<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:8508</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-11-29T16:50:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-11-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.751689-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:8508">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:8508</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-11-29T15:05:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:8508 Rechtbank Amsterdam , 26-11-2018 / 13.751689-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:8508:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB t.b.v. vervolging, Polen, vervolg op tussenuitspraak van 15 november 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:8155), Poolse rechtsstaat, levenslange gevangenisstraf, overlevering is toegestaan</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:8508:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751689-18</para>
      <para>RK-nummer: 18/6221</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 26 november 2018 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 augustus 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 29 augustus 2018 door <emphasis role="italic">Sąd Okręgowy (Regional Court in Szczecin)</emphasis>, Polen, en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>thans gedetineerd in het [detentieadres] , </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. L.F. Bögemann, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op voornoemde datum het onderzoek ter zitting geschorst voor bepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om nadere vragen aan de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 9 november 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie <?linebreak?>mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door zijn raadsvrouw, <?linebreak?>mr. M.M.R. Slaghekke, advocaat te Amsterdam, die waarneemt voor mr. L.F. Bögemann, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij tussenuitspraak van 15 november 2018 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en onmiddellijk geschorst tot de zitting van 23 november 2018 teneinde de Poolse justitiële autoriteiten nadere vragen te stellen over de Poolse rechtsstaat, artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (<emphasis role="italic">hierna: Handvest</emphasis>), en over de mogelijk op te leggen levenslange gevangenisstraf, artikel 4 Handvest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 23 november 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie <?linebreak?>mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door zijn raadsvrouw, <?linebreak?>mr. L.F. Bögemann, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met instemming van de officier van justitie en de raadsvrouw heeft de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter zitting van 9 november 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">enforceable decision on remand in custody of the District Court in Myślibórz , 2nd Penal Division </emphasis>van 27 augustus 2018 (II Kp 313/18). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Polen strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	moord</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	diefstal</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Handvest van de grondrechten van de Europese Unie </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Poolse rechtsstaat, artikel 47 Handvest</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.1.1</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Bij brief van 26 oktober 2018 hebben de Poolse justitiële autoriteiten de vragen betreffende de Poolse rechtsstaat beantwoord die de rechtbank in haar tussenuitspraak in de Poolse zaak van de opgeëiste persoon C. van 4 oktober 2018 heeft opgesteld<footnote-ref linkend="_71216c3b-0274-468e-a133-53226516a3ff" />. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Bij tussenuitspraak van 15 november 2018<footnote-ref linkend="_11e5dec5-dd4d-4781-aaff-08580e335351" /> heeft de rechtbank vervolgens de navolgende vragen gesteld: </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>ten aanzien van hetgeen in de brief van 26 oktober 2018 onder B door de Poolse justitiële autoriteit is aangevoerd  </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>1. Wat houdt ‘<emphasis role="italic">a decision on the discontinuation of proceedings</emphasis>’ in? <?linebreak?></para>
          <para>2. Betekent dit dat de <emphasis role="italic">President of the Republic</emphasis> een lopende strafrechtelijke procedure definitief kan beëindigen, of kan de strafprocedure hierna opnieuw worden gevoerd voor een andere rechter of een andere rechtbank? <?linebreak?></para>
          <para>ten aanzien van de verklaring van de opgeëiste persoon ter zitting van de Internationale rechtshulpkamer<?linebreak?></para>
          <para>1. Werkt de moeder en/of tante van [slachtoffer in de strafzaak] (opmerking rechtbank: slachtoffer in deze zaak) voor <emphasis role="italic">the Regional Court in Szczecin</emphasis>, dan wel voor de andere instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan deze opgeëiste persoon zal worden onderworpen?</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>2. Zo ja: <?linebreak?>- wat is haar/hun functie(s)?<?linebreak?>- wat zijn de bevoegdheden die uit haar/hun functie(s) voortvloeien?<?linebreak?>- indien de moeder van [slachtoffer in de strafzaak] en/of de tante op enigerlei wijze <?linebreak?>   invloed zou(den) kunnen uitoefenen op het strafproces tegen de opgeëiste persoon, wat zijn dan de voorzieningen die kunnen worden getroffen om de <?linebreak?>   onafhankelijkheid van de behandelend(e) rechter/rechtbank te waarborgen?</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De Poolse justitiële autoriteiten hebben het navolgende geantwoord: </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline italic">Bij brief van 20 november 2018: </emphasis>
          </para>
          <para>“<emphasis role="italic">The Regional Court in Szczecin, the IIIrd Criminal Division in answer to the questions contained in your letter of the l6 November 2017 explains, that the formulation “decision on the discontinuance of proceedings” means in the Polish legal system a definitive termination of proceedings (…),</emphasis></para>
          <para>
            <emphasis role="italic">As regards the second issue raised by you, and namely the circumstance whether “the President of the Republic may terminate a criminal procedure or that it means that a criminal procedure may be conducted before another judge or court” so these issues are settled by the judgement, quoted by you in the introductions, of the Constitutional Tribunal of the 17th July 2018, reference symbol of files K 9/17 together with the reasons for this judgement. According to this judgement, the exercise by the President of the right of grace, which is constitutionally vested in him, and the application of the individual abolition even before the passing of final and binding judgement, does not constitute a violation of the principle of the trisection of authority and restriction of the right to court, which in the opinion of the commentators cited in the reasons for the a/m judgement, results from the circumstance, that the constitutional notion “of the right of grace” has a wider meaning than the code notion “pardon” and in so far as the second notion concerns strictly the release or mitigation of a final and binding conviction, so in the first notion may also lie contained the act of individual abolition.(…)</emphasis>”</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline italic">Bij brief van 21 november 2018: </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">“(…) I kindly inform that in the Regional Court in Szczecin (…) is not employed a person with the name [achternaam slachtoffer in strafzaak] . At the same time, I inform that with reference to the question contained in item H of the letter of the a/m Public Prosecutor’s Office, the Court of this place has no knowledge to such an extent.</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Whereas from the information obtained from the district courts of the Regional Court in Szczecin it follows that:</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">1. (…),</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">2. In the District Court in Myślibórz (…) is employed Mrs [moeder slachtoffer in strafzaak] [the mother of [slachtoffer in de strafzaak] ], on the post of a senior court secretary (…), performing the function of the deputy manager of the secretariat (…) of the IInd Criminal Division (…) and mrs [neef slachtoffer in strafzaak] [the cousin of [slachtoffer in de strafzaak] and the daughter of the sister of [moeder slachtoffer in strafzaak] ], on the post of a senior court secretary (…), performing the function of the manager of the secretariat (…) of the IInd Criminal Division (…)”.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline italic">Bij brief van 20 november 2018 (de rechtbank begrijpt: </emphasis>
            <emphasis role="bold underline italic">22</emphasis>
            <emphasis role="underline italic"> november 2018):</emphasis>
          </para>
          <para>“<emphasis role="italic">The Regional  Court in Szczecin, the IIIrd Criminal Division (…) in answer to the question contained in your letter of the 22nd November 2018, confirms that (…) Mrs [moeder slachtoffer in strafzaak] and Mrs [neef slachtoffer in strafzaak] do not perform any adjudicating functions, they perform only administrative functions. </emphasis></para>
          <para>
            <emphasis role="italic">At the same time the Court indicates, that the Polish criminal procedure provides for a possibility of moving, by a party to proceedings, for an exclusion of a judge, if there would exist a circumstance of such a kind, that it could raise justified doubts with regard to the impartiality in a given case, and therefore if the sentenced person would have, in spite of the above described circumstance, any doubts, he may in the course of the proceeding before this court, submit a suitable motion on the grounds of art. 41 § 1 of the Polish criminal code.</emphasis>”</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.1.2</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. Zakelijk weergegeven heeft zij haar standpunt als volgt onderbouwd. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De nadere antwoorden die de Poolse justitiële autoriteiten hebben verstrekt ten aanzien van onderdeel B uit hun brief van 26 oktober 2018, nemen de zorgen betreffende de rechtsstaat in Polen niet weg. Een zaak kan worden geseponeerd en nadien klaarblijkelijk weer bij een nieuwe rechter worden aangebracht. De antwoorden versterken de (dreigende) schending op individueel niveau waardoor de overlevering moet worden geweigerd. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De moeder en nicht van het slachtoffer werken bij de rechtbank in Myślibórz . Zij zijn daar als senior secretaris werkzaam en zijn beiden hoofd van de afdeling voor de divisie strafzaken. Myślibórz betreft een nevenzittingsplaats van de rechtbank in Szczecin die het EAB heeft uitgevaardigd. Het initiatief om een EAB uit te vaardigen lag echter bij de rechtbank in Myślibórz . Dit roept vragen op over de onpartijdigheid die niet worden weggenomen door de mededeling dat de moeder en de nicht van het slachtoffer enkel administratie functies hebben. Ook de mededeling dat een rechter kan worden gewraakt als deze niet onpartijdig is, biedt geen garantie voor een eerlijk proces. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.1.3</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De officier van justitie heeft hiertegen aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat er geen sprake van is dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces zal krijgen in Polen. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>In de aanvullende informatie betreffende onderdeel B uit de brief van 26 oktober 2018 spreken de Poolse justitiële autoriteiten over een ‘<emphasis role="italic">definitive termination</emphasis>’. Hiermee is de vraag van de rechtbank beantwoord en zijn de zorgen voor deze bedreiging weggenomen.  </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Met betrekking tot de familieleden van het slachtoffer heeft de officier van justitie aangevoerd dat <emphasis role="italic">the Regional Court in Szczecin </emphasis>het EAB heeft uitgevaardigd en dat <emphasis role="italic">the District Court in Myślibórz , 2nd Penal Division</emphasis>, waar de moeder en nicht van het slachtoffer werken, geen nevenvestiging is van de uitvaardigende justitiële autoriteit. Daarnaast hebben de familieleden een puur administratieve functie en hebben zij niets met de toewijzing en de beoordeling van de strafzaak van de opgeëiste persoon te maken. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.1.4</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">5.1.4.1	Inleiding</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Uit het arrest LM van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) in de zaak C-216/18 PPU, volgt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit achtereenvolgens de volgende drie vragen dient te beantwoorden bij een mogelijke schending van het recht op een eerlijk proces: </para>
        </parablock>
        <para />
        <para>
          <emphasis role="italic">1. Dreigt een reëel gevaar dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van die staat in gevaar brengen? Zo ja:</emphasis>
        </para>
        <para />
        <para>
          <emphasis role="italic">2. In hoeverre kunnen de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat betreft, zoals die uit de ter beschikking staande gegevens blijken, gevolgen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van die staat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen? Zo ja:</emphasis>
        </para>
        <para />
        <para>
          <emphasis role="italic">3. Zijn er, in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt.</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>In haar uitspraak van 4 oktober 2018 heeft de rechtbank vraag 1 bevestigend beantwoord ten aanzien van de Poolse situatie. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank stelt vast dat de tweede vraag, namelijk of de vastgestelde structurele gebreken negatieve gevolgen <emphasis role="italic">kunnen hebben</emphasis> op het niveau van de rechterlijke instanties van die staat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen, gelet op de beantwoording van de gestelde vragen in beginsel eveneens bevestigend kan worden beantwoord.  </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Dit leidt er toe dat de rechtbank nu vraag 3 moet beantwoorden en daarbij moet meewegen hetgeen bekend is geworden bij de beantwoording van vraag 1 en 2. Bij de beantwoording van vraag 3 heeft het debat zich toegespitst op de ‘<emphasis role="italic">discontinuation of the proceedings</emphasis>’ en de rol van de familie van het slachtoffer. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">5.1.4.2	Betreffende de ‘decision on the discontinuation of proceedings’	</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Ten aanzien van de mededelingen in de brief van 26 oktober 2018 onder B, alsmede de beantwoording van de nader gestelde vragen hierover op 20 november 2018, overweegt de rechtbank het volgende. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De Poolse justitiële autoriteiten hebben aangegeven dat <emphasis role="italic">a decision on the discontinuation of proceedings </emphasis>naar Pools recht inhoudt dat er van een definitieve beëindiging van de procedure sprake is (“<emphasis role="italic">a definitive termination of proceedings</emphasis>”). Dit houdt naar het oordeel van de rechtbank in dat een eenmaal beëindigde strafprocedure niet opnieuw kan worden gestart en deze beslissing in ieder geval niet kan worden aangewend om een strafzaak voor een andere rechterlijke instantie aan te brengen. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit geen relevante negatieve gevolgen op het niveau van de rechtbank Szczecin die bevoegd is voor de strafprocedure waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De brief van de Poolse justitiële autoriteiten van 26 oktober 2018, onder A, C, D en E bevat ook overigens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de strafzaak tegen de opgeëiste persoon bij <emphasis role="italic">the Regional Court in Szczecin</emphasis> daadwerkelijk negatief zal worden beïnvloed door de eerder genoemde gebreken. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank ook in zoverre niet dat de opgeëiste persoon na overlevering aan Polen een reëel gevaar loopt om geen eerlijk proces te krijgen bij de rechtbank in Szczecin. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">5.1.4.3	Betreffende de familieleden van het slachtoffer die bij een Poolse rechtbank </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic"> 	werkzaam zijn	</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat de moeder en de nicht van het slachtoffer beiden als <emphasis role="italic">senior court secretary</emphasis> bij <emphasis role="italic">the District Court in Myślibórz</emphasis> werken - dat het nationale aanhoudingsbevel dat aan het EAB ten grondslag ligt heeft uitgevaardigd - en respectievelijk als <emphasis role="italic">deputy manager of the secretariat</emphasis> en <emphasis role="italic">manager of the secretariat of the IInd</emphasis></para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Criminal Division</emphasis> fungeren, een bijzondere situatie oplevert.  </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Uit de aanvullende informatie van de Poolse justitiële autoriteiten blijkt echter dat beide familieleden <emphasis role="underline">niet</emphasis> werken bij de rechtbank die de strafzaak tegen de opgeëiste persoon zal behandelen (<emphasis role="italic">the Regional Court in Szczecin</emphasis>). Evenmin beschikt de rechtbank over informatie waaruit blijkt dat zij op enigerlei wijze bij <emphasis role="italic">the Regional Court in Szczecin </emphasis>betrokken zijn.   </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>In de aanvullende informatie van 22 november 2018 hebben de Poolse justitiële autoriteiten voorts het volgende te kennen gegeven ten aanzien van de familieleden: </para>
          <para>“<emphasis role="italic">(they) do not perform any adjudicating functions, they perform only administrative functions (…)” </emphasis></para>
          <para>De rechtbank beschikt niet over aanknopingspunten die aanleiding geven om aan deze mededeling te twijfelen.<?linebreak?></para>
          <para>Om die reden is de rechtbank van oordeel dat ook de omstandigheid dat familieleden van het slachtoffer bij de rechtbank werken die het nationale aanhoudingsbevel heeft afgegeven, geen gevolgen heeft op het niveau van de rechtbank in Szczecin waarvoor het strafproces van de opgeëiste persoon zal plaatsvinden.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat er sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, nu noch zijn persoonlijke situatie, noch de aard van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd, noch de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt tot een dergelijke conclusie aanleiding geeft. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Levenslange gevangenisstraf, artikel 4 Handvest</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.2.1</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Bij voornoemde tussenuitspraak van 15 november 2018 heeft de rechtbank ten aanzien van de mogelijkheid dat op grond van de geldende Poolse wetgeving bij een veroordeling voor moord een tijdelijke gevangenisstraf van maximaal 25 jaar of een levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd, de volgende vragen gesteld:  </para>
        </parablock>
        <para />
        <orderedlist numeration="arabic">
          <listitem>
            <para>Bevat de Poolse wetgeving – buiten de in de verstrekte informatie genoemde mogelijkheid van gratie direct na het onherroepelijk worden van het vonnis – nog een regeling tot herbeoordeling van levenslange gevangenisstraffen?<?linebreak?></para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>Zo ja, hoe luidt de inhoud van deze regeling?</para>
          </listitem>
        </orderedlist>
        <para />
        <parablock>
          <para>Bij brief van 20 november 2018 hebben de Poolse justitiële autoriteiten deze vraag als volgt beantwoord: </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>“<emphasis role="italic">Whereas within the scope of information whether the Polish legislation apart from the pardon, provides for a conditional release of a sentenced person after a certain time, the Court of this place explains, that this issue is regulated by art. 78 of the Polish criminal code, pursuant to the contents of which, (…) a person sentenced to life imprisonment may be conditionally released after the serving of 25 years.</emphasis>”</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.2.2</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De Poolse justitiële autoriteiten hebben aangegeven dat indien een levenslange gevangenisstraf wordt opgelegd, de opgeëiste persoon na 25 jaar vervroegd vrij kan komen. Verdere regelgeving, waarin is uitgewerkt aan welke voorwaarden de veroordeelde moet voldoen om in aanmerking te komen voor vervroegde vrijlating, is niet voorhanden. Evenmin is de vraag hoe de herbeoordeling procedureel is gewaarborgd beantwoord. Dat geen aandacht wordt besteed aan de objectieve criteria die op voorhand kenbaar moeten zijn voor de veroordeelde en dat er voldoende procedurele waarborgen moeten zijn zodat de mogelijkheid tot vervroegde invrijheidsstelling geen wassen neus betreft, leidt tot de conclusie dat die regelgeving in Polen niet bestaat. Daarom dient ten aanzien van de verdenking van moord de overlevering te worden geweigerd. </para>
        </parablock>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.2.3</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De Poolse justitiële autoriteiten hebben bevestigd dat indien de opgeëiste persoon tot een levenslange gevangenisstraf wordt veroordeeld, hij na 25 jaar een verzoek om invrijheidsstelling kan doen. Dit is toereikend voor overlevering. Verder kan worden aangenomen dat Poolse rechters zich aan de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Vinter houden. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.2.4</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op grond van artikel 5 van het kaderbesluit EAB kan indien het feit dat aan het EAB ten grondslag ligt strafbaar is gesteld met een levenslange gevangenisstraf, de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat in het rechtsstelsel van de uitvaardigende staat de mogelijkheid van herziening van de opgelegde straf – op verzoek of tenminste na 20 jaar – bestaat, dan wel van toepassing van gratiemaatregelen waarvoor de betrokkene krachtens de nationale wetgeving of praktijk van die lidstaat in aanmerking kan komen, strekkende tot niet uitvoering van die straf. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit dat als in het recht van de uitvaardigende lidstaat een mogelijkheid van herziening van de opgelegde straf of maatregel — op verzoek of ten minste na 20 jaar — bestaat dit voldoende is om, gelet op het vertrouwensbeginsel, hiervan uit te gaan en overlevering toe te staan. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet op de bij brief van 30 oktober 2018 door de Poolse justitiële autoriteiten verstrekte informatie, bestond bij de rechtbank twijfel of het Poolse recht een herzieningsmogelijkheid bevat indien een levenslange gevangenisstraf wordt opgelegd. Uit de aanvullende informatie van 20 november 2018 blijkt dat dit het geval is. Er bestaat een wettelijke mogelijkheid om na 25 jaar te verzoeken om een vervroegde invrijheidsstelling. In het kader van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank er van uit dat in Polen aan de criteria die voortvloeien uit de rechtspraak van het EHRM betreffende de toepassing en tenuitvoerlegging van levenslange gevangenisstraffen - namelijk dat er een vooruitzicht op invrijheidstelling wordt geboden en er een mechanisme dient te bestaan, waarbij getoetst wordt of zich zodanige veranderingen aan de zijde van de veroordeelde hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar resocialisatie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd - is voldaan. Kortgezegd dat het arrest Vinter vs UK van het EHRM, in acht wordt genomen. Er zijn geen aanknopingspunten voorhanden om hieromtrent tot een ander oordeel te komen.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>In het licht van het vorenstaande is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een algemeen risico dat opgeëiste personen die in Polen tot een levenslange gevangenisstraf worden veroordeeld, het risico lopen op een schending van artikel 4 Handvest. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 282, 289, 300, 304 en 310 Wetboek van Strafrecht, en 2, 5, en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van<emphasis role="bold"> [opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">Sąd Okręgowy (Regional Court in Szczecin)</emphasis> ten behoeve van het in Polen tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. C. Klomp,			  					                         voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.C.P. de Ridder en I. Verstraeten-Jochemsen,               				   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens,				                              griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 26 november 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>								De oudste rechter is buiten staat deze </para>
      <para>								uitspraak mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_71216c3b-0274-468e-a133-53226516a3ff" label="1">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2018:7032</para>
  </footnote>
  <footnote id="_11e5dec5-dd4d-4781-aaff-08580e335351" label="2">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2018:8155</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>