<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:8306</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-11-22T17:10:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-11-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/701876-16</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:8306">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:8306</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-11-22T15:13:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:8306 Rechtbank Amsterdam , 16-11-2018 / 13/701876-16</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:8306:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>rijspraak oplichting en uitgeven vervalst geld</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:8306:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">VONNIS</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/701876-16</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 16 november 2018</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[verdachte] </emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 november 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.E.A. Duyvendak, en van wat mr. W. Hendrickx, gemachtigd raadsman van verdachte, en de benadeelde partij, [persoon] , naar voren hebben gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de zitting - kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">feit 1</emphasis>
      </para>
      <para>het medeplegen van oplichting van [persoon] , door hem te bewegen tot afgifte van een groot geldbedrag en sieraden (in totaal met een waarde van € 100.000,00), onder meer door tegen [persoon] te zeggen diens huis te willen kopen, een aanbetaling overeen te komen, een onderpand voor die aanbetaling overeen te komen en nadien vals gebleken bankbiljetten met een telmachine te tellen en onder een UV-lamp te houden, gepleegd in de periode van 11 januari 2015 tot 23 april 2015;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">subsidiair</emphasis>
      </para>
      <para>medeplichtigheid aan de oplichting van [persoon] , door anderen daarbij behulpzaam te zijn, gepleegd op 23 april 2015;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">feit 2</emphasis>
      </para>
      <para>het medeplegen van het uitgeven van nagemaakte of vervalste bankbiljetten van 500 euro, gepleegd op 23 april 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De integrale tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Vrijspraak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 subsidiair en tot vrijspraak van feit 1 primair. De officier van justitie heeft hiertoe het volgende aangevoerd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verklaringen van aangever [persoon] zijn betrouwbaar. Zijn verklaringen vinden steun in hetgeen te zien is op de camerabeelden van het hotel waar op 23 april 2015 een ontmoeting met onder andere verdachte plaatsvond. Daarnaast is het zo dat [persoon] direct nadat hij erachter komt dat hij is opgelicht, terug gaat naar het hotel en dat meteen de politie is gebeld. Op de valse bankbiljetten zijn vingerafdrukken gevonden en de meeste daarvan zijn van verdachte. Verdachte geeft geen verklaring, terwijl de omstandigheden wel om een uitleg vragen: hij was in het hotel toen de ontmoeting met aangever plaatsvond en zijn vingerafdrukken zaten op de valse bankbiljetten die [persoon] van de oplichters ontving. Dat aangever verdachte niet heeft herkend bij de foslo-confrontatie, doet daar niet aan af. Verdachte is immers door twee verbalisanten herkend op de camerabeelden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het voorgaande blijkt niet dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders. Daarom kan het primair tenlastegelegde medeplegen niet worden bewezen. Wel kan worden bewezen dat verdachte behulpzaam is geweest bij de oplichting en dat er dus sprake is van medeplichtigheid. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangegeven geen bezwaar te hebben tegen vrijspraak, nu er sprake is van eendaadse samenloop en aangever mogelijk meteen had kunnen zien dat de bankbiljetten niet echt waren. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsman heeft ten aanzien van beide feiten vrijspraak bepleit en hij heeft hiertoe kort gezegd het volgende naar voren gebracht. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">feit 1</emphasis>
        </para>
        <para>Het is nog maar de vraag of er daadwerkelijk een strafbaar feit is gepleegd, het gehele verhaal komt zeer onwaarschijnlijk over. De enige bron is aangever [persoon] . De prints van camerabeelden uit het hotel zijn van onvoldoende kwaliteit om iemand op te herkennen, zo geeft de afdeling gezichtsherkenning van de politie aan. En toch zijn er twee verbalisanten die menen verdachte te herkennen. Deze herkenningen zijn niet overtuigend, de kwaliteit van de beelden is zo slecht dat daarop geen betrouwbare herkenning kan worden gebaseerd. De dactyloscopische sporen geven geen informatie over het moment waarop deze zijn achter gelaten. Daarnaast zijn bankbiljetten verplaatsbaar. Daarbij komt nog dat aangever verdachte niet herkende bij de foslo-confrontatie, er geen buit bij verdachte is aangetroffen en er geen sporen van hem zijn gevonden op de plaats delict. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">feit 2</emphasis>
        </para>
        <para>De biljetten zijn overduidelijk niet echt en kunnen daarom niet als vals geld worden uitgegeven. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten aanzien van feit 1</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat niet is bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van of medeplichtigheid aan de oplichting van [persoon] , zoals ten laste is gelegd. Verdachte wordt daarom van feit 1 vrijgesproken. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Verklaringen van aangever</emphasis>
        </para>
        <para>Aangever [persoon] heeft - kort gezegd - verklaard dat hij zijn huis te koop had staan en dat hij door iemand is benaderd die zijn huis wilde kopen. Uiteindelijk is er afgesproken dat er € 400.000,00 zou worden aanbetaald. Als onderpand voor deze aanbetaling zou [persoon] een geldbedrag en sieraden, met een totale waarde van € 100.000,00, meegeven. Op 23 april 2015 vond er in een hotel in Amsterdam een ontmoeting plaats tussen aangever en drie andere personen. Aangever overhandigde het geld en de sieraden en ontving een bedrag van € 400.000,00 in biljetten van € 500,00. Op vier na blijken deze vals te zijn. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Eén getuige is geen getuige</emphasis>
        </para>
        <para>Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan de rechtbank het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend aannemen op de verklaring van één getuige. De rechtbank ziet zich dan ook gesteld voor de vraag of het dossier voldoende bewijsmateriaal bevat dat de verklaring van [persoon] ondersteunt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Overige bewijsmiddelen</emphasis>
        </para>
        <para>Naast de verklaringen van aangever, bevat het dossier andere stukken. Er zijn camerabeelden van het betreffende hotel op 23 april 2015. Op deze beelden is een persoon te zien die door twee verbalisanten wordt herkend als verdachte. De rechtbank ziet, anders dan de raadsman, geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze herkenningen. De beelden die zich in het dossier bevinden zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk om een persoon op te herkennen. Daarnaast zijn er vingerafdrukken van verdachte aangetroffen op het geld dat aan aangever is mee gegeven. Op vier biljetten na, blijkt dit geld inderdaad vals te zijn.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Overwegingen van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het voorgaande worden afgeleid dat verdachte op 23 april 2015 in het hotel bij de afspraak met verdachte aanwezig is geweest. Dat betekent echter niet dat is bewezen dat aangever is opgelicht. Immers een essentieel onderdeel van het strafbare feit ‘oplichting’ is dat iemand wordt bewogen tot de afgifte van enig goed - in dit geval contant geld en sieraden. Anders dan de verklaring van aangever is er geen enkel bewijsmiddel waaruit blijkt dat aangever is bewogen tot de afgifte van geld en sieraden. </para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
        </para>
        <para>Het bewegen tot afgifte is een essentieel bestanddeel van het delict oplichting. Daarom mag voor dit bestanddeel het bewijs niet alleen steunen op de verklaring van één getuige. Gelet op deze bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, Sv is daarom niet bewezen dat verdachte samen met anderen [persoon] heeft opgelicht, zoals primair ten laste is gelegd. Dat hij medeplichtig is geweest aan oplichting van [persoon] kan evenmin worden bewezen. Daarom moet verdachte van feit 1, zowel primair als subsidiair, worden vrijgesproken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten aanzien van feit 2</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat ook feit 2 niet is bewezen. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het volgende. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is, net als de raadsman, van oordeel dat het evident is dat de betreffende bankbiljetten niet echt zijn. Dit is in één oogopslag waar te nemen, nu op elk biljet in grote letters ‘FAC – SIMILE’ staat gedrukt. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat niet kan worden bewezen dat deze biljetten zijn uitgegeven, als ware deze echt en onvervalst. De rechtbank overweegt daarbij nog dat de ratio achter de strafbaarstelling van het uitgeven van vals geld is dat de integriteit van het betalingsverkeer moet worden beschermd. In deze zaak is er sprake van bankbiljetten die overduidelijk vals zijn, zodat ze ongeschikt zijn om voor echt geld door te gaan. De integriteit van het betalingsverkeer kan door deze biljetten dan ook niet worden aangetast. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Ten aanzien van de benadeelde partij</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De benadeelde partij, [persoon] , vordert € 100.000,00 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart de benadeelde partij, [persoon] , niet-ontvankelijk in zijn vordering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door </para>
      <para>mr. M. Vaandrager, 	voorzitter,</para>
      <para>mrs. G.H. Marcus en F.A.N.J. Goudappel, 	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. D.C. Wagter, 	griffier</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 november 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. F.A.N.J. Goudappel is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [...]
        </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>