<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:8155</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-11-26T11:10:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-11-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751689-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:8155">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:8155</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-11-26T11:09:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:8155 Rechtbank Amsterdam , 15-11-2018 / 13/751689-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:8155:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenuitspraak. EAB vervolging. Nadat de Poolse justitiële autoriteiten vragen betreffende de Poolse rechtsstaat hebben beantwoord, stelt de rechtbank nadere vragen. Levenslange gevangenisstraf.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:8155:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751689-18</para>
      <para>RK-nummer: 18/6221</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 15 november 2018 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 augustus 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 29 augustus 2018 door <emphasis role="italic">Sąd Okręgowy (Regional Court in Szczecin)</emphasis>, Polen, en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>thans gedetineerd in [penitentiaire inrichting] , </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. L.F. Bögemann, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op voornoemde datum het onderzoek ter zitting geschorst voor bepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om nadere vragen aan de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 26 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie <?linebreak?>mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door zijn raadsvrouw, <?linebreak?>mr. M.M.R. Slaghekke, advocaat te Amsterdam, die waarneemt voor mr. L.F. Bögemann, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">enforceable decision on remand in custody of the District Court in Myślibórz, 2nd Penal Division </emphasis>van 27 augustus 2018 (II Kp 313/18). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Polen strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Genoegzaamheid van het EAB</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 26 oktober 2018 het onderzoek ter zitting  geschorst, teneinde onder meer de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“De rechtbank wil dat in dit specifieke geval navraag wordt gedaan naar een door de rechter ondertekende versie van de aanvulling van het nationale arrestatiebevel van <?linebreak?>29 augustus 2018. Er is namelijk sprake van een innerlijke tegenstrijdigheid. Het in het EAB genoemde arrestatiebevel dateert van 27 augustus 2018, maar de in het EAB genoemde pleegperiode voor feit 2 loopt tot 28 augustus 2018. (…)”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 30 oktober 2018 luidt als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">(…) The   Regional   Court   in   Szczecin, the IIIrd Criminal Division [Sąd Okręgowy w Szezecinie, Wydział III Karny] in answer to your letter of the 29th October 2018 confirms that the decision of the 29th August 2018 bas been issued and signed by a judge, only the copy of it has been confirmed for the conformity by the manager of the secretariat, which is fully allowed for in the Polish criminal procedure. As a proof of the above the Court of this place encloses the copy of the decision signed by the judge. (…)</emphasis>”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB nog steeds niet genoegzaam is. Er is nog immer niet duidelijk of de aanvulling van het nationale aanhoudingsbevel van <?linebreak?>29 augustus 2018 wel door een rechter is ondertekend. De innerlijke tegenstrijdigheid is voorts niet weggenomen ten aanzien van de pleegperiode. De overlevering moet dan ook op grond van artikel 2 OLW worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat dit verweer niet slaagt. In de nadere informatie is uitdrukkelijk vermeld  dat de aanvulling op het nationale aanhoudingsbevel van 29 augustus 2018 door een rechter is ondertekend. Er zijn geen redenen  om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (‘Handvest’)</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Poolse rechtsstaat, artikel 47 Handvest</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.1.1</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018 (ECLI:RBAMS:2018:5925) een uitleg gegeven van het toetsingskader, gegeven bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (<emphasis role="italic">hierna: HvJ</emphasis>) van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU (<emphasis role="italic">hierna: het arrest</emphasis>). De rechtbank verwijst in zoverre naar de tussenuitspraak van 16 augustus 2018.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak overwogen:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">“Uit het arrest volgt dat wanneer, zoals in deze zaak, de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, zich tegen zijn overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verzet met het argument dat sprake is van structurele of op zijn minst fundamentele gebreken die volgens hem een nadelig effect op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de uitvaardigende lidstaat kunnen hebben en dus zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern kunnen aantasten, de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij over de overlevering van de opgeëiste persoon aan genoemde lidstaat heeft te beslissen, (naar analogie van het arrest Aranyosi en Căldăraru, punt 88 </emphasis>(Rechtbank: HvJ 5 april 2016, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198) <emphasis role="italic">gehouden is te beoordelen of hij een reëel gevaar loopt dat dit grondrecht zal worden geschonden.</emphasis></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Bij deze beoordeling moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit achtereenvolgens de volgende drie vragen beantwoorden: </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">1. Dreigt een reëel gevaar dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van die staat in gevaar brengen?</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">2. In hoeverre kunnen de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat betreft, zoals die uit de ter beschikking staande gegevens blijken, gevolgen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van die staat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen?</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">3. Zijn er, in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt.</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) de eerste vraag beantwoord en vastgesteld dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen, alsmede dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak vervolgens overwogen:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">“Gelet op de hiervoor genoemde vaststelling en het in meergenoemd arrest van het HvJ gegeven toetsingskader, moet de rechtbank vervolgens concreet en nauwkeurig beoordelen of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Hiertoe dient de rechtbank in de eerste plaats te onderzoeken in hoeverre de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in Polen betreft, gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Om deze vraag te kunnen beantwoorden, heeft de rechtbank behoefte aan een actueel en concreet beeld van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">De rechtbank nodigt de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom uit tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78. Om haar in staat te stellen een beslissing te nemen over de overlevering als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, verzoekt de rechtbank op grond van het tweede lid van dit artikel de uitvaardigende autoriteit om gegevens over de actuele en concrete gevolgen van de recente Poolse wetgeving voor de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de gezochte persoon zal worden onderworpen, als bedoeld in rechtsoverweging 74 van het arrest. De rechtbank nodigt de uitvaardigende Poolse autoriteit bovendien uit tot het verschaffen van andere gegevens die zij voor de door deze rechtbank te nemen beslissing van belang acht in het bijzonder ook gegevens waarmee kan worden aangetoond dat het gevaar voor een aantasting van het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht en daarmee zijn grondrecht op een eerlijk proces kan worden uitgesloten. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Teneinde een vruchtbare dialoog te kunnen starten heeft de rechtbank getracht om in dit stadium van die dialoog een balans te vinden tussen een zo concreet mogelijke bevraging en de praktische uitvoerbaarheid van de beantwoording van die vragen. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">De rechtbank verzoekt in het kader van die dialoog in ieder geval om gegevens met betrekking tot de volgende onderwerpen:</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <orderedlist numeration="upperalpha">
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">de personele wijzigingen die zich sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken hebben voorgedaan, in het bijzonder de wijzigingen met betrekking tot de (vice)voorzitters en rechters;</emphasis>
            </para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">de regels en procedures met betrekking tot de toewijzing van zaken aan kamers of rechters binnen de bevoegde rechterlijke instanties en de behandeling daarvan;</emphasis>
            </para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">de tuchtzaken of andere disciplinaire maatregelen die (vice)voorzitters en rechters van de genoemde rechterlijke instanties sindsdien hebben geraakt, bijvoorbeeld in de vorm van wijzigingen met betrekking tot de bezoldiging;</emphasis>
            </para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">de procedures die de opgeëiste persoon ter beschikking staan om schendingen van het hem toekomende recht op een onafhankelijk gerecht te kunnen aanvechten, en de waarborgen waarmee zij zijn omgeven; </emphasis>
            </para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">buitengewoon beroep.</emphasis>
            </para>
          </listitem>
        </orderedlist>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold italic">Conclusie </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Het vorenstaande leidt er toe dat de rechtbank de officier van justitie verzoekt om de</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">navolgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold italic">I. Welke rechterlijke instanties bevoegd?</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Welke rechterlijke instanties zijn concreet bevoegd voor de procedures waaraan deze opgeëiste persoon zal worden onderworpen?</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold italic">II. Gegevens ten aanzien van deze rechterlijke instanties</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Voor ieder van de hiervoor bedoelde rechterlijke instanties:</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold italic">A. Wijzigingen personele bezetting</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <orderedlist numeration="arabic">
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken (vice)voorzitters en rechters ontslagen? Zo ja, op welke datum is het ontslag aangezegd en wat is de grond die hiervoor is gegeven?</emphasis>
            </para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">Zijn er (vice)voorzitters en rechters gepensioneerd als gevolg van de gewijzigde pensioenleeftijd? Zo ja, hoe veel, afgezet tegen het aantal rechters en (vice)voorzitters binnen de rechterlijke instantie?</emphasis>
            </para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">Is het voorgekomen dat het mandaat van deze (vice)voorzitters en rechters na het bereiken van de pensioenleeftijd is verlengd? </emphasis>
            </para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wet inzake de Nationale School voor de rechterlijke macht assistent-rechters benoemd en zo ja, behandelen zij strafzaken en zo ja, als unus of binnen een rechterlijke college? </emphasis>
            </para>
          </listitem>
        </orderedlist>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold italic">B. Toewijzing en behandeling van zaken </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <orderedlist numeration="arabic">
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">Hebben er wijzigingen plaatsgevonden inzake de regels en procedures voor de toewijzing van strafzaken als die tegen de opgeëiste persoon sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken? </emphasis>
            </para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken wijzigingen geweest in de eventuele regels inzake de behandeling dan wel bestraffing van zaken met betrekking tot de feiten waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd? </emphasis>
            </para>
          </listitem>
        </orderedlist>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold italic">C. Tuchtzaken of andere (disciplinaire) maatregelen </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <orderedlist numeration="arabic">
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">Zijn er sinds voormelde wetswijzigingen tuchtzaken tegen rechters en/of (vice)voorzitters geweest? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding en wat was de uitkomst?</emphasis>
            </para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">Hebben er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken wijzigingen plaatsgevonden in de bezoldiging van (vice)voorzitters en rechters? Zo ja, wat was hiervoor de reden?</emphasis>
            </para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">Zijn er andere maatregelen betreffende (vice)voorzitters genomen, zoals het</emphasis>
              <?linebreak?>
              <emphasis role="italic">verstrekken van ‘written remarks’ door de Minister van Justitie? Zo ja, wat was </emphasis>
              <?linebreak?>
              <emphasis role="italic">hiervoor de aanleiding? </emphasis>
            </para>
          </listitem>
        </orderedlist>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold italic">D. Procedures ter bescherming van het recht op een onafhankelijk gerecht </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <orderedlist numeration="arabic">
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">Welke rechtsmiddelen en verweren staan de opgeëiste persoon ter beschikking indien hij twijfelt aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter die hem berecht? Staan deze middelen en verweren reeds tijdens de procedure tot zijn beschikking? Tot welke rechtsgevolgen kunnen deze middelen en verweren leiden? Welke autoriteit(en) ne(e)m(t)en ter zake de beslissing?</emphasis>
            </para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">In hoeverre is van dit rechtsmiddel gebruik gemaakt in strafzaken als die tegen de opgeëiste persoon sinds de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving en zo ja, hoe veel van dergelijke verzoeken zijn in die gevallen gegrond verklaard? </emphasis>
            </para>
          </listitem>
        </orderedlist>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold italic">E. Buitengewoon beroep </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">1. Is er in strafzaken al gebruik gemaakt van de mogelijkheid van de procedure van ‘buitengewoon beroep’ bij het Hooggerechtshof? </emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Zo ja, op welke grond en met welke uitkomst?” </emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Het Openbaar Ministerie heeft de hiervoor genoemde vragen ook in de onderhavige zaak ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd. Bij brief van 26 oktober 2018 heeft Joanna Wieczorkiewicz-Kita, rechter bij <emphasis role="italic">the Regional Court in Szczecin, IIIrd Criminal Division</emphasis> de vragen beantwoord. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De antwoorden zijn ter zitting met de opgeëiste persoon, de raadsvrouw en officier van justitie besproken. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Daarbij heeft de opgeëiste persoon ter zitting van deze rechtbank nog specifiek de zorg tot uitdrukking gebracht dat hij geen eerlijk proces zal krijgen, omdat de moeder van het slachtoffer [naam slachtoffer] , [naam moeder slachtoffer] , een leidinggevende positie heeft bij een afdeling van de strafsector van de uitvaardigende justitiële autoriteit, <emphasis role="italic">the Regional Court in Szczecin</emphasis>.  [naam moeder slachtoffer] is lang hoofd van de strafzakenafdeling geweest en is nu plaatsvervangend hoofd van deze afdeling. De positie van hoofd van de afdeling zou thans door haar zus worden bekleed, aldus de opgeëiste persoon.  </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.2</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank is na sluiting van het onderzoek ter zitting tot de conclusie gekomen dat het wenselijk is dat de dialoog met de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt voortgezet. De rechtbank verzoekt de uitvaardigende justitiële autoriteit om nadere gegevens te verstrekken naar aanleiding van de antwoorden van <emphasis role="italic">the Regional Court in Szczecin </emphasis>van 26 oktober 2018, alsmede hetgeen de opgeëiste persoon ter zitting heeft verklaard over de mogelijkheid dat de moeder en tante van het slachtoffer werkzaam zouden zijn bij de justitiële autoriteit die het EAB heeft uitgevaardigd.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank verzoekt de officier van justitie daarom om de volgende vragen aan de uitvaardigende autoriteit voor te leggen: </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">A. ten aanzien van de antwoorden van </emphasis>
            <emphasis role="underline italic">the Regional Court in Szczecin </emphasis>
            <?linebreak?>
          </para>
          <para>Onder <emphasis role="bold underline">Ad. B Assigning and deciding cases</emphasis> is het volgende geantwoord:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>“<emphasis role="italic">2. After the above indicated date of entry into force of the changes in the law “The law on the structure of common courts”, that is the 12th August 2017, there took place a change within the scope of the principles concerning the deciding and penalizing in cases for the offence, which constitutes a basis of the request for the surrender of the requested person. This change concerned the process provisions determining the bases of discontinuation of proceedings. By virtue of the judgement of the l7th July 2018 the Constitutional Tribunal ascertained the inconsistency of art. 17§1 of the Code of criminal procedure (hereinafter called: ccp) with art. 139, the first sentence of the Constitution of the Republic of Poland within the scope, in which it does not make an act of individual abolition a negative prerequisite for conducting criminal proceedings. This adjudication has been published on the 19th July 2018 and since that date it has entered into force. It relates to the issue of the application, by the President of the Republic of the right of grace in respect of a person, who was not with legal validity convicted for an offence. The contents of the adjudication of the Constitutional Tribunal expresses the standpoint, that the President of the Republic of Poland is entitled to apply the right of grace before a final binding conviction of a person accused of perpetration of an offence, and that in such a case the art. 17§1 of ccp should constitute a basis for the discontinuation of proceedings conducted in respect of such an accused person. However the adjudication of the Constitutional Tribunal itself does not introduce a provision constituting a legal basis for issuing in such a case a decision on the discontinuation of proceedings. It has to be emphasized that the manner of formulation by the Constitutional Tribunal of the indicated judgement raises doubts (both in the judicature and in the doctrine) with regard to the legal consequence caused, in particular, whether it independently constitutes a basis for issuing a decision on the discontinuation of proceedings, which doubts</emphasis></para>
          <para>
            <emphasis role="italic">have to be decided by the judicature of the common courts and the Supreme Court till the time of making an unambiguous change of art. 17§1 of ccp in a direction pointed out in the judgement referred to.</emphasis>”</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op basis van voormelde informatie heeft de rechtbank de volgende vragen: </para>
        </parablock>
        <para />
        <orderedlist numeration="arabic">
          <listitem>
            <para>Wat houdt ‘<emphasis role="italic">a decision on the discontinuation of proceedings</emphasis>’ in? <?linebreak?></para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>Betekent dit dat de <emphasis role="italic">President of the Republic</emphasis> een lopende strafrechtelijke procedure definitief kan beëindigen, of kan de strafprocedure hierna opnieuw worden gevoerd voor een andere rechter of een andere rechtbank? <?linebreak?></para>
          </listitem>
        </orderedlist>
        <para>
          <emphasis role="underline">B. Ten aanzien van de verklaring van de opgeëiste persoon</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
        <para>1. Werkt de moeder en/of tante van [naam slachtoffer] voor <emphasis role="italic">the Regional Court in Szczecin</emphasis>, danwel de andere instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan deze opgeëiste persoon zal worden onderworpen?</para>
        <para />
        <para>2. Zo ja: <?linebreak?>- wat is haar/hun functie(s)?<?linebreak?>- wat zijn de bevoegdheden die uit haar/hun functie(s) voortvloeien?<?linebreak?>- indien de moeder van [naam slachtoffer] en/of de tante op enigerlei wijze invloed<?linebreak?>  zou(den) kunnen uitoefenen op het strafproces tegen de opgeëiste persoon, wat zijn<?linebreak?>  dan de voorzieningen die kunnen worden getroffen om de onafhankelijkheid van de <?linebreak?>  behandelend rechter/rechtbank te waarborgen?</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Levenslange gevangenisstraf, artikel 4 Handvest</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.2.1</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Uit het EAB onder rubriek C) blijkt dat voor het tweede feit waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht, mogelijk een levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>In dit verband heeft het Openbaar Ministerie op 11 oktober 2018  de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld: </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>“U geeft in het EAB aan onder sectie C dat het misdrijf moord wordt bedreigd met een gevangenisstraf van 25 jaar of levenslang. Kunt u aangeven of het Poolse rechtssysteem voorziet in een herziening van de straf of maatregel of kan de veroordeelde een gratieverzoek indienen gericht op het niet executeren van die straf of maatregel, en zo ja, na hoeveel jaar?”</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 30 oktober 2018 luidt als volgt:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>“<emphasis role="italic">Additionally the Court again explains that the lodging of a petition for clemency  is possible only directly after the validation of a convicting judgement, whereas the circle of persons, which can file the petition for clemency for a sentenced person has been indicated in art. 560 § 1 of the code of criminal procedure. These persons are: the  sentenced person himself/herself, a person authorised to bring an appeal measure on their behalf, direct relatives, an adoptive parent or adopted child, a brother, sister, or spouse of the sentenced person, or a person who cohabitates with the sentenced person. Moreover a petition for clemency may be drawn up by a counsel for the defence, appointed by the court or chosen by the defendant, who was appearing in the case, which follows from the provision of art. 84 § 1 of  the code of criminal procedure. A sentenced person may also appoint a counsel for the defence for the needs of the clemency proceedings.</emphasis></para>
          <para>
            <emphasis role="italic">However in the Polish criminal law there is no such an institution as a standard / general periodic review without an application made by the sentenced person. Whereas it is possible to lodge a cassation, it can be lodged as well by the parties as by the Minister of Justice -  the General Public Prosecutor, and also the Commissioner for the Protection of Civil Rights and the Children's Justice [=Ombudsman for the Rights of Children] if through the issuance of a decision it came to a violation of the rights of a child.</emphasis>”</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Ter zitting van deze rechtbank heeft de officier van justitie een uitdraai van Poolse wetsartikelen overgelegd, afkomstig van internet, waaruit zou blijken dat in Polen wel degelijk een herzieningsmogelijkheid bestaat. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Voorts heeft de officier van justitie een schrijven van EUROJUST overgelegd, van <emphasis role="italic">the National Desk Assistent – Poland</emphasis>, van 8 november 2018, waarin het volgende is meegedeeld.  </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>“<emphasis role="italic">(…) Below you will find the article in translation into English. (…)</emphasis></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Art. 78. Conditions. </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…) </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">§ 3. A person sentenced to 25 years imprisonment may be released on licence after serving 15 years of the sentence, and </emphasis>
            <emphasis role="bold italic">a person sentenced to life imprisonment can be released on licence after serving 25 years of the sentence.</emphasis>” </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De verdediging heeft naar aanleiding van deze informatie aangevoerd dat een reëel risico aanwezig is dat na overlevering een schending van artikel 3 van het EVRM dreigt. Dit risico is niet weggenomen door de informatie van EUROJUST. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.2</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank begrijpt uit de door de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie dat indien de opgeëiste persoon tot een levenslange gevangenisstraf wordt veroordeeld, hem enkel direct na het onherroepelijk worden van het vonnis, de mogelijkheid van gratie ter beschikking staat.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Wanneer enkel van deze informatie wordt uitgegaan, zou er in het licht van vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (vgl. o.a. Vinter en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk (EHRM 9 juli 2013, nr. 66069/09, 130/10 en 3896/10), waaruit volgt dat een perspectief op invrijheidsstelling dient te bestaan) een reëel gevaar bestaan dat de opgeëiste persoon, wanneer hij in de uitvaardigende lidstaat tot levenslang zou worden veroordeeld, in een situatie zou komen die in strijd is met de door artikel 4 van het Handvest – dat overeenkomt met artikel 3 EVRM – gewaarborgde grondrechten.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Uit de gegevens die de officier van justitie heeft overgelegd, zou echter kunnen worden afgeleid dat in Polen wel degelijk de mogelijkheid bestaat om na het uitzitten van een deel van de straf voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet op deze tegenstrijdige informatie, verzoekt de rechtbank het Openbaar Ministerie ook de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:  </para>
        </parablock>
        <para />
        <orderedlist numeration="arabic">
          <listitem>
            <para>Bevat de Poolse wetgeving – buiten de in de verstrekte informatie genoemde mogelijkheid van gratie direct na het onherroepelijk worden van het vonnis – nog een regeling tot herbeoordeling van levenslange gevangenisstraffen?<?linebreak?></para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>Zo ja, hoe luidt de inhoud van deze regeling?</para>
          </listitem>
        </orderedlist>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen en voor bepaalde tijd schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de hiervoor onder 4.1.2 en 4.2.2 genoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het kader van de voortgang van de overleveringsprocedure, met het oog op de beslistermijn van de rechtbank, wordt verzocht de vragen voor <emphasis role="bold">23 november 2018 </emphasis>te beantwoorden.      </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>en <emphasis role="bold">SCHORST </emphasis>het onderzoek voor bepaalde tijd tot 23 november 2018 om 09.00 uur; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon tegen voornoemde datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemde datum en tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. A.K. Glerum,		  					                         voorzitter,</para>
      <para>mrs. C.A. van Dijk en I. Verstraeten-Jochemsen,               				   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens,				                              griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 15 november 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>