft daarmee ruim binnen de verlengde termijn.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Vienna Regional Criminal Court</emphasis>, Oostenrijk, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. C. Klomp,  				                                           voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.C.P. de Ridder en I. Verstraeten-Jochemsen,                        	      rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van L.C. Werkman,		                              griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 7 december 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>